Ps 23 Ps 23

Inleiding
De meest bekende psalm en geliefd bij velen. Dat zal te maken hebben met de zeer toegankelijke beeldspraak van een herder die zijn kudde leidt en verzorgt. Toch vergissen we ons in de strekking van dit lied als we daarbij het plaatje van een herder op de Drentse heidevelden in gedachten hebben. Of het liedje 'op de grote stille heide...' Het tafereel is niet zo idyllisch. In het Midden Oosten, in bijbelse tijden had je als herder een zwaar beroep: overdag de hitte en 's nachts de kou. Het voortbestaan van de kudde is voortdurend in gevaar vanwege wolven en dieven. Lees maar na hoe Jakob erover vertelt (Gen 31: 38 -41). Als dat een beeld is voor wie als gelovige probeert te leven, dan is wel duidelijk dat je als gelovige geen ongestoord en vredig bestaan hoeft te verwachten. Het wordt serieus door onheil en vijanden (vs 5) bedreigd.

Opbouw
Vaak hebben psalmen een zekere gelaagdheid, een ui-structuur. Deze ook: vers 1 en 6 zeggen hetzelfde, vers 2 en 5 eveneens en ook vers 3 en 4 horen bij elkaar.
Daarbij valt ook op dat er twee delen zijn :

  • 1 - 3: een getuigend lied over Jahweh in de derde persoon (Hij)
  • 4 - 5 (6?) : een biddend lied tot Jahweh in de tweede persoon (U)

Precies in het midden - ervoor en erna 10 versregels - staat 'ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij'. Dat is het centrum waar de psalm om draait.

Opschrift
De psalm staat op naam van David, maar dat kan niet kloppen omdat er in vers 6 sprake is van de tempel. Die zou pas door Davids zoon Salomo gebouwd worden. De werkelijke dichter leefde veel later, nl. als het geloof minder collectief en meer individueel wordt beleefd. Dat de dichter zijn lied toeschrijft aan David moeten we niet opvatten als bedrog. Destijds was het juist een zaak van bescheidenheid om niet in eigen naam te schrijven.

Vers 1
De dichter vergelijkt Jahweh met een herder, en daarmee impliciet het volk Israel als een kudde en zichzelf als een schaap. In deze psalm ligt de nadruk op het laatste. Voor een kudde is een herder levensnoodzakelijk. Als er geen herder is, gaat de kudde verloren. Dat geldt nog veel meer voor het individuele schaap. Dat maakt geen enkele kans in de wildernis. Daarom volgt er: 'het ontbreekt mij aan niets'. Dwz: de aanwezigheid van de herder is alles. Dan zal het goed komen. Is de herder afwezig, dan kan er wel gras en water zijn, maar dan heb je toch niets. Want het gras raakt op, er is niemand om de weg naar nieuwe weiden te wijzen of de roofdieren tegen te houden. Zonder herder ontbreekt het je aan alles.

Vers 2-3a
Een van de dingen die een herder doet, is zijn schapen te eten en te drinken geven. Zo ervaart de dichter Gods zorg voor zijn leven. Het komt in de buurt van 'een hemelse Vader' zoals Jezus Hem noemt en van wie wij 'ons dagelijks brood' mogen verwachten. De weiden zijn groen, niet geel van de droogte, maar voedzaam. En het water is vredig, niet een gevaarlijke woeste stroom.

Zo kom je als gelovige weer op krachten en vind je je adem terug.

Vers 3b-c
Een herder is niet alleen zorgzaam, hij stuurt en leidt ook. Daarbij is te bedenken dat een herder zijn schapen niet aan een touwtje heeft. Soms gaat hij voorop en volgt de kudde, maar het is ook wel eens andersom: dan drijft hij de schapen voor zich uit. En al zijn het kuddedieren, toch zijn er altijd schapen die wat driester zijn dan andere en te vlug willen, andere zo eigenwijs dat ze afdwalen, en sommige zo lui dat ze achterop raken. Die vrijheid heb je: een gelovige wordt niet als een marionet bestuurd.
Ondertussen kan hierover geen misverstand bestaan: de herder wijst enkel veilige paden. Hij brengt zijn kudde niet in gevaar. Dat blijft overeind staan ook als we straks horen van een donker dal. De herder is een echte goede herder. Tot eer van zijn naam'  wil zeggen: hij maakt zijn naam en functie waar.

Vers 4
Tot nu toe sprak de dichter over de Jahweh als herder. Hij lijkt hem bij ons aan te prijzen. Maar in 4 en 5 verandert dat. Nu is de dichter ons, zijn lezers vergeten. Hij denkt aan wat er nog komen kan en zal: een dal niet verlicht door de zon, en vanwege het donker vol gevaren: kuilen om in te vallen, roofdieren in het verborgene, en de herder onzichtbaar. Dan kan de psalmist zijn vertrouwen alleen nog maar volhouden door Jahweh zelf rechtstreeks aan te roepen: 'Ik vrees geen gevaar, U bent bij me'
In Gods nabijheid komen de dingen goed, is redding en zegen te verwachten. Die boodschap vinden we vaker in de bijbel, bv Gen 26: 3 waar God tegen Isaäk zegt Vestig je als vreemdeling in dit land, Ik zal je terzijde staan en je zegenen.
Hoe goed past dit bij de naam van Israëls God: Jahweh - ik ben bij je!


De dichter vindt moed bij de gedachte dat de herder een stok en een staf bij zich heeft.

  • Een stok om de roofdieren weg te slaan, want een schaap kan niet zelf de roofdieren van het lijf houden.
  • Een staf om een schaap dat gevallen is en op zijn rug ligt weer overeind te helpen. Want dat kan een schaap ook al niet zelf.

Opnieuw komt naar voren hoezeer schapen afhankelijk van de herder zijn.

Moeten we dit allegorisch opvatten en bij stok en staf aan Woord en Geest denken? Of aan brood en wijn? Dat is een beetje willekeurig, maar daar is het dan ook allegorie voor. In feite gaat het om veel meer: alle dingen (dus ook Woord, Geest, Avondmaal) die je goed doen en verder helpen op de weg van geloof, hoop en liefde.

Terzijde
In het pastoraat kan het helpend zijn om erop te wijzen dat de herder zijn kudde door een dal laat gaan, en niet in een put laat vallen. Een put is zoveel hopelozer dan een dal, dat toch maar een ingang en een uitgang heeft. Het kan lang duren, maar je komt er door. Overweeg daarom hoe je je situatie wilt benoemen: zit je in de put, of ga je door een dal? Zulke beelden doen er toe.

Vers 5
Nu laat de beelspraak van de herder de dichter in de steek. Gods leiding en zorg gaan zover dat het tenslotte niet meer past binnen de beeldspraak van een herder met zijn kudde. De voorstelling van een feestmaal is geschikter. De reis met hoogtepunten en door donkere dalen loopt uit op een royaal gedekte tafel, de wonden verzorgd met olie, een beker die overvloeit dwz die telkens weer gevuld wordt. En dat voor het oog van de vijanden. Die zullen knarsetandend toezien hoe de dichter terecht komt.

Het zou zo maar kunnen dat de psalmist vijanden had, voor wie hij vluchten moest en dat hij 'kerkasiel' vond in het huis van de Heer, dat is de tempel van Jeruzalem.


Vers 6
Nog één maal spreekt de dichter zijn vertrouwen in de toekomst uit: geluk en genade volgen mij alle dagen van mijn leven. Of beter gezegd: vertrouwen in de God van de toekomst, want geluk is niet toevallig mazzel hebben, maar een geschenk. En dat geldt nog veel meer van genade: dat is altijd iets persoonlijks, van God.

De volgende zin rijmt op de vorige (parallellismus membrorum) en zegt hetzelfde nog een keer: ik verblijf in het huis van de Heer tot in lengte van dagen. Daarmee zegt de dichter niet dat hij in de tempel gaat wonen om er nooit meer weg te gaan. Hij bedoelt: Dit zal ik nooit vergeten, ik wil dit vertrouwen, deze verbondenheid met God vasthouden zolang ik leef.
Vergelijk Hiskia na zijn verhoorde gebed om genezing (Jes 38: 20) De HEER is mij te hulp gekomen. Laten wij op de snaren spelen in de tempel van de HEER, alle dagen van ons leven. Dan is evenmin bedoeld dat Hiskia de rest van zijn leven in de tempel op de harp speelt.


Terzijde 2
Koningen krijgen vaak als kritiek dat  ze als slechte herders alleen maar aan zichzelf gedacht hebben ten koste van de kudde. Zo vooral bij Jeremia. Ook het volk komt er slecht van af: het is een kudde schapen die eigen wegen ging (Jes 53: 6; Jer 50: 6; ook 1 Pe 2: 25). Profeten beloven dat God zelf als een echte goede herder voor zijn volk zal zorgen, vooral Ez 34. In het Nieuwe Testament zegt Jezus Ik ben de goede herder...die zijn schapen bij name kent...en met zijn leven instaat voor de schapen. (Joh 10)
 

terug