Oud en nieuw Geloof Oud en nieuw Geloof
De Passio maakt o.a. duidelijk dat godsdienst soms een heel kwalijke zaak is. Het zijn de religieuze leiders die Jezus dood willen hebben.
 

Beschamend
Ze menen daarmee God te dienen en het volk te redden van een in hun ogen een gevaarlijke fantast: iemand die zichzelf voor Messias hield en die de mensen tot een kansloze opstand tegen de Romeinse bezetter zou verleiden.
Het is een beschamend tafereel dat de leidslieden te zien geven. Ze laten valse getuigen opdraven, kunnen eigenlijk geen beschuldiging vaststellen, brengen op het laatst naar voren dat Jezus zichzelf Christus (Messias) noemt en Zoon van God, en als ze voor het doodsvonnis de goedkeuring van Pontius Pilatus (de Romeinse stadhouder in Jeruzalem) nodig hebben, passen ze de beschuldiging meermalen aan. Tot ze er één vinden waar Pilatus gevoelig voor is: Jezus zou de koning der Joden zijn. Dat ze daarmee iemand ter dood laten brengen die niet alleen onschuldig is, maar integendeel voortdurend de mensen liefde heeft bewezen, dat laten ze geen moment meetellen in hun overwegingen.


Waarom doen ze zo?
Het is omdat ze zoveel te verliezen hebben. De Joodse leiders verzameld in het Sanhedrin zijn vooral hogepriesters en Sadduceeën. Zij behoren tot een kleine groep welgestelden in Israel. Vanwege hun godsdienstige taken staan ze hoog op de maatschappelijke ladder. Dat willen ze niet kwijt. Maar Jezus had het gewaagd daar steeds meer vraagtekens bij te zetten. In plaats van zijn kritiek serieus te nemen, zoeken en vinden ze in hun geloof de argumenten om Jezus uit de weg te laten ruimen. Ze maken hun geloof dienstbaar aan hun belangen.
Het is trouwens goed mogelijk dat ze er heilig van overtuigd waren dat ze dit voor God moesten doen. Maar in werkelijkheid spannen ze God voor hun karretje.


Meer voorbeelden
De bijbel vertelt vaker van geloof dat niet meer dienst aan God is, maar in dienst van het eigenbelang staat. In het Oude Testament bv protesteren de profeten tegen de valse gerustheid die het volk Israël ontleent aan de tempel, de offercultus, Jeruzalem, de besnijdenis, het verbond, de afstamming van Abraham. Men rekent zich rijk met deze dingen en vindt het niet meer nodig de geboden en verboden van harte na te leven.
In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan zijn het waarschijnlijk godsdienstige redenen waardoor de priester en de Leviet het slachtoffer van de overval met een wijde boog voorbijgaan. Ze zouden eens verontreinigd kunnen worden door in aanraking te komen met bloed of een dode.


Zelftest
Het is goed om dit op je in te laten werken en te onderzoeken of je geloof wel zuiver is, of dat je aan God doet ten dienste van je eigenbelang. Om je aan de nood van andere te onttrekken. Om jezelf overeind te houden in deze wereld. Ik noem dat comfort-geloof. Voorbeelden:
  • je doet aan godsdienst maar het gaat je niet om God, maar om zijn hulp bij je school, je werk, je gezin, je gezondheid enz.
  • Je gelooft want zonder rituelen rond doop, huwelijk, begrafenis is het leven zo kaal.
  • je gaat naar de kerk voor de gezelligheid.
  • je zet je politieke overtuiging kracht bij met teksten uit de bijbel. Zoals bv Colijn bij het onafhankelijkheidsstreven van Indonesïe. Hij is daar op tegen want 'wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet'. Een woord van Jezus over relaties en echtscheiding wordt helemaal uit zijn verband gehaald om een politiek standpunt te legitimeren.
Door de grond
Je moet eerst oog hebben gekregen voor geloof als comfortgeloof, als manier om jezelf houvast te verschaffen in deze wereld. En doorkrijgen hoe kwalijk dat uitwerkt: het bracht ooit Jezus aan het kruis. En nog brengt het schade toe aan mensen. Bv als je bijbelteksten gebruikt om vrouwen klein te houden.
Het geeft je ook nog eens een heel verkeerd beeld van waar het in het leven om draait. Niet dat het gewoon goed is dat je er bent, maar dat je pas iemand bent als je je bestaansrecht bewezen hebt door goede werken (de Farizeeër), een trouwe kerkganger te zijn of een fatsoenlijke burger. In al zulke gevallen ligt het gevaar van zelfingenomenheid en trots op de loer en van neerkijken op degenen die jouw niveau niet halen.
Maar al die tijd is God niet bij je, ook al meen je dat je Hem in je broekzak hebt. Het sleutelverhaal dat de Passio is, opent je de ogen voor deze dingen. Dat is een hele schrik. Of iets om je voor te schamen. Of je voelt je heel onzeker worden. Je gaat ahw een beetje dood.


Opstanding
Hetzelfde verhaal vertelt ook hoe Jezus dit geloofsgeweld over zich heen liet komen. Hij is het niet het uit de weg gegaan. Integendeel, hij heeft het opgezocht, hij wilde het hebben. Om ermee af te rekenen: hij neemt het mee de dood in.
Dan, op de Paasmorgen verschijnt hij als de levende en zoekt Hij de mensen weer op. Hij kon het hebben! Zijn liefde voor ons is ongebroken. Als je dat op je laat inwerken, vallen schaamte en schrik van je af en voel je een diepe blijdschap: jij geliefd door God. Ondanks alles. Je mag er gewoon zijn. Het is goed dat je er bent. En hoe misplaatst is dan dat oude geloof, met dat eigenbelang en dat sluimerende geweld! Daar gaat een streep door. Voortaan zal geloven draaien om afhankelijk zijn, vertrouwen, gehoorzamen. Niets meer aan zekerheden te hebben, alleen maar te zijn. Geloven als Abraham: een levenlang met God onderweg zijn.


Nieuw geloven
Het oude geloven draait om hebben. Het nieuwe om zijn. Illustratief is de gelijkenis die Jezus vertelt van de Farizeeër en de tollenaar (Luc 18: 9-14). Beiden gingen naar de tempel om te bidden.
De Farizeeër
heeft veel. Hij somt zijn verdiensten op: vasten, tienden geven, en dat hij niet is als de andere mensen die roofzuchtig, overspelig en onrechtvaardig zijn. Heel vaak komt het woordje ik voor. Zijn gebed is eigenlijk een gesprek in en met zichzelf. Hij voelt zich lekker in zijn vel zitten: comfortgeloof. Maar hij houdt zichzelf voor de gek. Jezus zegt: die Farizeeër keerde niet gerechtvaardigd naar huis terug.
Heel anders de tollenaar - iemand die de belasting int voor de Romeinse bezetter. Hij blijft van verre staan, en bidt 'o God, wees mij zondaar genadig'. Hij staat met lege handen. Vast heeft hij wel iets, bv goede bedoelingen, of is hij een goede vader voor zijn kinderen. Maar hij brengt dat niet in. Hij weet dat het niet opweegt tegen het verkeerde. Hij hoopt dat God anders te werk gaat dan verdiensten en overtredingen met elkaar verrekenen. Hij kan alleen maar
zijn en geloven en hopen: geen comfortgeloof maar kruisgeloof. Van de tollenaar zegt Jezus dat hij gerechtvaardigd naar huis terugging. Dwz God heeft zijn bidden gehoord en in het donker van zijn hart weer licht gebracht.

Abraham
In zijn brieven maakt Paulus herhaaldelijk duidelijk dat geloven een manier van zijn is. Je kunt jezelf niet rechtvaardigen. Dat hoeft ook niet. God zal je rechtvaardigen. Dat mag je geloven vanwege Jezus. Daarom kun je met lege handen staan en het helemaal op God laten aankomen. Hij zal je alles geven. Paulus wijst dan op Abraham (Rom 4). Kinderloos droomt hij van een nageslacht als de sterren aan de hemel (Gen 15). Abraham wijst dan niet op goede werken die beloond zouden moeten worden. Maar hij gelooft God, die hem een zoon beloofde. En daar komt het op aan: geloven of vertrouwen maakt je rechtvaardig voor God; niet de hoeveelheid goede werken.

Groot en klein geloof
Geloof zoals we dat bij de tollenaar en bij Abraham zien, kan groot (Mat 8:10) zijn, maar ook klein en aangevochten (Mat 14:31). Bijzonder is Mc 9:24 waar de vader van een bezeten jongetje zegt "Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp". Aan de ene kant gelooft hij, maar het is zo aangevochten dat hij het maar ongeloof noemt. Maar zelfs dit piepkleine geloof is voldoende. Dat komt ook naar voren in Mat 17: 20 waar geloof zo klein als een mosterdzaadje genoeg is om iets groots als bergen te verplaatsen. Jakobus benadrukt dat geloof iets uitwerkt. Een geloof zonder werken (alleen maar een gedachte of idee) is niet groot of klein, maar dood geloof. (Jak 2)

Geloof kan twee verschillende dingen betekenen.
  • Het kan slaan op het geloof waarmee je gelooft. (Latijn: fides qua).
  • Het kan ook wijzen op het geloof waarin je gelooft (fides quae).
Het eerste is iets van je hart en ziel, van je geweten. Een gevoel dat met vertrouwen en toewijding, met vreugde, met verlangen heeft te maken. Het kan groot en sterk zijn, of klein en wiebelig. Het is altijd één ding, niet meerdere.
Het tweede betreft de geloofsleer, de artikelen van het geloof. Dat is vooral iets van je hoofd en verstand. Het kan beknopt zijn: de kortste geloofsbelijdenis is maar twee woordjes: Jezus Kurios (Jezus is Heer). Maar ook uitgebreider: het credo van de kerk (de 12 artikelen van het geloof). Of nog groter, zoals bv de Summa Theologiae van Thomas van Aquino. Of zelfs reusachtig: de 13 dikke delen van de Kirchliche Dogmatik van Karl Barth. Wat je op deze site vindt is fides quae.


Welke de belangrijkste?
De belangrijkste van die twee is natuurlijk het geloof waarmee je gelooft. Dat is het waarmee je je relatie met God beleeft en onderhoudt, waar je gebed uit voortkomt, wat je spreken en zwijgen stuurt, wat je doen en laten bepaalt. Een vorm van zijn.
Het geloof waarin je gelooft is een vorm van hebben: het zijn de geloofswaarheden die je er op na houdt. Die stellen allemaal niets voor als ze niet verbonden zijn met die eerste vorm van geloof. Zonder fides qua is het alleen maar Spielerei, of gefilosofeer zoals je ook kunt fantaseren over Atlantis. Alleen in verbinding met fides qua heeft het zeker z'n betekenis en waarde. Door te reflecteren op je geloof kun je groeien in je geloof, nieuwe inzichten krijgen, van dwalingen terugkomen.


Risico
Er is ook een risicio. Je moet er voor oppassen dat je zo verrukt raakt van je geloofswaarheden (fides quae) dat je daar je fides qua op richt, en niet meer op God. Dan zijn je geloofsopvattingen en meningen eigenlijk een afgod geworden: je gelooft vurig in de waarheid van je geloof, en niet in God. Dan neem je als gelovige al gauw andere gelovigen de maat en stel je je onverdraagzaam op. Eigenlijk is je geloof dan weer een vorm van hebben geworden: comfortgeloof.
Als het erop aankomt, moet je het echter van God hebben, en niet van je goede werken of je geloofsstellingen. Thomas van Aquino beschouwde na een visioen op het einde van zijn leven, alles wat hij geschreven had als stro. Hij liet het los om God vast te houden. De levende God is heel wat anders dan onze dorre geloofs-voorstellingen over Hem.


Meer over geloven op deze site vind je bij Kennis en Geloof , bij Liefhebben met je verstand en bij Margritte

 
terug