Polytheïsme en Monotheïsme Polytheïsme en Monotheïsme

Inleiding
De opkomst en het doorzetten van het Israëlitisch monotheïsme is het best te begrijpen als we bedenken wat het aantrekkelijke, maar ook wat het problematische is van het polytheïsme:

  • Aantrekkelijk:
    •  Voor alles is een God: regen, gezondheid, oorlog, handel, kinderen enz.
    • Tolerant: men beleeft de goden van elders niet als anders dan de eigen goden. Hooguit zijn de namen verschillend.
  • Problematisch:
    • Geen enkele godheid is doorslaggevend. Je weet nooit waar je aan toe bent, het leven is daardoor grillig, je voelt jezelf een speelbal van hogere machten.
    • Het gaat in de godenwereld menselijk, al te menselijk toe. Het besef van Gods heiligheid, dat Hij van een totaal andere orde is dan alles wat wij kunnen aanraken en zien raakt gemakkelijk op de achtergrond.

Om deze redenen neigt het polytheïsme uit zichzelf meer dan eens naar vormen van monotheïsme. Meestal gematigd: de vele goden worden dan opgevat als aspecten van de ene hoofdgod (henotheïsme). Maar ook wel eens heel radicaal. Dan moeten alle goden plaats maken voor één God. (monotheïsme)

Polytheïsme
Ten tijde van de oudste beschavingen is de godsdienst polytheïstisch: men houdt het erop dat er vele goden zijn. Dood en leven, vruchtbaarheid, gezondheid en ziekte, de seizoenen, hitte en droogte, storm en regen, oorlog en vrede, enz. Voor al deze terreinen zijn wel één of meer goden. Hun onderlinge geschillen en affaires hebben hun weerslag op het verloop van de gebeurtenissen op aarde.
Dit polytheisme is redelijk goed bekend vanwege de vele archeologische vondsten en van vele oude teksten:

  • Egypte: hiërogliefen op muren, zuilen en kleitabletten (de brieven uit Amarna ong 1.340 vC)
  • Mesopotamië: spijkerschrift op kleitabletten gevonden in Mari (> 20.000 stuks, ong 1.760 vC ),
    Tussen deze beide machtscentra in:
  • Fenicië, spijkerschrift op kleitabletten teruggevonden in Ugarit of Ras Shamra het huidige Latakia aan de kust van West Syrië (1.400 - 1.200 vC)
  • De oudste lagen van het OT kunnen ook als bron dienen.

De vele internationale contacten leidden tot een uitwisseling van ideeën. Van de belangrijkste eigen goden nam men aan, dat hun invloed niet bij de landsgrens ophield, maar wereldwijd was. Men kon ook buitenlandse goden opnemen in het eigen pantheon. Astarte (Fenicië) was onder de naam Isjtar bekend in Mesopotamië en als Inanna in Soemerië, en later als Aphrodite in Griekenland. Haar symbolen Venus en duif nam ze overal mee naar toe.

De crisis van het polytheïsme
Ondanks de toegenomen welvaart, kennis en macht was vooral de late bronstijd (1.500 - 1.150 vC) een tijd van angst en onzekerheid. Er waren families die zich in de stad niet konden handhaven. Bij oorlogen kwamen tallozen om. Bendes gaan plunderend rond. Een pestepidemie kon tientallen jaren duren. De vele rampen leidden er toe dat de mensen zich een speelbal van hogere machten voelden. In hun godsdienst vonden ze geen antwoorden meer, geen steun en richting voor hun leven: een crisis in het toenmalige polytheïsme.

In Egypte is Farao Amenhotep IV (Farao van 1.351 - 1.333 vC) het meest radicaal: hij eist een radicaal monotheïsme. De oppergod Amun Re en zijn hele pantheon moet plaats maken voor Aton. Aton geldt voortaan als de Ene universele God die zich niet verbijzondert in talloze goden, maar die de enige is: de Schepper van alle dingen die bestaan. De Farao laat zich voortaan 'welgevallig aan Aton' noemen: Echn-Aton.
Hij riep echter veel weerstand op van de priesterklasse. Maar ook van de bevolking die bij deze hoge, transcendente, abstracte God niet de steun vond die het nodig had. Zijn opvolger ToetanchAmon (1.333-1.314 vC) draait de reformatie terug. Amun Re geldt weer als de Ene God, die zich manifesteert 'in de talloze andere goden' (henotheïsme).

In Mesopotamië verheft waarschijnlijk Nebukadnezar I (keizer van 1.126 -1.100 vC) Marduk tot de Oppergod. De andere goden gelden als aspecten van Hem. (henotheïsme)

In het pantheon van Kanaän is El het hoofd van de goden, maar deze goden zijn bij El meer dan slechts aspecten van de ene god (zoals de goden onder Amon Re en Marduk dat wel zijn). Met name Baäl is een echt tegenover, een rivaliserende god, die vooral in het Noorden van Kanaän steeds populairder wordt. De reden laat zich raden: Baäl is de God van het onweer en de regen is: onmisbaar voor een land dat het zonder grote rivieren als de Eufraat, Tigris en de Nijl moet stellen. (polytheïsme)
In het Zuiden blijft El het onbetwiste hoofd van het pantheon. Hij geldt als de Schepper van hemel en aarde, de Vader van goden. Hij gaat over geboorte en dood.
De vele verhalen die over de Kanaänitische goden de ronde doen, geven geen verheffend beeld. De godenwereld is vol afgunst, haat, bedrog, brasserijen, losbandigheid enz. De crisis van het polytheïsme zien we hier terug in het 'pantheon van de desillusie' dat een afspiegeling is van de rivaliserende stadsvorsten in het Noorden van Kanaän. (de Moor)

Monotheïsme
In Israel is de godsdienst streng monotheïstisch. De ene God wordt vereerd onder de namen El en Jahweh. Of in elk geval roepen Mozes en de profeten daartoe op. Want het leven is vaak sterker dan de leer. In de praktijk gaf men zich nogal eens over aan andere goden, met name Baäl en Asjera die naast of in plaats van El of Jahweh komen. Dit heeft natuurlijk te maken met het aantrekkelijke en problematische van het monotheïsme.

  • Aantrekkelijk:
    • Eén God voor alles. Je weet bij wie je moet zijn.
    • Deze God heeft niet de decadente eigenschappen van de goden. Hij is heilig, transcendent.
  • Problematisch:
    • De waarom-vraag: wat is de relatie van deze ene God met hongersnood, oorlog, onrecht, ziekte en dood?
    • Onverdraagzaam: het monotheïsme duldt geen andere goden naast zich.

Oorsprong
Wie van de voorvaderen voor het eerst zijn godsdienst streng monotheistisch inrichtte, is niet zeker. De verschillende bronnen (> Documentenhypothese) geven uiteenlopende antwoorden.

  • Volgens de Jahwist is God al bij de eerste mensen onder zijn naam Jahweh bekend. In Gen 4: 24 lezen we dat men in de tijd van Set, de kleinzoon van Adam, de naam Jahweh begon aan te roepen.
  • Volgens de Elohist maakte God zijn naam veel later voor het eerst bekend, nl aan Mozes, bij de brandende braambos. Voor die tijd heette de God van de vaderen El-Sjaddai (Ex 6: 2).

Jahwist en Elohist kunnen niet allebei waar zijn. Wat dan wel de oorsprongen van het Israelitisch monotheïsme zijn, blijft een zaak van voortgaand historisch en archeologisch onderzoek. Een interessante visie is van J.C. de Moor, specialist op het gebied van geschiedenis, talen en cultuur van het oude Midden Oosten. Hij stelt de volgende ontwikkeling voor:

Jahweh-El ( 3.000 - 2.000 vC)
Op een gegeven moment vereren voorouders van het volk Israël de ene God onder de namen Jahweh en El. Mogelijk ging het van meet af aan om één en dezelfde God die Jahwe-El (Ik ben God) heette. Vergelijkbare godennamen zijn ook in Mari en Ugarit aangetroffen. Zo noemde ooit Abraham Hem in Gen 14: 22 en 21: 33 (vgl ook Ps 10:12). Later zouden de meesten Hem El noemen, maar bij een minderheid bleef Hij als Jahweh bekend. Dat ze oorspronkelijk bij elkaar hoorden, wist men in de tijd van Mozes niet meer.

El - aartsvaders (vanaf 1.800 vC)
El (meervoud Elohiem) - is het gewone woord voor God (meervoud goden). In Kanaän was het ook de naam van de belangrijkste God van het pantheon. Israël kon die naam overnemen en gebruiken om daarmee hun enige God aan te geven: (de) God. Abraham, Izaäk en Jakob, die in het Zuiden van Kanaän rondzwierven, vereerden Hem onder die naam.
Hun omgeving doet dat ook: de Kanaänieten kennen El als de hoofdgod van het pantheon. Vaak voegden ze een bijnaam aan El toe. Zo spreekt Melchisedek, de koning van Salem, van El-Elyon (God, de Allerhoogste, Gen 14: 18vv). In Gen 31: 13 heet God in Betel 'El-Betel' (God van Betel). Op andere plaatsen El-Sjaddai (God, de Ontzagwekkende), El-Berit (God van het verbond). Ze bedoelen daarmee niet allemaal verschillende goden El, maar telkens de ene El, de hoofdgod.

Voor de aartsvaders verenigt El in zich de functies die aan de Kanaänitsche El (Schepping, kinderzegen) en aan de Kanaänitische Baäl (regen, oogst) toekomen (Gen 49: 25). El is bij hen echt de Enige; de andere goden doen er niet meer toe. Het zijn zelfs geen functies of aspecten van Hem. (monotheïsme)  Anders dan de Kanaänitische goden worden over El geen decadente ontsporingen verteld.
Dit komt sterk naar voren in Gen 35 waar Jakob de godendienst verbiedt en de beelden begraaft. Hij is wat dit betreft net zo resoluut als Farao Amenhotep IV. En net als deze zal ook Jakob een nieuwe naam krijgen waaraan de naam van zijn God verbonden is: Isra-el. Dit exclusieve monotheïsme is ook de reden dat in het Egyptische pantheon El niet is opgenomen itt Baäl. Het herinnerde teveel aan het onverdraagzame uit de tijd van Echnaton. Dat is ook de reden dat als men in Egypte een Kanaänitsche tekst vertaalde in het Egyptisch, de naam El verving door Amun-Re.

Jahweh - Mozes (+/- 1.200 vC)
De naam Jahweh betekent 'Ik ben die ik ben' (Ex 3: 1 - 14) en duidt erop dat God zichzelf blijft. Zoals Ik met uw vaderen was - helpend en reddend - zo zal Ik met u zijn.
Ex 3 wekt de indruk dat Mozes bij de brandende braambos voor het eerst van Jahweh hoorde en vervolgens deze naam aan Israël bekend maakte. Maar strikt genomen zegt de tekst niet dat God zijn naam Jahweh voor het eerst bekend maakt. In Ex 3 kun je ook lezen dat Mozes die naam al kende en bij de braambos leert dat dit Gods ware naam is.
Van wie zou Mozes dan de naam Jahweh hebben? Volgens aanhangers van de Midianietenhypothese (ook wel Kenietenhypothese) moet dat Jethro geweest zijn, de Midianitische priester en schoonvader van Mozes (Ex 2: 16vv).
Een andere mogelijkheid is dat zijn moeder genaamd Jokebed Mozes van haar persoonlijke God Jahweh heeft verteld. Haar naam betekent 'Jahweh is de geëerde'. Ze zal hem ook bekend gemaakt hebben met El, de 'God van zijn vader' (enkelvoud! - Ex 3: 3).
Mozes' opvoeding aan het hof brengt hem in aanraking met de discussies die Farao Echnathon nog niet zo lang geleden had veroorzaakt. Daardoor gevormd werd Mozes de geschikte leider om de nazaten van de aartsvaders uit Egypte weg te leiden.

De kenmerken van Jahweh vertonen grote overeenkomsten met El. Een verschil met El is dat Jahweh meer dan El de God van het volk Israel en eigenlijk van alle volken op aarde is, El is meer de God van familie en stam.

Vervolg
Vanaf dan zal het er in Israël om gaan deze ene God onder alle omstandigheden te dienen en Hem niet ontrouw te worden door de goden van de omringende volken na te lopen. Het bijbelse monotheïsme is heel exclusief: het verdraagt geen andere goden naast Jahweh. Israëls vijanden beschuldigden om deze reden het volk en ook christenen wel eens van goddeloosheid (atheïsme): ze wekten de indruk zelf nergens aan te doen (ze hadden geen tempel, geen beelden van hun God) en ze waren tegen alle goden van hun heidense omgeving.

Ruth
Ooit, toen een hongersnood het land Israël teisterde was Naomi met haar man en zonen naar Moab getrokken. Op hoop van zegen. Maar het geluk heeft ze er niet gevonden: ze verloor haar man en zonen. Ze besluit terug te gaan naar Israël naar het land van die ene God Jahweh. Ze neemt een  nieuwe naam aan: Mara (bitter) moeten ze haar maar noemen, want ze is zwaar teleurgesteld, in de goden van Moab en eerder al in Jahweh. Orpa en Ruth, haar schoondochters kiezen nu ook.

  • Orpa blijft in Moab, in het land van de vele goden. Zij is liever een speelbal van de grillige goden. Met haar vragen en waaroms kan ze leven door zichzelf te zeggen dat dit nu eenmaal haar lot is. Ze berust. Dat is haar liever dan dat ze worstelt met de waaroms die het geloof aan één God oproepen. Polytheïsme smoort het verdriet.
  • Ruth kiest precies omgekeerd. Zij verdraagt het niet langer speelbal van de goden te zijn. Ze heeft liever dat ene adres voor haar dank en klacht, voor haar hoop en wanhoop, dat ene houvast in leven en in sterven. Ondanks de waarom-vraag die in het Jahwisme nooit een afdoend antwoord krijgt. 'Uw God is mijn God' (Ruth 1: 16) zegt ze eenvoudig tegen haar schoonmoeder.

Monotheïsme lost de vragen en waaroms niet op. Integendeel, het roept die juist op, en het moedigt aan alle verdrietigheden en tegenslagen God voor de voeten te werpen. Hij is toch een goede God, machtig, liefdevol, trouw? Waarom dan....?
Geloven in bijbelse zin is niet eruit zijn' en op alle vragen een antwoord hebben. Geloven is geen afgeronde ideologie. Geloven is je plek weten: ik ben maar stof; God is de Eeuwige. Ik ben op aarde; God is in de hemel. En de vragen die dat oproept laten staan. Behalve bij Ruth zien we dat terug bij o.a.

  • Aartsvader Jakob kreeg na zijn worsteling met God (Gen 32) niet voor niets een andere naam: Isra-El, strijder met God.
  • In het boek Job worden alle mogelijke antwoorden op het grote waarom naar voren gebracht. Maar geen van die 'daaroms' is goed genoeg. Job krijgt van God gelijk dat hij zich geen verklaringen van zijn vrienden liet aansmeren, maar zijn vragen naar de hemel bleef slingeren.
  • Jezus stierf met een 'waarom' op de lippen, en met 'in uw handen mijn geest'.
terug