Jes 52: 13 - 53: 12 Jes 52: 13 - 53: 12
Inleiding
Over het algemeen neemt men aan, dat aan het boek Jesaja lange tijd gewerkt is. Er is een beginversie Jesaja 1 – 39 uit de zevende eeuw v C. Die werd in de ballingschap uitgebreid met Jes 40 – 55. Deze hoofdstukken herinneren dan ook sterk aan de Klaagliederen en Ezechiël, die in dezelfde periode zijn geschreven. Na de ballingschap volgde een aanvulling met Jes 56- 66. Ons Lied over de Knecht des Heren maakt dus deel uit van de tweede-Jesaja.
In die tweede Jesaja staan vier zgn ‘Knechtsliederen’:
  • Jes. 42 : 1-7  De Heer over en tot zijn knecht
  • Jes. 49 : 1-9  De profeet over zijn roeping, de Heer tot de profeet
  • Jes. 50 : 4-11  De profeet over zijn roeping, tot jullie (het volk)
  • Jes. 52 : 13 - 53 : 12 De Heer over zijn dienaar, wij (het volk) over de knecht.
Er is een climax: de tegenslagen en moeilijkheden van de knecht of profeet worden steeds groter.

Context
De context is opmerkelijk: Vòòr Jes 53 staat de ellende van Babel en het verlangen naar bevrijding (Jes 51v) en ná Jes 53 volgt de ontvangst van de ballingen in Jeruzalem (Jes 54). Dit verband moet wel betekenen, dat het lijden van de knecht des Heren (Jes 53) de uittocht uit de ballingschap, de terugkeer naar het beloofde land mogelijk maakt. Inderdaad is dit het heil waar Jesaja van profeteert. Dat de volken zich over deze terugkeer zullen verwonderen lezen we meermalen in de knechtsliederen, ook in deze vierde Jes 52: 15).


De kwestie
In Handelingen 8: 34 vraagt de kamerling lezende in onze tekst zich af over wie de profeet het heeft: zichzelf of een ander. De evangelist-diaken Filippus legt dan uit dat het op Jezus betrekking heeft. In de uitleggeschiedenis is ook nog wel gedacht aan een andere profeet (Jeremia), aan de koningen Uzzia en Hiskia, aan de de komende Messias, aan een rechtvaardige of een groep vrome rechtvaardigen, of de jongere generatie die in ballingschap opgroeit. Zij waren onschuldig, maar moesten toch lijden onder de straf die hun ouders hadden gekregen. In de Joodse wereld  is de gangbare opvatting, dat met de knecht het Joodse volk als collectief is bedoeld.

Omdat in de eerste drie liederen met de dienaar of knecht (Hebr ‘ebed) een enkeling is bedoeld en niet een groep1 nemen we aan dat het ook in het vierde lied om een enkeling (bv een profeet, rechtvaardige of messias) gaat.

Jesaja’s profetie heeft in eerste instantie betrekking op iemand uit zijn tijd, iemand die de terugkeer van de ballingen naar Juda en Jeruzalem mogelijk maakt. Later heeft de kerk deze woorden op Jezus betrokken vanwege de vele overeenkomsten met het lijden en sterven van Jezus. Zo kreeg het vierde knechtslied nog weer een extra betekenis als profetie op Jezus. Trouwens ook het Joodse volk heeft rond het begin van de jaartelling deze profetie opgevat als een aanduiding van de messias2.

Taal en Tekst
De oorspronkelijke Hebreeuwse tekst is verre van eenvoudig. Het tekstkritisch apparaat vermeldt meermalen ‘prp’ van propositie, oftewel doet dan een voorstel om iets aan de Hebreeuwse tekst te wijzen omdat wat er staat niet correct lijkt te zijn. Zo is er meer. Vertalers moeten dan tot een beredeneerde beslissing zien te komen. Wij volgen hier de NBV21.


Opbouw
De tekst wisselt een paar keer af tussen mijn en ons. Dat levert de volgende indeling op.
  • (A) Jes 52: 13 – 15 de stelling of boodschap over ‘mijn dienaar’.
  • (B) Dan 53: 1 – 11a gaat het over wat ‘wij’ van hem gehoord en gezien hebben.
  • (C) Daarna 53: 11b – 12 een soort conclusie over ‘mijn dienaar’.
A en C (beide met 'mijn dienaar') staan om B heen: een sandwich-structuur. Die treffen we ook aan in het middendeel (B), waar de verzen 4 – 6 centraal staan en de andere verzen als cirkels omheen zijn gelegd.

(A) Jes 52: 13 – 15
13 Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn en hoogverheven.14 Zoals hij velen deed huiveren– zo mismaakt was hij, zo weinig menselijk zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens –,15 zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan. En zij aan wie niets was verteld, zullen zien, zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen. (NBV21)

Jesaja zegt hier namens God over de dienaar, dat deze zal slagen (lett: verstandig handelen). Dat is tegen alle verwachting in want hij had niets meer van een mens, dwz was op sterven na dood, door alles en iedereen en ook door God in de steek gelaten. Daarom zullen volken en koningen verbijsterd zijn dat deze toch succesvol is. En iedereen kan wel raden wat dit betekent: dat God door deze armzalige figuur het wonder van de terugkeer heeft verricht. Dezelfde verbazing ook in 53: 1a.

(B 1) Jes 53: 1 – 3
1 Wie kan geloven wat wij hebben gehoord? Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard? 2 Als een loot schoot hij op onder Gods ogen, als een scheut uit dorre grond. Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. 3 Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg en door ons werd verguisd en geminacht.(NBV21)

De mensen die van deze knecht en de terugkeer horen kunnen het eigenlijk niet geloven. In 1 t/m vers 11a wordt de ellende van de knecht en zijn onverwachte succes breed uit gemeten. Als een loot, als een scheut wijst op het kwetsbare van deze gestalte: niet sterk gebouwd. Hij maakt geen knappe indruk als ooit Jozef (Gen 39: 6v) of David (1 Sam 16: 12). De mensen gingen hem uit de weg of keken de andere kant op als hij er aan kwam. Deze deerniswekkende figuur had alleen maar de wind tegen in zijn leven: veel pijn, vaak ziek. Misschien dacht men wel dat hij voor zijn zonden gestraft werd, want dat was de gangbare idee (Ps 31: 11 of Joh 9: 2).

(B 2) Jes 53: 4 – 6 (de centrale verzen)
4 Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. 5 Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. De straf die hij onderging bracht ons vrede, zijn striemen gaven ons genezing. 6 Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. (NBV21)

Hij heeft niet zomaar de wind tegen, God is het die hem dit aandoet (4b). Ook in 10 benadrukt Jesaja de rol van God. De HEER liet de wandaden van ons allen op hem neerkomen (6b). Die wandaden (Hebr ‘awoon) omschrijft de profeet als ‘ronddwalen als schapen, ieder die zijn eigen weg zoekt’. (6a)
Het lijden van de knecht is dan spiegelbeeldig te verklaren. Het komt daarvan dat deze geen wandaden deed en niet zijn eigen gang ging, maar de gerechtigheid zocht om Gods wegen te gaan. Dat maakte hem zo onaantrekkelijk (1- 3) voor zijn omgeving. Hetzelfde in 8: de mensen halen hun schouders op als hem een schijnproces wordt aangedaan.

Jesaja interpreteert dit lijden als verzoenend: het was om ons dat de knecht dit onderging: om onze overtredingen (Hebr pesjah), onze wandaden (Hebr. awoon). Hij, die het niet verdiende, werd ervoor gestraft en gestriemd. Maar daardoor kwam er vrede en genezing voor ons (= Jesaja en zijn volksgenoten). Ook in 10 dat het offer van zijn leven was voor de schuld van anderen.
Wat dat verband is tussen straf voor de een, vrede voor de anderen, zien we verderop bij offer. Eerst vertelt Jes nog meer over het lijden van de Knecht.

(B3) Jes 53: 7 – 11a
7 Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open. 8 Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen. 9 Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken.
10 Maar de HEER wilde hem breken, Hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor de schuld van anderen, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde. 11a Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij (het licht)3 en werd met kennis verzadigd.
(NBV21)

Vers 7 benadrukt het zwijgen van de knecht: hij ondergaat gelaten zijn mishandeling zonder zich te verzetten of te protesteren. Vers 10 zegt eveneens dat de knecht in deze dingen op een actieve manier passief is. Hij liet deze dingen met zich doen, hij geeft zich als schuldoffer (Hebr. asjam). Toch heeft deze knecht zich aan niets schuldig gemaakt: niet met daden, niet met woorden (9b).

Gestorven of niet?
Het is niet helemaal duidelijk of de dienaar zijn trouw aan God met de fysieke dood heeft moeten bekopen. Teksten die daarop wijzen zijn
  • het schaap (7) dat ter slachting wordt geleid.
  • verbannen uit het land van de levenden (8b),
  • een graf bij de misdadigers (9 a) 
  • zijn laatste rustplaats was bij de rijken. Dat moet gezien het verband met misdadiger wel betekenen, dat deze rijken goddeloze rijkaards zijn, of knevelaars.
  • zijn leven als schuldoffer geven.  Vgl Lev 5 – 6 waar de regels van het schuldoffer staan, die zeggen dat een dier moet worden gedood en geofferd.
  • in 12b lezen we dat hij zijn leven prijsgaf aan de dood.
Aan de andere kant zijn er teksten die erop wijzen, dat de dienaar niet omkomt maar ternauwernood overleeft en zelf de vrucht ziet van zijn opoffering:
  • om nageslacht te zien en lang te leven. (10)
  • om zijn moeitevol lijden zal hij zien, dwz meemaken dat zijn volk weer toekomst krijgt (11a)
  • en werd met kennis verzadigd (11b) dwz bevestigd in zijn volhardende geloof in God (Jes 33: 6).
Het zou kunnen dat Jesaja niet doelt op fysiek sterven, maar op de ervaring van de ballingen dat God hen heeft verlaten. Vgl het dal van dorre doodsbeenderen (Ez 37: 12v ) waar het graf symbool staat voor de ballingschap.

Gods wil

Vers 10 zegt, dat de HEER op een of andere manier bij deze dingen betrokken was. Hij wilde (Hebr chapats = behagen, genoegen aan beleven) het. Hij maakte zijn knecht ziek, zegt Jesaja. En zo slaagde wat de Heer wilde (opnieuw chapats). Dit betekent natuurlijk niet dat God blij was met het onrecht dat zijn knecht werd aangedaan. Maar
  • dat Hij blij was met de trouw en standvastigheid van zijn knecht.
  • dat Hij aan dit onverdiende lijden een bijzondere betekenis kon geven, nl dat het als een schuldoffer zou gelden. Zie hieronder bij Offer.

(C) Jes 53: 11b- 12
11b Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich. 12 Daarom ken Ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op. (NBV21)

Deze verzen sluiten aan bij (A) 52: 13 – 15. Opnieuw benadrukt Jesaja dat het lijden van de dienaar er was om de wandaden (11b) en schuld (12d) van velen op zich te nemen. Zo neemt de knecht het voor zondaars op (12d). ‘Door de knecht zullen zondaars mogen delen in het komende heil, vgl. vs. 5.’ (Renkema). Inhoudelijk gaat het om de terugkeer uit de ballingschap, het herstel van Israël, vgl Ezechiël 37.

Offer
Niemand had oog voor de lijdende dienstknecht. Maar hij, vernederd als hij was, hield vast aan God. En God bleef trouw aan hem en verhoogde hem. En wat deze dienaar zo vurig wilde: toekomst voor Israel, terugkeer naar Juda en Jeruzalem, dat gebeurde ook. Zijn lijden had een gunstige uitwerking op zijn volksgenoten.

Om tien rechtvaardigen (die niet lijden) wilde God al Sodom en Gomorra sparen. Wat zal het voor God dan betekenen als het om lijdende rechtvaardigen gaat? Mensen die moedig aan God vasthouden en om die reden in de moeilijkheden terecht komen.
Jesaja weet: zulk onverdiend lijden weegt op tegen de ongerechtigheden van anderen. Het onschuldig lijden van de knecht maakt iets goed als was het een schuldoffer. Zou Jesaja dat bedacht hebben omdat de tempel in Jeruzalem verwoest was en er geen offers ter verzoening konden worden gebracht? Verzoening niet meer door dieren, maar door mensen?

Jezus

Het is zeer terecht dat de eerste christenen deze profetie op Jezus hebben betrokken, in het lijdensverhaal de vele overeenkomsten met de lijdende knecht naar voren laten komen en op allerlei plaatsen uit dit lied van de Knecht citeren4. Hij was bij uitstek de rechtvaardige, die geen zonde heeft gekend. Onschuldig lijdend. Zou God hem niet verhogen? Zou God de waarde van zijn geofferde leven niet voor anderen, zelfs voor alle volken op aarde ten goede laten komen?
En zullen zijn volgelingen weten dat zij van genade leven? En bereid zijn op hun beurt rechtvaardig te leven, te lijden als het moet, zoals Petrus dat in zijn brief voorschrijft (1Pe 2)? Wetende dat het door God wordt opgemerkt en Hij het van betekenis laat zijn voor de toekomst van de mensen?5



-----
1 Een uitzondering zou kunnen zijn Jes 49: 3 - 5
2 In een interessant artikel  wijst de Moor erop, dat de spreektaal in Israel in de laatste eeuwen voor Christus niet langer het Hebreeuws is, maar het Aramees. Weliswaar een verwante taal, maar toch echt anders. Om die reden werden geschriften van het OT in het Aramees vertaald: de zgn Targumim. Dat gebeurde ook met Jesaja. Het gaat dan om een vertaling die tegelijk vereenvoudiging en uitleg is, bedoeld om de bijbelstudie voor de gemiddelde Jood mogelijk te maken.

Het opmerkelijke nu is, dat de Targum van onze tekst nogal afwijkt van het Hebreeuwse origineel. De Aramese vertaling begint met ‘Zie mijn Knecht, de Messias…’ Daaruit blijkt dat dit Knechtslied al in de voor- christelijke traditie als een messiaanse profetie werd opgevat. En wie het gehele vierde Knechtslied in de Aramese variant uitleest, bemerkt wel dat deze messias toch bovenal een strijdende, sterke en succesvolle messias is. De Moor verklaart deze afwijkende vertaling uit de polemiek met de joodse christenen geloofden in een lijdende messias die zou sterven en opstaan en daarvoor bewijs vonden in het originele vierde Knechtslied. Nader onderzoek wijst uit, dat zulke polemiek vaker in de Targumim is terug te vinden.
En zelfs dat deze Aramese versies sporen van bewerking vertonen: een neutrale vertaling kon later, als kerk en synagoge uit elkaar gaan, aangepast worden, zodat deze duidde op een strijdende, sterke messias (de Joodse opvatting) en niet meer op een lijdende en stervende messias kon slaan (de christelijke opvatting). Rond het begin van de jaartelling is de gedachte aan een lijdende messias niet dominant, maar zeker niet geheel afwezig in de Joodse wereld.
3  Het woordje licht heb ik tussen aanhalingstekens gezet: het staat er niet in de oorspronkelijke tekst. Met de HSV en de NBG is dan te vertalen: ...zal hij (het) zien.
4 Behalve toespelingen zijn er ook duidelijke citaten, zij het slechts zeven, waarvan vier geen betrekking hebben op het lijden en sterven van Jezus. Paulus haalt Jesaja twee keer aan niet vanwege de overeenkomsten met Jezus, maar ivm de evangelieverkondiging die onder het Joodse volk zo weinig gehoor vindt. Om dezelfde reden citeert Joh uit Jes 53. In de Opb van Joh gaat het om de volgelingen van Lam die niet liegen en onberispelijk lezen. Zo blijven er maar drie teksten over waarin het lied van de knecht des Heren met Jezus wordt verbonden. Dat het 'voor ons' was vinden we alleen bij Mat en 1 Pe, Hnd 8 citeert merkwaardig genoeg andere verzen uit Jes 53.
Jes 53: 13 in Rom 15: 21
Jes 53: 1 in Joh 12: 38 en Rom 10: 16
Jes 53: 4 in Mat 8: 17

Jes 53: 4 – 6 + 9 en 12 in 1 Pe 2: 22- 25
Jes 53: 7-8 in Hnd 8: 32- 33
Jes 53: 9 in Opb 14: 5.

Een Joodse legende vertelt dat er in elke generatie 36 rechtvaardigen zijn die veel lijden krijgen te verduren. Hun lijden heeft een bijzondere waarde: door hen blijft de mensheid bestaan. Zou er één aan de 36 ontbreken, de wereld zou in een zucht verdwijnen. Andre Schwarz-Bart werkte deze legende om tot de aangrijpende roman 'De laatste der Rechtvaardigen'.
 
terug