Ps 136 Ps 136

Dit is de enige psalm met een refrein dat na elke regel terugkeert. Het luidt: 'want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid' (NBG) of 'eeuwig duurt zijn trouw' (NBV21) of 'zijn liefde blijft altijd bestaan' (BGT). In het Hebreeuws staat er: 'want tot olaam (is) Zijn chesed.

Chesed betekent zoveel als goedheid, genade, weldadigheid, trouw en barmhartigheid, vriendelijkheid, zachtaardigheid.
Ik vertaal chesed het liefst met goedertierenheid. Dat is een woord samengesteld uit goed + tiere (=geaard). Het gaat om goedheid van aard of karakter, een goedheid die tot het wezen van God behoort, die er nooit uitgaat en daarom tot olaam, tot in eeuwigheid is.

Goedheid die Hij aan mensen bewijst. De Psalm ziet de goedheid van God terug in de schepping (vs 5 - 9), in de geschiedenis (10 - 24) en in het voorzien van voedsel (25).

Men neemt vanwege vs 25 wel aan dat dit refrein werd gezongen door de vrome Israeliet die naar de tempel was gegaan om God te danken voor de oogst van het land. De pelgrims zongen dan telkens het refrein, de andere versregels werden door de priester(s) gesproken of gezongen.

De psalm wordt gerekend bij het grote Hallel, al is niet heel strak gedefinieerd welke psalmen dat zijn. Sommige Rabbijnen rekenen alleen Ps 136 daaronder, anderen ook Ps 135 en nog weer anderen alle Psalmen van 120 t/m 136. Gaat het over het grote Hallel dan hoort Ps 136 er dus altijd bij. Maar merkwaardig genoeg: het woordje hallel(uja) komt in deze psalm niet voor. Er staat een ander werkwoord: hodoe, dat ook met danken of prijzen is te vertalen.

I
nhoud
We krijgen goed zicht op dit lied als we het refrein even weglaten. Dan zien we dat de psalm is opgebouwd uit de volgende delen:

A
een oproep om de HEER te loven (vgl F)
    1 Loof de HEER, want Hij is goed
    2 loof de allerhoogste God (letterlijk: de God der goden)
    3 loof de oppermachtige Heer (letterlijk: de Heer der heren)
    4 die grote wonderen doet, Hij alleen5 die de hemel maakte, met wijsheid


Opvallend de drie namen voor God: Jahweh (1), Elohiem (2) en Adoon (3)
Loof in 1, 2 en 3 (en ook 26) is de vertaling van het Hebreeuwse hodoe. Dus niet van 'halleluja' dat we in vele psalmen vaak aantreffen.

B een lofprijzing vanwege de schepping
     5 die de hemel maakte, met wijsheid
     6 die de aarde uitspreidde, op het water
     7 die de grote lichten maakte
     8 de zon, om te heersen over de dag
     9 maan en sterren, om te heersen over de nacht

Deze verzen herinneren aan het scheppingsverhaal in Gen 1.
In 5 en 6 een parallellisme hemel // aarde
In 8 en 9 een tegengesteld parallellisme: zon en dag < > maan, sterren en nacht.


C een lofprijzing vanwege de bevrijding uit Egypte
     10 die Egypte trof, in hun eerstgeborenen
     11 en Israël wegleidde, uit hun midden
     12 met krachtige hand en geheven arm
     13 die de Rietzee spleet, in tweeën
     14 en Israël overbracht, daar midden doorheen
     15 en de farao met zijn leger achterliet, in de Rietzee

De middenverzen geven het fundamentele heilsgebeuren aan uit Israels geschiedenis: de bevrijding uit Egypte. (Exodus 12 - 14).
Weer tegengestelde parallellen: Egypte getroffen < > Israel weggeleid (10 en 11) en nogmaals
(14 en 15): Israel door de Rietzee gebracht < > De Farao daar achtergelaten.
Vers 10 correspondeert met 15; en 11 met 14.
Vers 12 en 13 komen wel heel mooi centraal te staan.

D
een lofprijzing vanwege Gods bijstand bij de tocht door de woestijn en daarna
     16 die zijn volk leidde, in de woestijn
     17 die geduchte koningen versloeg
     18 en machtige koningen doodde
     19 Sichon, koning der Amorieten
     20 en Og, de koning van Basan
     21 en hun land weggaf, als bezit
     22 als bezit aan Israël, zijn dienaar

Deze verzen halen enkele van de vele voorvallen aan tijdens de 40 jaar in de woestijn en het in bezit nemen van het land.
We vinden parallellismen in 17 en 18; 19 en 20; 21 en 22 (kruislings, een chiasme).
Opvallend is de grote overeenkomst van vs 18 - 22 met Ps 135: 10b-12.

E een lofprijzing
vanwege samenvattend:
     23 die in onze rampspoed aan ons heeft gedacht
     24 en ons ontrukte aan onze belagers
     25 Hij geeft brood aan alles wat leeft

Welke rampspoed heeft de dichter in vs 23 op het oog? en welke belagers in vs 24?
Het zouden de gebeurtenissen kunnen zijn, waar de psalm in de eerdere verzen van spreekt: de slaventijd in Egypte, de vijandschap onderweg naar het land van belofte. Het is ook goed mogelijk dat het om latere gebeurenissen gaat: de psalm zou ook goed kunnen passen
bij de babylonische ballingschap en de ongedachte terugkeer daarvandaan. Dat moet voor wie het meemaakten een tweede exodus zijn geweest.

F een oproep om God te loven (vgl A)
     26 Loof de God van de hemel

De oproep om God te loven vinden we aan het begin en einde van de psalm. In A en F beide met het opvallende hodoe. Begin en einde vormen een zgn inclusio, waarmee deze verzen de inhoud van de psalm - Gods weldaden waarin zijn chesed naar voren komt - omvatten.

Waarom 26?
De Psalm heeft 26 verzen en evenzo vaak klinkt het refrein. Waarom 26? Een oude Rabbijnse Traditie verklaart: er zouden 26 generaties zijn geweest van Adam tot Mozes. 26 generaties die het zonder Torah moesten stellen. Zij werden gesteund door Gods chesed. (Talmoed - Pesachim 118a)
Oud-Testamenticus Labuschagne vermoedt een verband met de getalswaarde van de Godsnaam Jahweh. De J = 10, de H = 5, de W = 6, de H = 5. Bij elkaar 26.
Voor de uitleg voegen beide verklaringen echter niets toe.
 

terug