Psalm 1 Psalm 1

welzalig de man of vrouw die
Deze psalm, de eerste van alle, zal wel vooraan gesteld zijn om het belang van de Tora en het daarmee vertrouwd zijn te benadrukken. Gelukkig, gezegend de mens die zo leeft. Hij of zij mag zegen verwachten. De boosdoeners die daar niets van willen weten, eindigen zonder een spoor na te laten.

Ps 1: 1 die niet wandelt in de raad der goddelozen,
die niet staat op de weg der zondaars,
noch zit in de kring der spotters.

Drie zinnen die qua inhoud sterk op elkaar lijken, typerend voor de Hebreeuwse poezie (parallellismus membrorum).
Goddelozen zijn niet wat wij 'ongelovigen' noemen, maar mensen voor wie het leven van hun naasten niet veilig is, omdat zij zich niet storen aan God en zijn gebod.
In de aanduiding 'zondaars' klinkt door dat zij in overtreding zijn, nl van Gods wet of Torah.
De aanduiding spotters haalt nog weer iets anders naar voren: het gezwets en gebral van de boosdoeners.
Opvallend: de boosdoeners opereren niet alleen; ze trekken samen op.
Nog iets: Eerst is er het wandelen in de raad (naar het advies van), dan het stil staan bij en tenslotte het zitten in de kring. Het begin lijkt nog onschuldig, maar op het laatst kom je niet meer weg. Het gaat van kwaad tot erger.

Ps 1: 2 Maar vreugde vindt in de wet van de HEER 
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.

Tegenover het meervoud van de boosdoeners staat de enkeling. De man (of vrouw) die niet met de massa mee gaat maar op God is afgestemd: die zich in de wet van Here verdiept. Dag en nacht laat hij zich daardoor leiden. Bij alles wat hij doet, heeft hij Gods wil en bedoelingen in gedachten. Hij is er zo mee vertrouwd en vergroeid dat hij ermee leeft. Hij draagt het als een geestelijke wereld met zich mee. In 6 wordt hij rechtvaardige genoemd.
Torah is de aanduiding van de eerste 5 boeken van de bijbel. Het wordt om die reden vaak vertaald met wet, maar het is veel meer. Het is ook aanwijzing of raadgeving. Die aanwijzingen kunnen compact als geboden en verboden opgeschreven staan. Maar ze kunnen ook in de vele verhalen van Adam en Eva, de aartsvaders, en Mozes verscholen liggen. Het is goed om je daarin zo te verdiepen dat het je geestelijk bezit wordt. Dat is veel wijzer, veel beter dan je in te laten met de boosdoeners met hun gezwets en slechte gedrag.

Ps 1: 3-4  Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.

Zo niet de wettelozen.
Zij zijn als kaf dat verwaait in de wind.

Hoeveel beter blijkt uit deze verzen. De tegenstelling van vers 1 en 2 wordt hier herhaald, maar in omgekeerde volgorde. Nu eerst de vrome mens in 3, dan de goddelozen in 4.
De rechtvaardige man of vrouw is als een boom die niet verdort maar vrucht draagt omdat hij geplant is bij een beek of rivier. Zo is de mens die geworteld is in de Tora. Hij wordt voortdurend gevoed en zal tot bloei komen en vrucht dragen.
Groter kan het contrast met de wettelozen niet zijn. Zij zijn als kaf - de droge vliesjes van korenhalmen - van geen enkel nut, kurkdroog. Bij de oogst gooit men met de wan het gedorste graan omhoog in de wind. De korrels vallen terug, het kaf verdwijnt met de wind. Spoorloos.

Ps 1: 5-6 Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.

De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.

Hoe komt dat grote verschil tot stand? Dat wordt bewerkt door de rechtspraak, het oordeel van de vergadering der rechtvaardigen. Vgl Ps 24: 3 en 4. Waar het recht goed wordt toegepast, worden de goddelozen doorzien en vallen zondaars door de mand. Door hun slechte gedrag maken ze zichzelf onmogelijk. Zij sluiten zich buiten.
Zo beschermt de Here de rechtvaardige. Diens levensweg heeft toekomst. Daarentegen loopt de weg van de wettelozen op niets uit.
Dit veronderstelt wel een eerlijk proces met onkreukbare rechters. Waar de rechters niet deugen, komt de rechtvaardige er slecht van af. Zie het proces van Jezus, waar de hogepriester Kajafas leugenachtige getuigen oproept, en stadhouder Pilatus zijn handen in onschuld wast.

literaire structuur
Het gaat om een driedelig gedicht. Centraal staat de tegenstelling van boom en kaf in het midden (vers 3 en 4) die een beeld zijn voor de rechtvaardige en de goddeloze die we daarboven in 1-2 en daaronder in 5-6 terugvinden.

wijsheid
De psalm geeft aan hoe het zou moeten zijn en gaan. Het heeft een hoog theoretisch gehalte. De werkelijkheid is helaas vaak niet zo, dat wie werkelijk met God leeft, het voor de wind gaat. Of dat wie echt kwaad doen, van het toneel verdwijnen. In de tweede wereldoorlog kwamen vele vrome Joden om omdat vele christenen zich hadden ingelaten met de ideologie van de nazi's en met hun zieke gedachtegoed van het antisemitisme waren besmet geraakt. De paar christenen die daar immuun voor waren, waren dat omdat ze goed in de bijbel thuis waren. Daar leerden zij heel andere dingen dan 'Ein Volk, ein Land, ein Führer'. Zij wisten hoe het God gaat om Israël en alle volken, om alle landen ter wereld, om een Heer en Meester voor iedereen.

actueel
De oproep om in de bijbel geworteld te zijn om te voorkomen dat je een meeloper wordt, blijft onverminderd actueel. Er is veel ongenoegen in de samenleving en dat vuurtje kan simpel opgestookt worden met nepnieuws, vooroordelen en gemakkelijke leuzen. Dan zijn altijd minderheden de dupe, maar uiteindelijk wij allemaal omdat wij onze vrijheid en democratie inruilen voor een autoritaire leider.

hoezo gezegend?
Al wat hij onderneemt gelukt. Uiteindelijk moeten we zeggen dat Jezus de vervulling is van deze psalm. Hij was als geen ander zo innig verworteld met God dat hij hem zijn Abba, Vader noemde. Dat maakte hem zo sterk dat hij nooit een meeloper werd, maar tegen de stroom durfde in te gaan. Als enige op het laatst. Verraden en in de steek gelaten door zijn volgelingen.
Jezus geslaagd? In elk geval in die zin dat hij zichzelf en alles wat hem heilig was, is trouw gebleven. Wie van ons kan dat zeggen op het eind van zijn of haar leven? Zullen wij niet met spijt en wroeging terug denken aan gemorste tijd, aan koude harten, aan harde woorden, aan mensen tekort gedaan?
'De Here kent de weg der rechtvaardigen.' Hoe ver de trouw van God gaat blijkt op de morgen van Pasen: Hij roept Jezus op uit de dood tot een nieuw onvergankelijk bestaan.
Nemand geeft zijn kind nog de naam Adolf. Maar over Jezus hebben we het nog altijd.

doorwerking
In het Nieuwe Testament haalt Jezus de beeldspraak van de twee wegen aan in Mat 7: 13 en van de boom die vrucht draagt in Mat 7: 16-19. Johannes de Doper spreekt van boom en kaf in Mat 3: 10-12.

terug