Antisemitisme in de Oudheid Antisemitisme in de Oudheid

Voor Israël zijn de volgende vijf punten onopgeefbaar. Door daar aan vast te houden, had het volk de moeilijke jaren van de ballingschap in Babel doorstaan waar andere gedeporteerde volken waren geassimileerd en spoorloos verdwenen.

  • hun hoge waardering voor de Torah
  • hun godsvoorstelling: één God, geen beeld, één tempel
  • de besnijdenis,
  • de sabbath
  • het verbod op het eten van varkensvlees.

Waar andere volken elkaar de ruimte gaven in hun goden en godsdienst, hield Israel het bij zijn eigen geloof. Dat kwam op de heidense bezetters van Israel en op de heidense omgeving van de diaspora over als een bedreiging van de saamhorigheid. Daarom noemde men Joden

  • ongelovig: ze vereren slechts éen God, zonder een beeld te hebben.
  • bijgelovig: ze houden er merkwaardige gewoontes op na.
  • mensvijandig: ze zouden mensen offeren en opeten, kannibalisme
  • xenofoob: ze weigeren mee te doen met de omgeving (sabbat, spijswetten)

Deze elementen keren tot op de dag van vandaag telkens weer terug met als absoluut dieptepunt de poging om het Joodse volk volledig uit te roeien in de tweede Wereldoorlog.
P. Schäfer, die een geschiedenis van het antisemitisme schreef, geeft om die reden niet een strakke definitie maar omschrijft antisemitisme als '...een veranderlijk, veelgelaagd en open systeem dat zich in de loop van zijn geschiedenis voortdurend verrijkt met nieuwe facetten en zichzelf in verschillende maatschappelijke constellaties telkens weer opnieuw uitvindt. Oudere 'beproefde' elementen blijven een constante en worden door nieuwe elementen beslist niet gerelativeerd, maar juist geïntensifeerd.' (p. 11v)

Dat maakt antisemitisme tot een speciale, zeer herkenbare vorm van vreemdelingenhaat.
Zulk antisemitisme in de ruime betekenis van haat en vijandigheid tegen Joden is er al vanaf ong. 300 vC.
De boekjes Esther en Daniël in het Oude Testament getuigen daarvan.
Bij het jaarlijkse Poerimfeest viert het Joodse volk de reddiing door Esther van de Jodenhater Haman.
De Amalekieten, een volk dat Israel in de woestijntijd aanviel (Exodus 17) gelden als de aartsvijand van Israel en staan in de Joodse traditie symbool voor de vijand(en) van het Joodse volk door de eeuwen heen.
Van Haman wordt al gezegd (Ester 3: 1) dat hij een nakomeling van Agag was, een koning van de Amelekieten in de tijd van Saul (1 Sam 15: 7 - 8).

De eerste pogrom is 38 nChr in Alexandrië.
In het Nieuwe Testament vinden we enkele verzen met Jodenhaat of die daarvoor konden dienen: bij  Paulus, Mattheüs en Johannes.

terug