Pred 3: 1 - 8 Pred 3: 1 - 8

Context
In het voorgaande heeft Prediker duidelijk gemaakt, dat alles wat er gebeurt volledig door God wordt bepaald. Wie kan genieten zonder dat Hij ermee instemt? (Pred 2: 25). Hij moet het je maar gunnen. En de logica achter dat wel of niet gunnen, kan geen mens achterhalen. God is niet na te rekenen. Hij doet wat Hij wil, naar Zijn welbehagen. Hij legt daarover geen verantwoording af. En een mens is niet in de positie God ter verantwoording te roepen.

De ene keer gaat het zus, de andere keer zo. Deze verzen herinneren aan Pred 1: 3 – 11. Daar gaat het om het komen en gaan van zon, wind, generaties enz. Dus vooral natuurverschijnselen. In Pred 3 gaat het om de activiteiten van mensen, bv planten en rooien enz. De beide gedeeltes zijn ook verbonden door de vraag naar het nut van alles (1: 3 en 3: 9).
Deze verzen zijn een verre echo van Gen 8: 22 waar God na de zondvloed zegt  'Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan.'

Opbouw
Prediker noemt 14 paren van tegengestelde tijden. Echter 14 is niet een symbolisch getal. Bij nader toezien lijkt het om zeven dubbelparen te gaan, in elk vers één dubbelpaar, waarbij de tweede helft inhoudelijk ‘rijmt’ op de eerste.
Drie keer
staat het positieve voorop (verzen 2, 5 en 6). Even zo vaak staat het negatieve eerst (verzen 3, 4 en 7).  De zevende keer (vers 8) begint de eerste helft van het dubbelpaar positief (liefde - haat), de tweede helft (oorlog - vrede) negatief. Dat zou je een chiasme of kruis-stelling kunnen noemen. Deze kleine variaties doorbreken de eentonigheid.
Het getal zeven is in de bijbel symbool van volheid, totaliteit. Maw het leven zit vol met zulke tegenstellingen. Zie ook Pred 1: 2

Vers één geeft als een titel aan wat er komen gaat. Dan volgen de spreuken over de tijden. Het geheel loopt uit op de vraag in vers negen: ‘Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij met zijn gezwoeg tot stand brengt?’ Dat is de overgang naar de conclusies in de verzen 10 – 14.

Vertaling
Er staan in dit gedeelte geen werkwoorden. Dat kan in het Hebreeuws, maar in het Nederlands is dat niet gebruikelijk. De meeste vertalingen hebben daarom toch wat woordjes toegevoegd. Ik maak dat zichtbaar door die van haakjes te voorzien.

Pred 3: 1
1a Voor alles (is er) een uur, (Hebr zèmèn)
1b (er is) een tijd (Hebr ‘et) voor elk voornemen onder de hemel.
Met uur en tijd is niet de tijdsduur van iets bedoeld, maar het goede tijdstip, het juiste moment, het uur U (van de waarheid), de D-Day (invasie Normandië). Wie inzicht heeft in de juiste tijd voor de dingen, geldt in Israël en ook daarbuiten als een wijze. Het tegenovergestelde is de dwaas, die bv lacht op een moment dat het niet gepast is. Het boek van de Spreuken is optimistisch over de mogelijkheid dat mensen inzicht in de tijd kunnen hebben. Wijzen brengen een volk tot bloei (Spr 11: 14) en maken een oorlog tot een succes (Spr 24: 6). Prediker denkt daar heel anders over: de mens heeft geen inzicht in de tijd en al helemaal geen macht erover. De tijd is verraderlijk en overvalt hem als een klapnet (Pred 9: 11v).
Jezus valt Prediker bij: men heeft geen inzicht in de dag (Luc 19: 42) of in de tekenen der tijden (Mat 16: 2v).
Paulus (Rom 8) schrijft weliswaar dat God alle dingen laat meewerken ten goede, maar dat is niet te constateren; het is een kwestie van geloof. Dat lijkt dan weer op wat Pred schrijft, dat God alle dingen voortreffelijk heeft gemaakt op zijn tijd (3:11).

Pred 3: 2
2a (Er is) een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven,
2b een tijd om te planten en een tijd om te rooien.
(NBV21)
Het eerste dubbelpaar is de meest ruime en allesbepalende die zich denken laat: die tussen geboorte en dood. Tussen die twee ligt het hele menselijk bestaan uitgespannen. Maar over beide heeft een mens niets te zeggen.
Geen mens ter wereld kiest zijn verjaardag uit. Er is hem zelfs niet gevraagd of hij wel geboren wilde worden. In deze dingen is een mens helemaal passief.
Ook zijn einde komt vroeg of laat. Dat valt niet te ontlopen, of je nu wijs bent of niet (Pred 2: 14). God gaat daarover.
De parallel in 2b zegt hetzelfde: een mens in de handen van God is net zo passief als een plant in de handen van een akkerbouwer.1

Heel het leven speelt zich af tussen de beide polen van deze tegenstelling. En wat zich in het leven voordoet, vertoont ook deze eigenschap. Iets bestaat wel, maar nooit voorgoed. De andere pool maakt er vroeg of laat een einde aan. In het vervolg geeft Prediker daar een aantal voorbeelden van.

Pred 3: 3
3a (Er is) een tijd om te doden (Hebr harag) en een tijd om te helen,
3b een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. (NBV21)
Beide helften hebben als achtergrond oorlog en verwoesting.
Met doden (Hebr. harag) is aan oorlog en geweld gedacht, niet aan moord (met voorbedachte rade) en doodslag (in ee opwelling). Daar heeft het Hebreeuws een ander woord voor (ratsach). Kennelijk is het daar nooit tijd voor, itt doden in een oorlog.
Helen is in dit verband de wonden verzorgen, proberen het leven te redden.
De parallel in 3b geeft vergelijkbare uitersten aan: het afbreken (van een stadsmuur, bv 2 Kron 25: 23) en het opbouwen ervan.

Pred 3: 4
4a (Er is) een tijd om te huilen en een tijd om te lachen,
4b een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen.
(NBV21)
Dit is een voor de hand liggend vervolg op vers 3. Nu gaat het om wat oorlog en vrede met een mens doen: huilen en rouw, resp lachen en dansen.

Pred 3: 5
Dit vers is niet moeilijk te vertalen, maar de interpretatie is omstreden. Letterlijk staat er :
5a een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen bijeen te zamelen,
5b een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzen te onthouden,

Zo heeft bv de NBG het.
5a geeft dan het slopen van een huis aan (in oorlogstijd of bij besmetting van schimmel op de stenen - Lev 14: 33vv) resp het bouwen van een huis.2
(Er is ook wel gedacht aan het stenigen van iemand, maar van die opvatting is het bezwaar dat er dan binnen 5a geen tegenstelling meer is: bijeen brengen van de stenen en die vervolgens op iemand werpen is dezelfde actie.)
5b duidt op de liefde. 
Omhelzen (Hebr chabaq) is een eufemisme voor met elkaar naar bed gaan (Hgl 2:6 ook 8:3). Een tijd om te omhelzen is een tijd dat je in vuur en vlam staat voor elkaar. De liefde kan ook bekoeld raken: dan is het tijd om je van omhelzen te onthouden.
(5b kan ook te maken met de onreinheid van man (geslachtsziekte) of vrouw (menstruatie). Dan is geslachtsgemeenschap volgens Lev 15 niet toegestaan.)
Probleem van de NBG vertaling is, dat 5a en 5b zeer verschillend zijn, terwijl in de overige verzen de delen a en b telkens een dubbelpaar vormen en inhoudelijk met elkaar overeenkomen. Dan verwacht je dat ook voor 5a en 5b.

Kunnen we 5a en 5b toch als dubbelpaar opvatten? Uitgaande van 5b (omhelzen) moet dan 5a ook op het vlak van sexualiteit liggen. Maar wat hebben stenen met de liefde te maken? Volgens sommigen moet bij stenen aan de testikels3 gedacht worden - met een verwijzing naar Ex 1: 16 - en stenen werpen zou dan beeldspraak zijn voor zaad uitstorten. Stenen bijeen zamelen zou dan betekenen zich onthouden van de liefde. Dan kom je uit op het volgende:

5a (Er is) een tijd om te beminnen en een tijd om zich te onthouden,
5b een tijd om te omhelzen en een tijd om af te weren. 

Deze interpretatie veronderstelt dat men ttv Prediker wel wist dat stenen werpen verhullende taal was voor sexualiteit. Als dat klopt is deze uitleg toch niet zo gezocht. Dat lijkt alleen maar zo, omdat het voor ons geen 'schuine taal' is.
Hoe dan ook: dit is de vertaling die we in de NBV21 aantreffen. Die volgt daarin een oude Rabbijnse uitleg (Midrasj Prediker Rabba).

Pred 3: 6
6a (Er is) een tijd om te zoeken en een tijd om te verliezen,
6b een tijd om te bewaren en een tijd om weg te gooien.
(NBV21)
Dit gaat over de bezittingen van een mens. Er is een moment dat je die dingen zoekt en bewaart omdat je ze nodig hebt. Er is ook een tijd dat je er afstand van doet want niet meer nodig of versleten.

Pred 3: 7
7a (Er is) een tijd om te scheuren en een tijd om te herstellen,
7b een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.
(NBV21)
Dit dubbelpaar moet gezien worden tegen de achtergrond van een verdrietige gebeurtenis, bv het overlijden van een geliefde. De eerste helft (7a) slaat dan op de achterblijvende partner, kinderen, naaste familie. Zij brengen een scheur aan in hun kleren als teken van rouw. De andere helft (7b) slaat op buren, vrienden, bekenden die in het begin alleen maar kunnen meeleven door hun gevoel te tonen en niet weten wat te zeggen.
Maar zo blijft het niet. Er komt een moment dat de getroffen familie de rouwtekenen ongedaan (je herstelt de scheuren) en probeert het leven weer op te pakken. Er komt een moment dat de meelevende vrienden weer woorden van troost en uitzicht weten te spreken.

Pred 3: 8
8a (Er is) een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten.
8B (Er is) een tijd voor oorlog en er is een tijd voor vrede.
(NBV21)
Het laatste dubbelpaar gaat over de grote gebeurtenissen in de geschiedenis van mensen en volken: oorlog en vrede en wat daarbij hoort: gevoelens en gedrag van liefde en haat. De tijd voor oorlog was blijkens 2 Sam 11: 1 het voorjaar.

Terugblik
Het gaat in deze verzen om veel meer dan dat er in het leven gelukkig variatie is en dat we ons niet hoeven te vervelen. Dan zou Prediker wel andere dingen naar voren kunnen brengen bv voor de wijnbouwer: spitten, bemesten, poten, snoeien, wieden, druiven plukken. Het gaat Prediker elke keer om uitersten. Het één is de tegenpool van het ander. Het fijne en het akelige staan telkens tegenover elkaar.

Ze heffen elkaar zelfs op: je kunt het een tegen het ander wegstrepen, met als eindresultaat nul. Dat maakt het allemaal zo smartelijk. Waarom kan het niet voortdurend leven, vrede, liefde, geluk zijn? Heeft het wel zin om je voor het fijne en mooie in te zetten als je inspanning volledig ongedaan wordt gemaakt door het akelige en nare?

The Byrds, die dit gedeeltje tot een popsong omwerkten (Turn, turn, turn) vonden dat kennelijk onverdraaglijk. Hun liedje eindigt met 'A time for love, a time for hate, A time for peace, I swear it's not too late.' Alsof er na een tijd van vrede nooit meer oorlog zou uitbreken. Er kan zo maar een tijd aanbreken die geweld en verwoesting brengt, een tijd dat verzet en strijd geboden is. Daar kunnen ze in Oekraïne over meepraten.

Een goed opschrift boven dit gedeelte is niet: alles op zijn tijd (geen dingen doen als je er niet aan toe bent). Beter lijkt me: aan alles komt een eind. Of: de grillige tijd. Dekker stelt voor: in de ban van de tijd


 

------
1
Gezien het verband kan 2b niet slaan op het reguliere boerenwerk van zaaien en oogsten, rekening houden met de seizoenen en om de zeven jaar een sabbatsjaar (Ex 23: 10v). Zou je toch voor deze interpretatie kiezen, want een boer heeft natuurlijk wel inzicht in de goede tijd om te planten (voorjaar) en om het geplante uit te rukken (herfst) - dan raakt dat Prediker niet echt; Hij zou opmerken dat de boer toch geen macht heeft over de tijd. Hij kan er niets aan veranderen en bv druiven in het voorjaar oogsten. Hij moet zich aan de seizoenen aanpassen. En maar afwachten of er voldoende regen en zon komt.
2 Er zijn allerlei andere verklaringen voorgesteld. Het wegwerpen van stenen zou betekenen: het afleggen van een last te zwaar om te dragen. Of het zou gaan om een onbekend spel met stenen. Of slaat het op de verwoesting van akkers in oorlogstijd en het herstel erna? Of gaat het om zgn rekenstenen in een kruik: elk steentje staat voor een schaap. Stenen erbij betekent uitbreiding door geboorte of aankoop. Stenen teveel betekent dat er schapen ontbreken en misschien gestolen zijn.
3 Ex 1: 16 lezen we dat de vroedvrouwen Sifra en Pua de jongetjes moeten doden, de meisjes moeten laten leven. Destijds zat een vrouw als ze moest bevallen op een ‘baarstoel’. De aanduiding daarvoor in het Hebreeuws is al 'abnaim – op (twee) stenen. De StatenVertaling heeft dan ook: ‘Wanneer gij de Hebreinnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!’
Het woordje haar staat echter niet in de grondtekst. Dan is ook deze vertaling mogelijk: ‘Wanneer gij de Hebreinnen in het baren helpt, en ziet op de stenen: is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!’ En dan is het maar een klein stapje naar: Wanneer je de Hebreeuwse vrouwen helpt bij het baren, let er dan op of het kindje stenen (= balletjes) heeft (= of het een jongetje is of niet). Zo ja, dan moet het gedood worden. Zo niet dan mag het blijven leven.

terug