Jesaja 25 Jesaja 25

Inleiding
Dit hoofdstuk maakt deel uit van de Apokalyps van Jesaja > Jes 24 - 27. Voor een meer algemene inleiding op dit bijbelboek > Jesaja.

Jesaja 25: 1 - 5
Deze verzen bezingen de verwoesting van een niet met name genoemde stad. Deze staat symbool voor het centrum van macht, willekeur, onderdrukking en geweld: 'de wereldstad' (> Jes 24 - 27). Het is meer dan eens gebeurd dat een machtige stad werd ingenomen en verwoest: Jericho (Jozua 6) is een bekend voorbeeld uit Israels geschiedenis. De tweede Jesaja, de schrijver van Jes 40 - 55, had de val van Babel meegemaakt en de daaropvolgende terugkeer van de ballingen uit Juda en Jeruzalem. Misschien heeft de apokalyptische profeet en schrijver van deze hoofdstukken in zijn tijd ook zoiets zien gebeuren met opnieuw Babel, of Samaria of een ander machtscentrum. Dat inspireert hem tot een visioen voor de toekomst: ooit zal Jahweh, Israels God, voorgoed afrekenen met 'de wereldstad.'

Jesaja spreekt in vers 1 daarover alsof het al gebeurd is, maar Jes 24: 3 en het geheel van Jes 24 -27 maken duidelijk dat het om iets toekomstigs gaat. Het gaat om zijn persoonlijke vertrouwen. Dat blijkt ook uit het 'ik zal U prijzen' en 'U bent mijn God'. Dit is niet het danklied van het volk over iets dat al gebeurd is (Vgl Ps 31: 15 en Ps 118: 28).

Jesaja noemt de verwoesting van de wereldstad een wonderbaarlijke daad. Die gaat tegen alle menselijke verwachtingen in. Hij bedoelt: wij denken vaak te klein van God. Als het nieuws ons verbijstert, lopen we vol met waaroms en verliezen we alle hoop. Maar Jesaja weet van Gods toekomstige overwinning op 'de wereldstad'. Hij heeft dat vaker gezien: sinds mensenheugenis hebt U uw plannen uitgevoerd. De Here is trouw en betrouwbaar.

In vers 2 wordt 'de wereldstad' getypeerd als een bolwerk van barbaren. Door Jahweh zal de stad verwoest worden, ook al was die tot een versterkte vesting omgebouwd. Er blijft een bouwval, een ruïne over, een niet-stad die nooit meer zal herbouwd worden.

Door dit bewijs van macht, zal het gewelddadige volk (vers 3) tot de erkenning van Israëls God komen. Dezelfde gedachte komt terug in de tweede helft van dit vers: de stad van wrede volken zal ontzag voor U (Jahweh) tonen (Parallellisme). De ruïne fungeert als een blijvend gedenkteken aan Jahweh en zijn macht, die Hij inzet voor zwakken en armen (vers 4).

Daarom heet Jahweh (in vers 4 en 5) een toevlucht voor de zwakken, voor de armen in hun nood. Dat herinnert aan Jes 4: 5 - 6.
De Here is als een schuilplaats, een muur tegen stortbuien. Met de slagregens is het woeden van de wrede volken bedoeld.
De Here is als een schaduw tegen hitte (in een dorre streek), een schaduw van een wolk die de hitte tempert (5d). Die hitte staat voor het gejoel van barbaren, de triomf van tirannen. Door de verwoesting van de wereldstad, zal hun gejoel en gejuich afnemen en zelfs verstommen!

Jesaja 25: 6 – 8
Op de verwoesting van 'de wereldstad' volgt het visioen van een maaltijd voor alle volken wereldwijd op de berg, dwz in Jeruzalem dat op de berg Sion is gelegen.
Dat is verrassend omdat de traditie wil, dat de volken geschenken (bv Ps 68: 29v) brengen en hun diensten (bv Jes 45: 23) aanbieden. Zoals de hulde der koloniën op de gouden koets. Maar hier gaat het om het omgekeerde: De Here biedt de volken een feestmaal aan. (Vgl ook Jesaja 2). Hij behandelt ze niet anders dan zijn eigen volk: ze worden in de gemeenschap met God betrokken zoals Israel dat ook is. Het is Gods eer te na, dat er nog ergens mensen en volken zijn die Hem niet hebben leren kennen in zijn liefde en trouw (Jes 45: 20 - 25). Elke knie moet zich voor hem buigen, zegt ook Paulus in Filp 2: 10.

God heet hier Jahweh Zebaoth, Here van de hemelse machten, een titel die goed past bij de overwinning die Hij behaalde op 'de werelstad'. Hij is nu Koning geworden, heeft de troon bestegen (Jes 24: 23b) en dat moet gevierd worden.

Het gaat om een echt feestmaal. In een parallellisme 6c, 6d en 6e wordt de hoge kwaliteit van wijn en vlees aangeprezen: uitgelezen gerechten, rijk aan merg en vet. En goed gezifte (van het bezinksel ontdaan), belegen wijnen.

Dan en daar zal de Here de sluier vernietigen die alle volken bedekt. En parallel daaraan: het kleed dat alle volken omhult. Bedoeld zijn sluier en rouwgewaad dat Israël en de volken dragen vanwege de vele mensen die omkwamen door het geweld van het wrede volk in 'de wereldstad'.

Het zinnetje 8a - Voor altijd doet Hij de dood teniet - onderbreekt de gang van zaken: na het wegdoen van de rouwkleding volgt immers het drogen van de tranen (8b). Om die reden is 8a als een latere toevoeging te beschouwen, die zakelijk overigens wel terecht is. Want de tranen wissen, dat kan pas echt als de dood in al zijn vormen voorgoed voorbij is. Paulus en Johannes zullen later deze gedachte opnemen in 1 Kor 15: 54 resp Opb 21: 4.
Als zo alle tranen van Israel en de volken gedroogd zijn, en verdriet voor vreugde om de verbondenheid met Jahweh heeft plaats gemaakt, dan is ook aan de smaad van Israel een einde gekomen. Gods volk zal niet meer het lachertje van de volkeren zijn omdat God het in de steek heeft gelaten (de val van Jeruzalem, de ballingschap, de beroerde situatie daarna). Integendeel: dan zal Israel de eer krijgen die het toekomt en daarmee God ook.

Jesaja weet het heel zeker: de HEER heeft gesproken.

Jes 25: 9 – 10a
Op die dag klinkt bij het feestmaal een danklied. Aan het Hebreeuws is niet precies te zien waar het eindigt. Sommige uitleggers menen dat ook 10a erbij hoort of zelfs alle verzen tot en met 12. De NBV rekent alleen vers 9 tot het lied en maakt het als zodanig herkenbaar door het tussen aanhalingstekens te zetten.
Inhoudelijk zingt het van Jahweh en zijn redding; van God die de hoop is voor zijn volk. Om die reden is er in de moeilijke tijd van Jesaja geen reden om te wanhopen. Juich liever en wees blij: Hij heeft ons gered! Zo ver is het weliswaar nog niet, maar we weten nu al, van te voren (pro-leptisch) dat dat gaat gebeuren. Zo roept Jesaja zijn tijdgenoten op vol te houden.

Jes 25: 10b - 12
Als we deze verzen strikt logisch opvatten, dan is voor één volk de vrede niet weggelegd: Moab, een buurvolk waarmee Israël vele conflicten had.
Maar het apokalyptisch denken is niet zo rechtlijnig: diverse thema's komen telkens weer terug. Zo ook 'de wereldstad' en de barbaarse onderdrukkers. De schrijver vindt het blijkbaar gewenst om nog één keer het zalig lot van Israel (met God en alle volken verenigd op de berg, getroost, aan een feestmaal) te contrasteren met dat van Gods vijanden.

Onduidelijk is waarom de profeet daarvoor dit volk uitkiest en Moab voorstelt als de grote vijand, de wrede inwoners van 'de wereldstad'. Egypte, Assyrië, Babel waren vele male machtiger dan Moab en bezorgden Israel veel meer leed.

Hoe dan ook: Tegenover de beschermende hand van de Here voor de bewoners van de Sion staan zijn voeten die Moab vertrappen, zoals stro in het water van de mestvaalt wordt weggestampt. Hoe Moab ook tegenspartelt en probeert daar onder uit te komen, het zal niet lukken. Zijn verzet maakt het alleen maar erger: door zijn hoogmoed gaat hij te gronde. Zo verwijdert Jahweh de grote vijand van het toneel.

En hetzelfde anders gezegd: de 'wereldstad' verdwijnt: Jahweh haalt de hoge, versterkte muren neer. En nogmaals: Hij maakt ze met de grond gelijk. En voor de derde keer: ze liggen neer in het stof. Nu is het voorgoed over en uit met vijanden en hun geweld, met wereldsteden en hun onderdrukking.

Naschrift
Zoals gezegd: Jesaja verwacht dit ergens in de toekomst. Hoe stelt hij zich voor dat 'de wereldstad' ten val komt?

  • Door een vijand van buitenaf? (bv zoals de Perzen olv Cyrus de Babyloniërs had verslagen?). Maar dat is niet het einde van 'de wereldstad' Babel geworden. Enkel wisselen haar bewoners, haar machthebbers.
  • Of voorziet Jesaja dat Jeruzalem de plaats is, waartegen de vijandelijke legers optrekken. Dat deze de stad op de berg niet kunnen innemen (als ooit de Assyrische legers van Sanherib, 2 Kon 19) en dat Sion dus de plek zal zijn waar zij aan hun einde komen? Daarmee brokkelt de macht van 'de wereldstad' af. Jeruzalem is dan de plek waar Jahweh toevlucht en schuilplaats biedt.
terug