Leven na leven na de dood Leven na leven na de dood
Einde?
In grote delen van het OT is dit de gedachte: eenmaal gestorven kom je in het dodenrijk (sjeool) terecht, het tegenovergestelde van 'het land der levenden' (Jes 38: 9). Er is dan geen hoop meer. De Sadduceeën, die alleen de Torah als bijbel hebben, denken er ook zo over. Door Jezus te laten kruisigen menen ze voorgoed van hem af te zijn.

Maar hier en daar buiten de Torah komt de gedachte naar voren dat het met de dood niet afgelopen is: bv Ps 73: 23 - 26. Dat heeft te maken met Gods macht. Maar ook met zijn gerechtigheid: het kan toch niet zo zijn dat degenen die tekort is gedaan nooit recht wordt verschaft? En dat de beulen voor eeuwig aan het langste eind trekken?

Twee afdelingen
In het Jodendom van de laatste eeuw vC leeft de voorstelling dat er in het dodenrijk twee afdelingen zijn: een plaats waar de rechtvaardigen, martelaren en allen die die onrecht werd aangedaan en tekort kwamen het goed hebben (het paradijs, de schoot van Abraham) en een plek waar de onrechtvaardigen het zwaar hebben.

Toekomst: opstanding
De Farizeeën dachten er ook zo over en bovendien namen zij aan dat het dodenrijk niet het laatste is. Zij verwachten een opstanding van doden. De rechtvaardigen in het paradijs of de schoot van Abraham zouden dan opstaan ten leven, de onrechtvaardigen zouden opstaan om vervolgens gestrafd te worden voor hun slechte daden (Dan 12; 2 Makk 7).
De Farizeeën geloven dat deze dingen zullen gebeuren op het einde van de geschiedenis. Dan gaat deze wereld (olam hazè) voorbij om plaats te maken voor de lang verwachte komende wereld (olam haba). Zo denken Maria en Martha dat hun gestorven broer Lazarus ooit zal opstaan (Joh 11: 24).

Jezus en de twee afdelingen
Jezus deelt met de Farizeeën de voorstelling over de twee afdelingen in het dodenrijk. In een gelijkenis vertelt hij dat Lazarus na zijn ellendige leven en dood 'in de schoot van Abraham' is. De rijke man ziet hem van verre, terwijl een vlam hem pijnigt. (Luc 16: 19-31). En Luc 23:43 zegt Jezus dat de ene moordenaar aan het kruis nog heden met hem 'in het paradijs' zal zijn.

In de schoot van Abraham, in het paradijs, dat is niet het eindstation voor de gestorvenen. Ze zijn daar in afwachting van de opstanding der doden. Het gaat om een tussenfase, een tijdelijke oplossing.

Dat klinkt ook door in het woord van Jezus over het Vaderhuis met de vele woningen. (Joh 14: 1-4). Het gebruikte woord voor woningen (monai) geeft aan dat om tijdelijke haltes gaat, een tijdelijk verblijf behorend bij een reis die veel verder voert: de uiteindelijke bestemming is de opstanding der doden en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Toch verschuift er nu iets. Want waar is het Vaderhuis met de vele 'verblijven' te vinden? Toch niet in het dodenrijk! God woont in de (derde) hemel. Dan zijn de vele 'tijdelijke verblijven daar ook. En het paradijs en 'de schoot van Abraham' zijn dan eveneens uitdrukking voor 'bij God' zijn.
  • de eerste hemel is de lucht om ons heen waar 'de vogelen des hemels vliegen;
  • de tweede hemel is de koepel met hemellichamen - zon en maan en sterren - die volgens het scheppingsverhaal het water op veilige afstand houdt, zodat de aarde droogvalt en bewoonbaar is

Jezus en het einde der tijden
Jezus gelooft met de Farizeeën aan de opstanding (Mat 13: 43; Luc 14: 14; Joh 5: 29) en staat dan ook tegenover de Sadduceeën (Mc 12: 18-27). Hij verandert de voorstelling van de opstanding op slechts één punt. Hij zegt dat hij na drie dagen zal opstaan (Mc 8: 31; 9: 31; 10: 33v). Maw Jezus verwacht op te staan niet bij het grote massa-gebeuren van de opstanding der doden op het einde der tijden, maar al heel binnenkort, als enige. Als voorloper, van de velen die op het einde zullen opstaan. Hij de eersteling van een rijke oogst: allen die hij tot de zijnen rekent.

Dit was zo nieuw en ongedacht dat zijn discipelen er niets van begrepen (Mc 8: 32; 9: 32) en dat onbegrip is gebleven. Als Jezus gestorven is zeggen ze niet, dat het niet erg is omdat hij over een paar dagen terug zal komen. Ze zijn ontgoocheld: 'wij leefden in de hoop dat hij het was die Israel verlossen zou' zeggen de Emmaüsgangers (Luc 24: 21).

De jonge Kerk
De discipelen zullen na de dood van Jezus aan het kruis gedacht hebben dat hun meester, die als een rechtvaardige onschuldig geleden heeft en als martelaar om zijn trouw aan God was gestorven, in het paradijs / de schoot van Abraham / in een vertrek van het Vaderhuis mocht zijn.

Als Jezus aan zijn leerlingen verschijnt als de Levende, de eerste 40 dagen na Pasen, zijn het verschijningen daarvandaan: 'vanuit de hemel'. Tussen de hemel als 'de wereld van God, en de aarde is maar een dunne sluier, een wolk (Hnd 1:9)

Ook voor Paulus is het paradijs hetzelfde als de derde hemel (zie 2 Kor 12: 2 - 4). Hij gelooft dat sterven betekent voortaan bij Christus zijn (Filp 1: 23), bij hem bewaard blijven tot de dag van de opstanding der doden (1 Kor 15), de (weder)komst van Christus en het voorgoed doorbreken van het koninkrijk van God.
Om die reden spreekt Wright van 'leven (in een onsterfelijk lichaam op de nieuwe aarde, onder de nieuwe hemel) na leven (bij God in de hemel) na de dood.'

Lichaam
Men kan deze dingen niet los zien van de hoge waardering die het Oude Testament heeft voor het lichaam. Dat geldt als wezenlijk voor de mens. Een mens heeft niet een lichaam dat hij met zijn ziel bewoont; een mens IS evenzeer zijn lichaam als zijn ziel. Een lichaam zonder ziel is een lijk. Een ziel zonder lichaam een spook. Het scheppingsverhaal maakt duidelijk dat de mens een eenheid is van lichaam en ziel, en naar lichaam en ziel hoort de mens bij de goede schepping.
Een voortbestaan na de dood is voor bijbels besef dan ook ondenkbaar zonder een of andere vorm van lichaam. De verlossing houdt dan ook niet in dat zielen naar de hemel gaan (dat is hooguit een tussenoplossing) maar dat de schepping hersteld, vernieuwd, herschapen zal worden. Het koninkrijk van God zal aanbreken, aards concreet, maar anders dan wij tot nu toe kennen, nl ontdaan van dood en verderf. En daarop (en niet in de hemel) mens zal herleven nieuw naar en lichaam en ziel.

Buiten Israel
De Grieks sprekende Joden buiten Israel (de Diaspora) lazen de Griekse vertaling van het OT: de Septuaginta. Daar wordt sjeool vertaald met Hades. Deze had in de Griekse mythologie diverse afdelingen: een plaats van kwellingen voor wie slecht geleefd hadden (de Tartarus), een plaats voor wie goed geleefd hadden (het Elysion, vgl Champs Elysées), en de velden van Asphodel voor de doorsnee mensen.


Stoicijnen (bv Seneca, 4vC - 65 nC) houden het erop dat de dood bij de de natuur hoort, bij de werkelijkheid zoals die nu eenmaal is. Er is geen transcendente wereld: geen God, geen hiernamaals, geen roeping of verlangen. Het grootste of meest omvattende is de natuur, die dan ook wel God kan heten, als we dan maar niet aan iets transcendents denken.
Volgens de stoa doe je er wijs aan om de natuur incl ziekte en dood te accepteren als een gegeven. Het behoort tot de dingen waar je met geen mogelijkheid iets aan kunt veranderen. Daar ligt als mens je vrijheid: hoe je je verhoudt tot de natuur. Een houding van moedig accepteren en berusten is het hoogste: amor fati (liefde voor je lot). Het morele kwaad ligt wel in je macht, en daar heb je je dus ver van te houden.

Epicurisme (Epicurus, 341 - 270 vC) Epicuristen menen dat de hele werkelijkheid uit verschillende soorten atomen is opgebouwd. Ook de goden en de ziel van mensen zijn van atomen gemaakt. De goden, bestaande uit heel lichte atomen, leven in een eigen wereld en hebben niets te lijden. De mensen - van andere atomen in een andere wereld - kunnen wel lijden. Ze moeten proberen zo gelukkig mogelijk te zijn: door het genot te zoeken en pijn te vermijden. Bij het genieten is zelfbeheersing van belang: teveel lekker eten resulteert in buikpijn. Men kan pas genieten als men weet dat men voor goden en de dood niet bang hoeft te zijn. Epicurus stelt dat de goden in hun eigen wereld levend zich niet met de mensen bemoeien. En de dood doet er niet toe: zo lang je leeft is de dood er niet, en als je dood er is, ben jij er niet meer.

Plato (427 - 347 vC) leert dat de zichtbare werkelijkheid (bv iemand eerlijk behandelen) een niet-volmaakte concretisering is van een ideale vorm (gerechtigheid). Dat geldt ook voor een concreet menselijk lichaam, dat is altijd maar een onvolmaakte uitdrukking van het zuivere idee 'mens'. Die zuivere vorm of idee bestaat echt (reëel) in een ideeën-wereld. We hebben weet van die zuivere ideeën omdat de ziel in een eerder leven die ideeën heeft gezien en ze later herkent of herinnert (anamnese). De menselijke geest hoort bij die ideeënwereld en is dus onsterfelijk, goddelijk en hoger dan het lichaam. Het lichaam staat lager en geldt als de kerker van de ziel. Bij de dood keert de ziel naar zijn oorsprong terug.
Veel van Plato's gedachten werden in de Joodse wereld bekend door het werk van Philo van Alexandrië (20 vC - 50 nC). De gnostieke levensopvatting is eveneens ondenkbaar zonder Plato.

Kerkelijke traditie
Onder invloed van het Griekse denken, ihb het Platonisme kon het 'zielen gaan naar de hemel geloof' de bijbelse boodschap van 'leven na leven na de dood' verdringen.
In de Middeleeuwen werd de angst voor dood, schuld en straf enorm aangewakkerd met allerlei sadistische helle-fantasieën.



 
terug