Gen 1: 1 - 2 en 2: 4 Gen 1: 1 - 2 en 2: 4

Indeling
Het eerste scheppingsverhaal begint in Gen 1: 1 en eindigt in Gen 2 bij vers 4a. Deze beide verzen horen duidelijk bij elkaar en vormen een inclusio die de tussenliggende verzen omsluit.
Helaas hield degene die de versindeling voor de Vulgata (Latijnse bijbel) maakte daar geen rekening mee. Hij begon met de zevende dag aan een nieuw hoofdstuk. Daardoor ontstaat het misverstand dat het bij de schepping om de mens en zijn hoge positie draait, Maar niet de mens is de kroon op de schepping, maar de rustdag.
Die 'foute' versindeling is echter wereldwijd zo ingeburgerd, dat die niet meer kan aangepast worden. Gelukkig corrigeert het bijbelgenootschap dit zoveel mogelijk door in de lay-out Gen 2: 1-3 (waarom in de NBV21 niet ook 4a?) bij Gen 1 af te drukken.


Gen 1: 1a     In het begin
Hoe vertel je van het begin van zon, maan en sterren, van planten en dieren enz. als er nog helemaal niets is? Als zelfs tijd en ruimte nog niet bestaan? Dan kun je niet eens spreken van 'in het begin...' want dat veronderstelt dat er al een 0.00:00 uur is, terwijl de tijd nog moest worden geschapen.

De schrijver van Genesis is zich van die moeliijkheid bewust: in het Hebreeuws staat er niet 'in het begin' maar 'in een begin'. Om die reden heeft de Leidse vertaling 'Toen God een aanvang maakte met de schepping van hemel en aarde.' De aantekeningen bij de NBV-21 stellen hetzelfde voor: 'Toen God begon met het scheppen van de hemel en de aarde’ Deze vertalingen hebben de voorkeur, omdat dan duidelijk is, dat dit begin niet al bestond, maar deel uit maakt van Gods scheppende werk.

Dat is - voor wie de bijbelse, scheppende God kent - direct al geruststellend. Dit begin komt niet ergens anders vandaan. Het heeft niet iets eeuwigs aan zich, als was het een tweede slechte God, zoals de gnostiek aanneemt. Het begon er mee dat God schiep.

Gen 1: 1 b     schiep God
Het Hebreeuwse woord voor scheppen is bara', dat ook maken, vormen kan betekenen. In deze betekenissen is het een werkwoord dat altijd God als onderwerp heeft. Hij is het die schept, als enige.
Het scheppen is een scheppen uit niets. God maakt geen gebruik van voorgegeven materialen, energieën of krachten. Dat blijkt ook uit het vervolg: de scheppingsdagen worden telkens ingeleid door 'En God zei'... en dan komen de dingen op zijn bevel te voorschijn (Ps 148: 5). Dat er vervolgens ook sprake is van maken (verzen 7, 16, 25 en 26) doet daar niets aan af. Bij de profeten is het vooral Deutero Jesaja (Jes 40 - 55) die dit scheppen uit niets benadrukt. Zie ook Job 26: 7.

Tijd en ruimte en alle dingen zijn er omdat God die tot aanzijn riep. Daarom is de schepping niet eeuwig, zoals God boventijdelijk en bovenruimtelijk is. Hij alleen is altijdig en alomtegenwoordig in de zin dat Hij alle tijden en plaatsen omvat. Er is niets buiten Hem, niet in de tijd, niet in de ruimte.

Dan moesten we ook maar niet spreken van een schepping die uit God is voortgekomen zoals uit een bron een rivier voortvloeit. De schepping is geen emanatie (uitvloeisel) van God, alsof er een hoeveelheid goddelijk materiaal in de schepping zit, en de schepping slechts gradueel van God verschilt (kwantitatief). De schepping is iets zelfstandigs naast, tegenover en anders dan God en tegelijk van Hem afhankelijk: Hij laat al wat is bestaan, en al wat gebeurt geschieden. Dat is het kwalitatieve verschil tussen God en zijn schepping. Hij is van een andere orde, zoals een hogere dimensie de lagere omvat en overtreft.

Genesis vermeldt geen reden voor Gods scheppende werk. We moeten er zelf naar raden waarom God een schepping wilde maken. Voor wie geloven vallen redenen als 'uit verveling' of om 'de baas over een mensheid te willen spelen' direct af. Wij weten wel beter. Wij vermoeden een plan om met een schepping, een levende natuur en liefhebbende mensen om te gaan. Een plan dat er van komen zal ook. Dit is geen gril van God, maar een voornemen dat heel diep zit. Dat uit zijn hart, uit zijn liefde voortkomt.


Gen 1: 1c     de hemel en de aarde
Met het scheppen ontstaat er iets dat 'niet-God' is. Iets buiten en tegenover Hem: de aarde. Op hetzelfde moment is er tegenover de aarde een 'hemel' waar God is.

  • De aarde is hier alleen nog maar de 'aarde-in-spe', een woeste, vormeloze, chaotische beginsituatie (van vers 2) waar God straks (vanaf vers 3) orde op zaken gaat stellen.
  • De hemel is hier niet de sterrenhemel, die wordt pas geschapen op de tweede dag (Gen 2: 8), maar de onzichtbare, verborgen wereld van God. De transcendente werkelijkheid die alles omvat.

Die 'aarde-in-spe' is niet eenvormig: er is land (2a), een oervloed (2b) en een geweldige storm (2c). De schrijver roept het beeld op van een barre landstreek, gehuld in duister, overstroomd door het water van zee, opgezweept door een hevige storm.

Gen 2a     De aarde was woest en doods.
In het Hebreeuws staat er Tohoe en Boehoe. Beide zijn negatieve begrippen.

  • Tohoe komt vaker voor in het OT in de betekenissen oa woest, wildernis, onherbergzaam zoals hier; maar het kan ook chaos, vormeloos, nietig, een baaierd, een ongeordende hoeveelheid betekenen.
  • Bohoe komt maar een paar keer voor in het OT en betekent doods, leeg. Tohoe en Bohoe komen nog één keer samen voor in Jer 4: 23 - 'ik zag de aarde, ze was woest en doods.'

Straks (vanaf vers 3) zal God uit dit onherbergzame begin een bewoonbare wereld oproepen, waar het goed leven is.

Gen 2b     duisternis (lag) over de oervloed,
Weer twee negatieve termen.

  • Het woord voor duisternis (Choshek) betekent meer dan zomaar het nachtelijk donker. Er zijn associaties met dood en dodenrijk. Het kan ook gebruikt worden om sombere, depressieve gevoelens aan te duiden. Zo vooral bij Job die het meer dan 20x gebruikt.
  • Het Hebreeuwse woord voor oervloed is Tehoom, dat ook met oceaan, diepte, afgrond vertaald kan worden. In figuurlijke zin wijst het op de zeeën van ellende waar iemand in ten onder gaat (Ps 42: 7). Zeeën en oceanen waren voor het nomadische volk Israël iets waar dreiging van uitging, waarvoor men diep ontzag had. Men vermoedde er grote vissen en zeemonsters in, zoals de leviathan. Ook na vestiging in het land is Israël niet een zeevarende natie geworden.

Gen 1: 2c     en 'roeach elohim' (was) zwevende over het water.
Dit is een unieke uitdrukking die we verder nergens in de bijbel aantreffen. Er zijn dus geen andere plaatsen die ons de betekenis ervan kunnen duidelijk maken. Wat deze woorden betekenen kunnen we alleen maar achterhalen, door dit ene vers zorgvuldig te lezen.  Een extra moeilijkheid is, dat de woorden meerdere betekenissen hebben:

  • Roeach kan zowel 'geest' als wind' als 'adem' betekenen.
  • Elohim betekent meestal 'God' of 'goden', maar op diverse plaatsen ook 'reusachtig', bv in Jona 3: 3 - Nineve die Godsgrote stad.

Geen wonder dat er voor 'roeach elohim' verschillende vertalingen zijn voorgesteld:

  1. De Geest van God (was zwevende over de wateren). Dat past mooi bij het NT (heilige Geest), maar in het OT is de roeach van God geen zelfstandig wezen. En als het toch om een zelfstandig wezen zou gaan, waarom speelt het dan verder geen enkele rol meer? (daarentegen is van roeach elohiem in betekenis (5), goed te begrijpen waarom die alleen maar hier voorkomt)
  2. Gods Geest, zoals je ook kunt spreken van Gods kracht. Maar dat past niet goed bij (was) zwevend: het is immers altijd iets dingachtigs dat zweeft, iets materieels (bv een vogel) niet iets geestelijks. Toch kiezen vele vertalingen voor deze optie, ook de NBV-21. Je krijgt dan een mooie uitleg: Gods Geest broedend als een vogel of wakend als een adelaar boven zijn schepping.
  3. Gods adem, opgevat als Gods leven gevende kracht. Dat past wel bij bv Gen 2: 7; maar in Gen 1 roept God de dingen en de levende natuur op door te spreken, niet door ze te beademen.
  4. Storm of wind van God. Stormwind past zonder meer in het verband met 2a en 2b, maar waarom staat er dan 'van God' bij? Omdat Hij de wind stuurt? Maar met welk doel dan? Om de Tehoom / watermassa er onder te houden? Maar nergens in het scheppingsverhaal is sprake van een strijd van God met de oermachten. God beveelt eenvoudig en zo komen de dingen tot aanzijn.
  5. Een reusachtige storm. De volgende argumenten pleiten voor deze vertaling
    1. Context: vers 2c staat in verband met 2a en 2b. Het gehele vers 2 beschrijft de onleefbare chaos van de aarde-in-spe die, het uitgangspunt voor Gods handelen is in vers 3.
    2. Een parallellisme: 'over het water' (2c) rijmt op 'over de oervloed' (2b) en dus zal 2c in zijn geheel een parallel vormen met 2b in zijn geheel.
    3. zwevende, kennen we uit Deut 32: 11: God als arend zwevend boven zijn jongen. Zweven is wat vogels doen met hun vleugels. In de bijbelse beeldtaal heeft de wind ook vleugels (bv Ps 104: 3 - hij wandelt op de vleugels van de wind). Genesis zegt dus dat de wind zich beweegt (zwevende) boven het water. En als we nog even terugdenken aan de arend die in rondjes boven zijn jongen cirktelt, dan wilde Gen mischien het beeld van een wervelstorm oproepen.
    4. de combinatie roeach (wind) en water komt vaker voor (Ps 147: 18 - Hij doet zijn wind waaien; daar vloeien de wateren). Wind en water zijn twee oerkrachten door God geschapen (vers 1) waarover Hij heerst.
    5. Dat roeach elohim in de betekenis van ' enorme wind' alleen maar in dit vers voorkomt is prima te verklaren, net als de andere oer-elementen in Gen 1 wordt deze door God begrensd. De rol van de grote storm is straks uitgespeeld.
Gen 1: 2 vertalen we dus als volgt:
De aarde was woest en doods,
duisternis (lag) over de oervloed
en een enorme storm waaide over de wateren.

Dit is de aarde in spe, het eerste begin van Gods scheppen. De chaotische machten zijn geen vijanden, maar gewoon natuurverschijnselen die God moeten gehoorzamen. Er is geen sprake van verzet of strijd met deze oerkrachten. Dat blijkt uit het vervolg, als God licht en donker scheidt of het water zijn plaats wijst.
 
terug