Mat 17: 24 - 27 Mat 17: 24 - 27

Context
Dit verhaal over de tempelbelasting (NBV21) of het hoofdgeld (NBG) staat tussen de gelijkenisrede (Mat 13) en de gemeenterede (Mat 18). In deze tussen-hoofdstukken komt in toenemende mate de hoogheid van Jezus naar voren, bv in de belijdenis van Petrus en de verheerlijking op de berg. Maar ook dat Jezus moet lijden en sterven in de twee lijdensaankondingen. Het verband van onze verzen met de directe en wijdere context is losjes. Via kinderen (vers 25c) is er een link naar de gemeenterede waar kind(eren) een paar keer voorkomt. We kunnen dit gedeelte echter prima als een op zichzelf staand gedeelte lezen en begrijpen. De andere evangeliën hebben deze episode niet.

Tempelbelasting
Voor de tempel moest iedere mannelijke Israëliet van 20 jaar of ouder jaarlijks een didrachme afdragen in de laatste maand van het jaar (Adar).

Uit het antwoord van Petrus in vers 25a blijkt dat de historische Jezus die ook betaalde. Zijn leerlingen - de joods-christelijke gemeente in Jeruzalem - zullen die aanvankelijjk ook betaald hebben. Zij verstond zichzelf als een variant binnen het Jodendom.
Maar in de jaren die volgen gaat zij steeds meer een eigen koers varen. Onder invloed van de Hellenisten (Hnd 6 en 7) en de zending onder joden en heidenen in het buitenland (Paulus) krijgen de wet, de tempel, de besnijdenis enz een andere betekenis. Die dingen zijn niet meer zo noodzakelijk als voorheen om God te dienen. Daarvoor in de plaats is het geloof in Jezus gekomen. Daardoor ontstaan er spanningen binnen de Joodse gemeenschap: joodse christenen komen steeds meer tegenover niet-christelijke joden te staan. Die ontwikkeling zal eind van de eerste eeuw op een breuk uitlopen: kerk en synagoge naast en tegenover elkaar.
In deze tijd van toenemende verwijdering wordt ook de vraag van de tempelbelasting weer actueel. Naar christelijk besef is de tempel niet meer heilsnoodzakelijk en de tempelbelasting niet nodig. Die opvatting vinden we terug in 25b - 26 waar de evangelist Jezus laat uitleggen dat hij als Zoon is vrijgesteld en dat zijn volgelingen (zonen – meervoud) dat ook zijn.
Deze radicale opvatting wordt enigszins afgezwakt, niet principiëel maar praktisch, in vers 27: geen aanstoot geven. De Joods-christelijke gemeente wil niet dat de tempelbelasting een breekpunt wordt met de Joodse volksgenoten.
Zo zien we in deze paar verzen hoe op een woord van Jezus enkele geloofswoorden volgen die ontwikkeld werden binnen de christelijke gemeente.

Tijdens de eerste Joodse oorlog wordt Jeruzalem met de tempel door de Romeinen verwoest. Vanaf dan wordt de tempelbelasting niet meer geïnd. Daarvoor in de plaats leggen de Romeinse bezetters de Fiscus Judaïcus op: hetzelfde bedrag, maar met een andere bestemming. De dubbeldrachme gaat voortaan naar de tempel van Jupiter in Rome. Echter ook na 70 bleven vragen over de tempel besproken worden in de Joodse wereld. Vandaar dat Mattheüs voor zijn joods-christelijke gemeente dit gedeelte in zijn evangelie opnam.

Mat 17: 24a Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus  (NBV21)

Jezus is met zijn leerlingen weer in Kapernaüm. Hij woont daar en mogelijk heeft hij daar een huis (Mc 2: 1). Petrus woont in dezelfde plaats (Mat 8: 14). Of woont Jezus bij Petrus? Hoe dan ook, Petrus krijgt bezoek van degenen die de tempelbelasting in ontvangst nemen.
In het Grieks staat er niet tempelbelasting, maar ‘didrachme’, (letterlijk: dubbel drachme) een zilveren muntstuk. De volgende verzen maken duidelijk dat dat inderdaad de bestemming is van deze didrachme. Vandaar dat veel vertalingen direct al interpreteren en vertalen met ‘tempelbelasting’.
De waarde van een enkele drachme (Grieks) of denarius (Latijn) is te vergelijken met het gemiddeld loon dat een arbeider met een dag werken verdient. In de Joodse wereld is dat een kwart sikkel. Een didrachme staat dus voor twee daglonen, oftewel een halve sikkel. Een hele sikkel heet ook wel statèr (Grieks) en is dus 2 didrachmen waard.

Mat 17: 24b en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’ (NBV21)
Wat zou de aanleiding zijn geweest voor hun vraag?

  • Zien ze in Jezus iemand die zich kritisch tegenover de tempel staat en zich van de godsdienstige gebruiken wil afscheiden?
  • Zien ze Jezus als een Rabbi (meester) en vragen ze zich af of hij vindt dat hij recht op vrijstelling had? Er waren wel meer rabbijnen die vonden dat zij die niet hoefden te betalen.

Onduidelijk is, waarom ze dit aan Petrus vragen en niet aan Jezus zelf.

Mat 17: 25a Hij antwoordde: ‘Zeker wel!’ (NBV21)
Petrus hoeft er geen moment over na te denken en antwoordt met een ronduit ‘Ja’. Hij spreekt dus de twee opties van 24b tegen. Jezus is volledig solidair met de Joodse bevolking in het betalen van het hoofdgeld en het ondersteunen van de tempeldienst. Hoe hij dat zo zeker weet? Was hij er wel eens bij als Jezus die belasting betaalde? Het klopt in elk goed bij Jezus die niet gekomen is om de wet te ontbinden, maar om die te vervullen. En bij zijn passie om de tempel te zuiveren (Mat 21: 12v).

Mat 17: 25b Toen hij in huis (van zichzelf of van Petrus) kwam, was Jezus hem voor met de vraag:...(NBV21)
Jezus weet kennelijk dat in zijn afwezigheid de belastinginners met Petrus hebben gesproken en dat Petrus hun vraag bevestigend beantwoordde. Jezus neemt hem dat niet kwalijk, maar stelt hem wel een vraag waaruit blijkt dat Petrus op de vraag een onjuist gegeven heeft.

Mat 17: 25c ‘Wat denk je, Simon: van wie innen de heersers op aarde tol of belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?’ (NBV21)
Doorgaans is het de evangelist die vermeldt welke discipel iets zegt of doet. Maar hier spreekt Jezus zijn leerling zelf aan. Hij noemt Petrus bij zijn Joodse naam Simon.
Tol (Gr. telos: indirecte heffingen over goederen). Belastingen (Gr. kènsos - van het Latijnse census - bij ons: cijns / accijns)

Wil Jezus het thema verbreden door niet meer van het hoofdgeld, maar van tol en belasting te spreken? Dan zou hij zo de belastingdruk van de Romeinse bezetter bekritiseren. Overwonnen volken (de anderen) betalen inderdaad veel meer dan het eigen volk (de zonen). Maar deze uitleg spoort niet met het vervolg in vers 26 en de vis in vers 27. Het gaat om niet meer dan de tempelbelasting.

Mat 17: 26 Op zijn antwoord: ‘Van anderen,’ zei Jezus tegen hem: ‘Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. (NBV21)
Op de retorische vraag weet Petrus (en iedereen) het antwoord: van de anderen.
Daaraan verbindt Jezus de conclusie: dan zijn de kinderen dus vrijgesteld: die hoeven geen tol en belastingen te betalen.

Jezus spreekt van zonen (meervoud). Het meervoud zonen is ingegeven door het voorbeeld van een koningshuis met meerdere kinderen. Jezus wil daarmee in de eerste plaats iets over zichzelf zeggen. Namelijk dat hij, als Zoon van de Allerhoogste, niet de belasting hoeft te betalen voor het huis van God, de tempel. In de tweede plaats delen zijn volgelingen in diezelfde vrijheid. Hun relatie met God verloopt niet meer via de tempel, maar door het geloof in Jezus.

Mat 17: 27a Maar laten we hen niet voor het hoofd stoten; (NBV21)
Daarmee zou Jezus kunnen volstaan. Als Zoon heeft hij recht op vrijstelling. Maar nu zal Jezus dit radicale standpunt iets afzwakken. Hij eist dat recht niet op. De belastinginners zouden dat ook niet begrijpen, integendeel ze zouden daar aanstoot aan nemen (Gr. skandalizein: het een schandaal vinden).

  • Dit past bij de situatie van Jezus op dat moment: Jezus wil ophef vermijden. Het moet nog niet bekend worden dat hij de messias is. Hij zal de dubbeldrachme gewoon betalen om niet om de verkeerde reden en op het verkeerde moment de aandacht op zich te vestigen.
  • Dit past ook bij de situatie van de joods-christelijke gemeente rond het jaar 70. Zij weet zich innerlijk vrij van de tempelbelasting, maar wil voorkomen dat de tempelbelasting voor nog meer verwijdering met de Joodse gemeenschap zorgt. Om de lieve vrede zal de gemeente de didrachme betalen.

Op deze wijze uitspraak volgt een wonder, dat de juistheid van de uitspraak moet onderstrepen.

Mat 17: 27b
ga naar het meer, werp een vishaak uit en pak de vis die je het eerst bovenhaalt. Als je zijn bek opent, zul je een vierdrachmenstuk vinden. (NBV21)
Petrus, die visser is, moet naar het meer (van Galilea) bij Kapernaüm gaan om te vissen. Niet met een boot en netten, maar met een vishaak (Gr. agkistron) en de eerste de beste vis die hij bovenhaalt pakken. Die vis moet van de vishaak af, dus zijn bek moet open. Maar behalve het haakje zal Petrus daar ook een statèr vinden, dwz een muntstuk ter waarde van twee didrachmen, voldoende voor de tempelbelasting van twee personen.

Wie dit te wonderlijk vindt, legt het wel eens zo uit dat de gevangen vis bij verkoop één stater waard is. Maar dat staat er niet.

Een andere verklaring is dat we dit als een variant moeten zien op het bekende verhaal over Polykrates, koning van Samor. Hij rijgt succes aan succes en is ontzettend rijk. Maar hij is bang alles te verliezen omdat de goden jaloers zijn. Dan krijgt hij het advies om iets dat hem heel dierbaar en kostbaar is moet weggooien. Daarop gooit hij een ring in de zee. Echter niet veel later komt een visser hem een grote vis brengen. Als die wordt klaargemaakt, komt uit de maag de weggegooide ring tevoorschijn. Polykrates weet nu dat zijn noodlot niet valt te ontlopen: hij had van iets anders afstand moeten doen: zijn alleenheerschappij.

Dit verhaal is ook bij de Joodse Rabbi’s bekend. Misschien zinspeelde Jezus erop. Hij geeft er dan wel een heel andere, niet tragische, invulling aan: God geeft wat nodig is.

Mat 17: 27d Betaal hen daarmee voor ons allebei.’ (NBV21)
Die munt moet Petrus nemen om voor zichzelf en voor Jezus de tempelbelasting te voldoen.
We zouden verwachten dat de evangelist nu zou vertellen dat Petrus ging vissen enz, maar daarover lezen we niets.

Achtergronden
In Exodus 30: 11 - 16 lezen we over het hoofdgeld (Hebr teroemah = hefoffer) dat ingesteld is door Mozes in opdracht van de Heer. Iedereen die bij een telling werd geregistreerd, rijk en arm, moet die heffing betalen. Zo’n telling was bijv nodig om vast te stellen hoeveel weerbare mannen van 20 jaar en ouder waren. Numeri vertelt van zo’n telling na de uittocht uit Egpte (Num 1) en voor de intocht in het beloofde land (Num 26).

Waarom is bij een telling een hefoffer nodig? Omdat het volk door een telling de indruk zou kunnen wekken God niet nodig te hebben (want een groot leger) of Gods zegen te willen natellen. De teroemah moet voorkomen dat zij die geteld worden door een plaag worden getroffen en het leven verliezen. Het is dus een losgeld of losprijs om het leven te behouden, het brengt hen bij de HEER in herinnering. In vers 16 heet het dan ook kèsèf ha kippoerim = geld ter verzoening (delging, boete).

Het geld was nodig om de tabernakel en later de tempeldienst mogelijk te maken. Ten tijde van Nehemia werd die op 1/3 sikkel ingesteld om de herbouw van de verwoeste tempel van Salomo te financieren (Neh 10: 32vv).

In Jezus’ tijd is het verband tussen telling en hoofdgeld al lang verloren gegaan. Het is een jaarlijkse tempelbelasting geworden. Men werd geacht die in de weken voor het Pascha feest in de woonplaats te betalen of in de tempel. De belasting kon natuurlijk niet met het gangbare buitenlandse geld betaald worden. De drachmen en denarii moesten omgewisseld worden in oude munt, zonder afbeeldingen van koningen en keizers. Geldwisselaars profiteerden daarvan.

Toepassing
De tekst wordt duidelijk door die in verband te brengen met de ontwikkelingen in de Joodse wereld van de eerste eeuw. Een toepassing zou kunnen zijn dat we niet altijd bij wat-Jezus-letterlijk-gezegd-heeft kunnen blijven, maar in het verlengde van zijn woord moeten zoeken naar verantwoorde toepassingen. Dat kan en mag: Hij is immers de levende Heer, zijn Geest zal ons daarbij helpen. In Handelingen zien we deze dingen al gebeuren (Hnd 15, het beraad van de apostelen) Voorbeelden van voortschrijdend inzicht zouden kunnen zijn: nieuwe opvattingen over man-vrouw, slavernij, rentmeesterschap, bijbeluitleg.


Wie het toch wil verbinden met het evangelie van de verzoening, moet en kan er wel van alles bij halen, bv:

  • dat tempelbelasting duizend jaar eerder als zoengeld fungeerde (Ex 30).
  • dat Jezus ons niet met vergankelijk zilver en goud heeft vrijgekocht (1 Pe 1: 18)
  • dat Hij in plaats van de tempel gekomen is (Joh 2: 13vv)

Het kan allemaal, maar de tekst linkt niet naar deze dingen. Bovendien valt zo niet in te zien, waarom de vis een stater in de bek heeft: Jezus hoeft toch voor zichzelf geen zoengeld te betalen?

terug