Gen 11: 1 - 9 Gen 11: 1 - 9
Context
Tussen de beide geslachtsregisters Gen 10 en 11 staat dit verhaal van ‘de torenbouw van Babel’. Het is het laatste verhaal van de oergeschiedenis over alle mensen op aarde. Vanaf hier zal het in de rest van het OT voornamelijk over Abraham en zijn nageslacht, het volk Israël, gaan.


Inhoud
De schrijver-redacteur (Jahwist?) wil, zo blijkt uit vers 9, een verklaring (etiologie) geven voor de naam Babel en voor het feit dat de ene mensheid over de hele wereld verspreid raakte en vele verschillende talen spreekt.
Het was misschien logischer geweest om dit te vertellen voorafgaande aan Gen 10, want dat gaat er al vanuit dat de mensheid zich over de hele aarde verspreid heeft. Maar goed, door het verhaal van de torenbouw af te ronden met ‘Zo komt het dat… (vers 9)’ kan het ook.
Natuurlijk gaat dit verhaal over meer dan talen en verspreiding van volken. Het zegt ook iets over God, Zijn zorgen om de mensheid en Zijn bedoelingen met de schepping.
Binnen de christelijke traditie is er bovendien een tegenhanger in het Pinksterverhaal (Hand 2) waar de Geest een nieuwe eenheid – de kerk uit Joden en de vele niet-Joodse volken – vormt.


Gen 11: 1-2
Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte en daar vestigden ze zich. (NBV21)

De schrijver had al over schepping, zondeval en zondvloed verteld. Nu wil hij nog een paar dingen over de mensheid duidelijk maken. Hij begint bij een – in onze ogen ideale situatie – iedereen verstaat elkaar, want spreekt dezelfde taal. Welke dat is, vermeldt de schrijver niet. Heeft hij gedacht dat die oertaal verdwenen is? Of zou hij gedacht hebben dat die oertaal het Hebreeuws was en is? Voor de uitleg maakt dit echter niet uit.
De mensheid is nog klein in omvang en heeft zich nog niet ergens gevestigd. Dit duidt op de situatie na de zondvloed (Gen 6 – 9) en vòòr de volkenlijst van Gen 10. De kleine groep mensen leidt een zwervend bestaan. Het is dus niet zo verwonderlijk dat er slechts één enkele taal werd gesproken’ (vers 1 en 9). Wel merkwaardig dat er bij staat ‘op de hele aarde’, maar strikt genomen klopt dat wel met de visie van de auteur.
De mensen trekken naar het Oosten en komen in een vlakte (Hebr beqa’a, een vallei of een dal) in Sinear. Dat is een streek in het Zuiden van het huidige Irak, de benedenloop van de Eufraat en de Tigris die in de Perzische golf uitmonden.
Eén van de oudste beschavingen moet daar geweest zijn, die van de Sumeriërs. Later zou Sumer met het Noordelijker gelegen Akkad opgaan in het Oud-Babylonische Rijk.
Dat we aan Babel moeten denken blijkt ook uit vers 9 waar Babel genoemd wordt. Het is dus de streek waar later de Babyloniërs vandaan komen, die het Zuidrijk van Israël innemen en de bevolking deporteren naar Babel. Het is goed mogelijk dat de schrijver-redacteur dit verhaal geschreven heeft als balling in Babel of kort na de ballingschap (597-538) in Juda/Jeruzalem.


Gen 11: 3
Ze zeiden tegen elkaar: ‘Komt, laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. (NBV21)
Sinear is de streek waar de zwervende mensen toekomst zien. De grote rivieren zorgen voor vruchtbare vlaktes. Hier is landbouw mogelijk. Ze geven hun zwervende bestaan op om zich er te vestigen. De rivieren voorzien van klei om stenen te bakken voor hun huizen, dorpen en steden. Ze verlijmen de stenen met aardpek dat ze uit de aardbodem halen. (Hebr chomer = asfalt, een natuurproduct ontstaan uit hars; dus niet teer).
Het moet niet zomaar een stad worden, maar een die opvalt:


Gen 11: 4
Ze zeiden: ‘Komt, laat ons voor ons een stad (Hebr ‘ir) bouwen met een toren (Hebr migdal) waarvan de top (Hebr roosj) tot in de hemel reikt. En laat ons voor ons een naam maken, dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’
De formulering ‘laat ons voor ons’ in de beide helften van het vers wijst op het eigenmachtig plannen maken van de mensen, zonder naar God en Zijn plannen te vragen.


De stad moet een toren krijgen, zo hoog dat die tot in de hemel komt. Nu kan hemel duiden op de luchtlaag die de aarde omringt en ‘de vogelen des hemels’ vliegen, maar dat is hier duidelijk niet bedoeld. Het gaat om een toren die hoger is dan de hoogste bergen. Daar is de tweede hemel, waar de zon en maan langs gaan en waaraan ‘s nachts ‘de sterren des hemels’ verschijnen. De sterrenhemel is in Babel de wereld van de goden en voorwerp van astrologie.
De schrijver bedoelt niet dat de mensen met hun toren tot in de derde hemel, waar God verblijft, willen doordringen. Hij stelt immers de mensheid voor als onbekend met Israëls God, die volstrekt transcendent is: letterlijk en figuurlijk te hoog en verheven om met torens (vliegtuigen, raketten) te bereiken.



De Ziggurath Dur-Untash, of Chogha Zanbil (13e eeuw v.Chr) bij Susa in Iran
Photo supplied by en:User:Zereshk. {{GFDL}} Category:Iran
CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=244860

In Babel zijn verschillende zgn Zigguraths teruggevonden, oftewel terrasvormige piramydes, tempeltorens, gebouwd op een hogere plek in het landschap. Ze stammen uit de periode 4000v vC – 500 vC.
Met die stad en hoge toren willen de mensen hun naam vestigen. Ze willen ermee zeggen ‘hier wonen wij, hier zijn wij thuis’. De hoge toren fungeert als herkenningspunt voor de bewoners in de wijde omgeving: ‘hier moet je zijn, hier woon je en hier is de verbinding met onze goden in de hemel’. Bij die pretentie past goed de naam Babel, dat in de oorspronkelijke taal 'poort van God' betekent. Zo willen de mensen een einde maken aan het rondtrekken op aarde en nergens thuis zijn.
In een diepere zin is het een poging om het doods-lot te ontlopen: de bouwwerken zullen een blijvende herinnering aan de bouwers zijn.

In Gen 1: 28 had God echter andere plannen met de mensen: ze moeten vruchtbaar worden, de hele aarde bevolken en onder haar gezag brengen.
In het volgende hoofdstuk zal God Abram roepen: ‘...Ik zal je naam groot maken’ (Gen 12: 2). Zo staan hier tegenover elkaar de eigenmachtige mensheid die zichzelf een naam wil maken < > de op God vertrouwende Abram die zich een naam laat maken.

Gen 1: 5
Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. (NBV21).
De mensen mogen dan wel denken dat ze flink de hoogte in gaan, de HERE daalt vanuit Zijn hoogte (de derde hemel) af om te zien wat daar beneden gebeurt. Hij beoordeelt het als zeer zorgelijk:


Gen 1: 6 - 7
‘Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal,’ zei de HEER, ‘en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. Komt, Laten Wij naar hen toe gaan en verwarring brengen in hun taal, zodat ze elkaar niet meer verstaan.’ (NBV21)
Wat Hem verontrust is dat heel de mensheid één is, zowel in hun taal als in hun ondernemen: het bouwen van stad en toren. Door die eenheid zijn de mensen machtig en tot alles in staat. Dat is inderdaad zeer bedenkelijk, want de mensheid blonk tot dan toe niet uit in goed gedrag (vandaar de zondvloed), doet dat in het vervolg van de Bijbel ook niet en dat is nog steeds zo getuige het onrecht en geweld dat mensen elkaar aandoen. Om de mensheid tegen zichzelf te beschermen maakt God aan die eenheid een einde. Hij breekt hun eigenmachtige machtsstreven door hun taal in verwarring te brengen: ze verstaan elkaar niet meer.

L
ater zal God, om die verdeelde mensheid weer één te maken, de heilige Geest zenden, die mensen in Christus verbindt tot een leven van geloof, hoop en liefde.
Opmerkelijk is het ‘Komt laten Wij’ in vers 7. Met wie is God in gesprek? De eerste persoon meervoud zagen we al eerder, o.a. in Gen 1: 26 ‘Laat Wij mensen maken, naar Ons beeld… Zie de verklaring daar.
Dit 'Wij’ staat in elk geval ook in een opvallende parallel met ‘komt, laat ons voor onszelf…’ van de mensen in vers 4.


Gen 11: 8
De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. (NBV21)
De 70 volken uit Gen 10 die verspreid over de aarde wonen en verschillende talen spreken zijn het gevolg van dit goddelijk ingrijpen. Door het machtsstreven van mensen te doorbreken komt het toch nog goed met de scheppingsopdracht in Gen 1: 28. Een ander gevolg: de bouw van de stad komt niet af. Babel zal nooit zo beroemd worden als de bouwers ooit voor ogen stond. De stad deelt in hetzelfde lot als de bouwers en bewoners. Zoals mensen terugkeren tot stof zal het ook de stad vergaan.


Gen 11: 9
Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht de HEER verwarring in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde Hij de mensen over de hele aarde. (NBV21)

De hele geschiedenis maakt duidelijk waarom de stad de naam Babel heeft. Dat staat in verband met de spraakverwarring (Hebr Balal). Als de (ex-)ballingen elkaar deze dingen vertelden, moesten ze vast even lachen om de Babyloniërs met hun zgn. hoge torens en hun babbel-taal. Vast voelden ze zich opgelucht dat aan het eigenmachtige optreden van mensen paal en perk werd gesteld. Niemand, ook koningen en machthebbers niet, zijn almachtig. Dat is alleen Israëls God.


Naschrift
De christelijke traditie noemt dit verhaal ‘de toren van Babel’ en beluistert in dit hierin de menselijke hoogmoed. Die lijn zit er zeker in. Maar er is ook de lijn van Gods zorg voor de aarde: heel de aarde moet door mensen bewoond en bewerkt worden. Dat heeft men in de Joodse traditie goed gezien. Daar noemt men dit het verhaal van de verspreiding van de mensen.







 
terug