Nedergedaald ter helle Nedergedaald ter helle
Inleiding
Dit onderdeel van het credo volgt op 'gekruisigd, gestorven en begraven'. Over de betekenis ervan lopen de meningen uiteen, zoals we nog zullen zien. Opmerkelijk:
  • dit is het enige geloofsartikel dat niet of nauwelijks met teksten uit de bijbel onderbouwd kan worden.
  • in de drie klassieke geloofsbelijdenissen komt het als volgt voor:
    • de apostolische geloofsbelijdenis of 12 artikelen van het geloof (+/- 200) heeft nedergedaald 'ad inferna' (ter helle)
    • de geloofsbelijdenis van Athanasius (+/- 450) leest nedergedaald 'ad inferos' (het dodenrijk)
    • in de geloofsbelijdenis Nicea-Constantinopel (325) ontbreekt dit leerstuk.
  • In de drie formulieren van enigheid is het als volgt:
    • de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) sluit hij het apostolicum aan (ad inferna)
    • de Heidelbergse Catechismus (1563) doet dat ook (ad inferna)
    • de Dordtse Leerregels (1618 - 1619) bespreken een heel andere thematiek
Hoe het begon
In Efeze 4: 9b schrijft Paulus '...dat Christus is afgedaald naar de lagere (Grieks - katootera) delen van de aarde'. Die tekst vatte men in de kerk al snel op als een aanwijzing dat Christus in het dodenrijk is geweest. Het dodenrijk - zo stelde men zich voor - zou diep onder de aarde gelegen zijn, ver van het land der levenden. Of Paulus dat ook bedoelde laten we nu in het midden.
Dit 'lagere delen van de aarde' werd in het Latijn vertaald met 'inferiores partes terrae', al betekent dit eigenlijk de 'lage delen van de aarde'. In de geloofsbelijdenis van Athanasius is dat verkort tot 'afgedaald ad inferos'. Nog steeds een duidelijke herinnering aan Ef 4: 9b. Dat is dus een omschrijving van het dodenrijk (Hebr. sjeool = Grieks hades), niet de hel (Hebr. gehenna = Grieks tartarus).

De hel
Op het eind van de vierde eeuw kwam er echter een iets andere formulering in omloop: 'afgedaald ad inferna'. Rufinus (eind vierde eeuw) voegt deze woorden toe aan de apostolische geloofsbelijdenis die toen nog niet definitief was vastgesteld. Met 'inferna' is dan nog 'gewoon' de plaats in het dodenrijk bedoeld waar de onrechtvaardigen terecht komen.

Later werd dat de plek waar onrechtvaardigen en goddelozen vreselijke pijnen en afschuwelijke martelingen ondergaan in een eeuwig brandend vuur als straf voor hun slechte gedrag. Dat hebben we vooral aan de Middeleeuwen te danken. Toen werd er veel over de hel gefantaseerd.
  • Het eerste deel van De Goddelijke Komedie van Dante (1265 - 1321) heet Inferno.
  • Jheronimus Bosch (1450 - 1516) maakte talloze schilderijen over de hel.
  • In de kerkelijke prediking werd mensen behoorlijk angst aangejaagd voor de eeuwige verdoemenis. Dan zouden ze wel beter op het rechte pad blijven. \
  • Bovendien hielp het om aan hen aflaten te verkopen. Dat waren schriftelijke verklaringen die de kerk tegen betaling gaf aan mensen die bang waren voor straf in het vagevuur. Dat was weliswaar niet de hel (eeuwig), maar deed er qua akeligheid weinig voor onder. Wie een aflaat kocht, zou minder tijd in het vagevuur doorbrengen. Tetzel (1465 - 1519), een verkoper van aflaten had als motto: 'Als het geld in het laatje klinkt, de ziel de hemel inspringt'.
Maar laten we niet alleen kritiek hebben op de middeleeuwse kerk. In de protestantse kerken werd ook veel hel en verdoemenis gepreekt. In de Statenvertaling werd hades vertaald met hel ipv dodenrijk > Mat 11: 23; 16: 18; Luc 10: 15; 16: 23; Hnd 2: 27. 31; 1 Kor 15: 55*; Opb 1: 18; 6:8; 20: 13v.
(* de Griekse brontekst van dit vers leest tegenwoordig geen hades meer, maar thanatos = dood)


Er zijn wel woorden in de bijbel die van een eeuwige verdoemenis spreken, maar nooit in combinatie met een nederdaling van Christus daarnaartoe. Het gaat dan om teksten over de gehenna (hel) en abussos (diepte). Daar komen we bij 'hel' op terug. Maar het geloofsartikel van Christus' nederdaling ter helle kan niet met bijbelse teksten onderbouwd worden.

Oorsprong
De oorsprong van het leerstuk van Christus' nederdaling moeten we zoeken in de eerste eeuwen van kerkgeschiedenis. Vele gelovigen vroegen zich toen bezorgd af: zijn onze voorouders die vòòr Christus gestorven zijn reddeloos verloren? Want toen zij nog leefden, was er geen evangelie. Het kon hun niet verkondigd worden. Ze hebben nooit de kans gekregen om het aan te nemen en te geloven. Deze zorg zit bv ook achter de praktijk in Korinthe, waar gemeenteleden zich laten dopen voor de doden (1 Kor 15: 29) in de hoop hen alsnog bij het eeuwige leven te betrekken.

Veel kerkvaders lazen, met deze zorg in het hart, de bijbel door en kwamen soms teksten tegen die - met een beetje goede wil - erop zouden kunnen wijzen dat Jezus in het dodenrijk was geweest om daar het evangelie bekend te maken en de doden te bevrijden. Een paar van de belangrijkste zijn:
  • Hnd 2: 27 > Petrus haalt in zijn Pinkstertoespraak Ps 16: 10a* aan. David de dichter van die Psalm zegt daar 'U zult mij niet overleveren aan de hades (= sjeool, dodenrijk).' Vervolgens legt Petrus uit dat David toch echt gestorven en begraven is. Dus kan die tekst niet op David slaan. Dan heeft David geprofeteerd, nl over de opstanding van Christus, die niet aan de hades is overgelaten, maar door God is opgewekt (Hnd 2: 29 -32).
    Beoordeling: Deze tekst zegt weliswaar niet dat Jezus in de hel (= gehenna, tartarus) is neergedaald, maar toch wel in het dodenrijk (sjeool; hades), en daaruit door God is opgewekt.
  • 1 Pe > In de eerste Petrus-brief lezen we dat Jezus naar 'de gevangenis' is gegaan waar de geesten verblijven van degenen die in de dagen van Noach ongehoorzaam zijn geweest. (1 Pe 3: 18 - 19) En dat 'ook aan de doden het evangelie is verkondigd (1 Pe 4: 6).
    Beoordeling: Deze moeilijk te interpreteren teksten betekenen waarschijnlijk dat Jezus als de Opgestane Heer in het dodenlijk aan de doden het evangelie heeft bekend gemaakt. Zo heeft hij hun de kans geboden om Hem te geloven en het eeuwige leven te ontvangen. Voor een uitgebreidere uitleg zie 1 Pe 3: 19-20.
  • Efeze 4: 8 - 9 ‘Toen Hij opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee en schonk Hij gaven aan de mensen. Hij steeg op – wat betekent dat anders dan dat Hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? (NBV21)
    Beoordeling: zo vertaald biedt de tekst geen steun voor een gaan van Christus naar dodenrijk of hel.
  • De kerkvaders vonden nog meer teksten: zie eind van dit stuk.
De pastorale zorg van de kerkvaders is goed te begrijpen. Ze konden de gemeenteleden bezorgd om het eeuwig lot van hun voorouders niet met lege handen laten staan. Op creatieve wijze, door de Geest geleid, vonden ze de genoemde teksten en ontdekten de ruimte daarin en ontwikkelden de leer van de afdaling ad inferos, naar de lage delen, het dodenrijk (Hebr. sjeool = Gr. hades)

In de Oudheid
Het leerstuk kon op allerlei manieren de mensen in hun zorg om het voorgeslacht tegemoet komen. De afdaling naar het dodenrijk kreeg de volgende interprataties:
  • zo heeft Jezus de gelovigen van het het oude testament bezocht om hen te bevrijden
  • zo heeft Jezus alle deugdzame niet-joden uit het dodenrijk bevrijd.
  • zo biedt Jezus alle gestorven nog één keer de kans om voor Hem en het leven te kiezen.
  • zo voorkomt Jezus dat de zijnen in het dodenrijk terecht komen. De poorten zijn ahw gesloten door de kracht van zijn heilswerk.
Middeleeuwen
In de Middeleeuwen werd die zorg om het voorgeslacht geleidelijk aan minder actueel. Dan gaat de hel een rol spelen in de bangmakerij van gelovigen. Ipv ad inferos gaat het dan om ad inferna.

Reformatie
Geen wonder dat Luther en anderen zichzelf de vraag stellen: hoe krijg ik een genadige God? Gedreven door die vraag geven de reformatoren dit leerstuk een geheel nieuwe uitleg:
  • Luther legt de neerdaling ter helle uit als een triomfantelijke tocht van Christus naar de duivel, demonen en gevallen engelen om hun Zijn overwinning bekend te maken en hun het oordeel aan te zeggen.
  • Calvijn noemt de nederdaling zelfs een fabel, waarvoor geen goede bijbelse onderbouwing is. Volgens hem geeft het dogma de diepte van Christus lijden aan: hij draagt Gods toorn om ons te verzoenen.
  • De Catechismus leidt uit dit dogma af dat ik, op het moment van hevige aanvechtingen mag weten dat Christus dit nog veel heviger heeft doorgemaakt en zo mij van helse benauwdheid en pijn heeft verlost.
  • Tenslotte is er ook nog de opvatting dat de nederdaling in het dodenrijk een bijstelling is bij gestoren en begraven. Het dogma voegt dan niets nieuws toe, maar onderstreept dat Jezus gestorven is: Hij heeft de dood ten volle geproefd.
Het is duidelijk dat deze laatste vier interpretaties een kant op gaan, die met het geloofsartikel oorspronkelijk niet is bedoeld.

Conclusies:
Het leerstuk 'nedergedaald ad inferna' (Apostolicum) kan niet op bijbelse teksten gefundeerd worden.
Iets betere papieren heeft het leerstuk 'nedergedaald ad inferos' (Athanasius).
Om die reden kunnen we bij het belijden van ons geloof beter spreken van 'nedergedaald in het dodenrijk' dan van 'nedergedaald 'ter helle'.

De protestantse opvatting van het dogma is geen uitleg van het dogma, maar een reactie op middeleeuwse bangmakerij, die het overigens zelf ook voortzette.

Wat moeten we ermee?
Van Ruler schrijft dat al deze interpretaties '...uitdrukking geven aan de absoluutheid en de universaliteit van Christus en van het heil in Hem.' (Ik Geloof, p. 99). Dat is een heel welwillende interpretatie van al die uiteenlopende duidingen die dit leerstuk gekregen heeft. Persoonlijk vind ik het jammer dat we de universaliteit van het heil van Christus onderbrengen in een paar woordjes die zulke vreselijke associaties oproepen.

De oorspronkelijke, bezorgde vraag naar het eeuwig lot van mensen die van Jezus en het evangelie niet (wilden) weten, komt wat mij betreft aan de orde bij de herschepping van hemel en aarde, als God alles in allen is. (punt 12)

Voor de volledigheid:
Andere teksten die gevonden werden om het leerstuk van de nederdaling te ondersteunen, zijn:
Mat 12: 29    het huis van de sterke binnengaan en het leeghalen
Mat 12: 40    de Zoon des Mensen drie dagen en nachten in hart van de aarde
Mat 20: 28    de Zoon des Mensen geeft zijn leven als losgeld.
Mat 27: 52v  bij de kruisiging van Jezus gaan de graven open en staan de doden op.
Rom 10: 7    Wie zal afdalen naar de onderwereld? – dat wil zeggen: om Christus bij de doden vandaan naar boven te brengen.
Hebr 13: 20  ...door het bloed van het eeuwig verbond uit het dodenrijk heeft weggeleid...
Kol 2: 15      Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten,
Opb 1: 18     Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk.
Ps 22: 16*    U legt mij neer in het stof van de dood.
Ps 24: 7v*    De poorten (van het dodenrijk) moeten open gaan voor de koning der ere
Ps 107: 16*  bronzen deuren heeft hij verbrijzeld
Job 40: 25    de draak / Leviathan aan een vishaak optrekken
En in de Septuaginta (niet de Hebreeuwse tekst)
Job 38: 17    De poorten van het dodenrijk sidderden toen zij U zagen

Hos 13:14    uit de greep van de onderwereld zal ik hen verlossen...

Wie deze teksten opzoekt, ziet al gauw dat je een gewrongen exegese moet toepassen om ze te laten slaan op Jezus' nederdaling ter helle.
De meeste van de in dit stuk genoemde teksten vond ik bij Roukema, De belijdenis van Christus' nederdaling ter helle als antwoord op een levensvraag. (2003)

*Aanduidingen volgens Hebreeuws OT; de kerkvaders citeerden vaak het Griekse OT, de LXX. Daar hebben de Psalmen een nummering die iets verschilt.

 
terug