1 Thes 4: 13 - 18 1 Thes 4: 13 - 18

De aanleiding (13)
In Korinthe was twijfel opgekomen over de opstanding der doden: men houdt die voor onmogelijk en men kan zich niet voorstellen wat voor lichaam daar bij hoort. In Thessaloniki hebben de christenen een heel andere vraag. Zij geloven dat de Wederkomst van de Heer in de zeer nabije toekomst zal plaatsvinden, nog bij hun leven. Maar ondertussen zijn er gemeenteleden gestorven. Die zullen de Wederkomst dus niet in levende lijve meemaken; zij moeten als doden eerst nog uit de doden opstaan. Zijn ze dan niet in het nadeel tov degenen direct al bij Christus zijn?
Persoonlijk vind ik het moeilijk me voor te stellen wat dat nadeel zou kunnen zijn. Paulus misschien ook wel, maar hij neemt de vraag toch serieus. Hij wuift die niet weg, maar is ook hier 'de Grieken een Griek' en past zich aan het bij denken en geloven van de mensen.

Terzijde: De eerste christenen geloven dus dat je eenmaal gestorven nog niet op de eindbestemming bent. Vele gelovigen nu, menen dat je na de dood in de hemel komt en dat het dan klaar is. Maar dat is niet de bijbelse boodschap. De eindbestemming is het Koninkrijk van God, dat is 'hemel en aarde vernieuwd' en 'God alles in allen'. Zolang die toestand niet is aangebroken, zijn levenden en doden niet thuis, maar in afwachting van. De levenden als pelgrims onderweg op aarde. De doden worden zo lang bewaard in de hemel, het paradijs of de schoot van Abraham.


Of de gestorvenen een achterstand hebben. Op die verontruste vraag gaat Paulus nu in. Hij wil de christenen toen en nu niet in het ongewisse laten, maar zekerheid bieden en daarmee voorkomen dat we zouden treuren als mensen die geen hoop hebben. Daarmee zegt hij dus niet dat gemis en verdriet overdreven zijn, of dat we niet zouden mogen rouwen om onze geliefde doden. Dat is gewoon heel menselijk en daar moet ruimte voor zijn. In Rom 12: 15 roept hij op om met elkaar mee te leven in vreugde en in verdriet.

Maar christenen hoeven niet te treuren als mensen die geen hoop hebben. Die mensen had Paulus al eerder aangeduid als 'de heidenen die van God niet weten' (vers 5) en 'die buiten staan (vers 12). Zij geloven misschien wel in een voortbestaan van de ziel na de dood, maar niet in een opstanding. En dat is de hoop die hier bedoeld is: de hoop op de opstanding uit de doden (vers 14), om voorgoed bij Christus te zijn (vers 17). Elders noemt hij dat het beërven van het Koninkrijk van God (1 Kor 15: 51vv).

Of we ook mogen hopen elkaar weer te zien en te herkennen? Dat laat Paulus in het midden. Duidelijk is dat we ons het nieuwe leven niet moeten voorstellen naar het model van ons huidige bestaan, enkel ontdaan van alle narigheid. Elders spreekt hij van een grote verandering (1 Kor 15: 51), we krijgen een opstandingslichaam (1 Kor 15: 25 - 49; 2 Kor 5: 1 vv; Filp 3: 21), niet sterfelijk als ons huidige lichaam.

Opvallend is dat hij in deze verzen (13, 14 en 15) niet van doden of gestorvenen spreekt, maar eufemistisch van 'ontslapenen'. Het voorvoegsel 'ont' geeft aan dat iets begint, bv ontdooien, ontbranden. Ontslapen is dus: beginnen te slapen. Daar passen woorden als opwekken en opstaan heel goed bij. Het Hebreeuwse woord voor slapen (shakab) en het Griekse (koimaoo) betekenen beide ook sterven (ontslapen).

De grondslag (14)
Voor zijn antwoord valt Paulus terug op het evangelie van Jezus, die gestorven is en opgestaan. Dat is niet alleen maar van belang voor Jezus, maar ook voor allen die bij Hem horen. Als God Jezus heeft opgewekt, zal Hij door Jezus ook de ontslapenen brengen bij Hem (Jezus). Jezus is dus zowel het middel (nl door het geloof in Hem) als het doel (voorgoed bij Jezus zijn in Gods Rijk). Tijdens het leven is er de band van gelovigen met Christus. Die band gaat in de dood niet verloren: christenen zullen met de levende Heer verenigd worden.  In latere brieven schrijft Paulus dat, zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden (1 Kor 15: 22, Rom 6: 12 en 18).

Een woord van de Heer (15)
De hoop op de opstanding van de ontslapenen rust op deze grondslag. Daar zou je genoeg aan kunnen hebben. Maar Paulus en Timotheüs hebben nog iets: een woord van de Heer. Een uitspraak van Christus die we in de evangeliën niet aantreffen.
Hebben ze dit zelf van de Heer ontvangen? Bv door een visioen, of door studie van de bijbel, in een gebed, of door een gesprek? Want waar twee of drie in zijn Naam bij elkaar zijn, is Christus in hun midden (Mat 18: 20). Of heeft een christelijke profeet dit woord ontvangen en aan Paulus bekend gemaakt?
Het hoe is niet het belangrijkste, de inhoud wel. Maar door het toe te schrijven aan de Heer, claimt Paulus het hoogste gezag voor wat nu volgt. Dat is niet zo maar een ingeving of zijn persoonlijke fantasie.
Er volgt nu geen letterlijk citaat (de Heer zei: 'jullie levenden zullen...') maar een weergave in eigen woorden (wij levenden zullen...)

De boodschap (15b - 17)
De zorg van de gelovigen was dat bij de Wederkomst de ontslapenen te laat zouden komen. Die zorg neemt Paulus direct weg: 'de levenden die achterblijven' (de na-bestaanden) zullen zeker niet de doden voorgaan. Om dat zonder meer duidelijk te maken, schrijft hij hier met geen woord over

  • de grote verandering die levenden en doden ondergaan. Dat was in de brief aan de Korinthiërs met hun twijfels, juist wel van belang te vermelden, maar nu niet noodzakelijk.
  • het gericht, of laatste oordeel. Voor de concrete vraag van de gelovigen in Thessaloniki is dat niet relevant. Over een oordeel sprak Paulus trouwens wel in deze brief: 1 Thes 1: 10 (het komende oordeel) en 2: 16 (oordeel tijdens dit leven) en 5: 9 (niet veroordeeld worden)

Hij wil alleen maar benadrukken dat het uitloopt op de ontmoeting met de Heer en voorgoed bij Hem zijn.

Hoe stelt Paulus zich dat voor?
Nu volgt er een mix van beelden en voorstellingen die herinneren aan toen bekende verhalen (Mozes, Daniël) en gebruiken (escorteren). We moeten daar niet teveel systematiek in aan willen brengen, alsof het om een stappenplan gaat.
Tom Wright noemt het richtingwijzers naar de toekomst. En richtingwijzers zijn nu eenmaal geen foto's van wat er komt, maar behulpzame en onmisbare aanduidingen.

Drie voorstellingen (16)
De passieve formulering (worden) van 'wanneer het signaal gegeven wordt', wijst erop dat God dit moment bepaalt. Dan zal

  1. de aartsengel zijn stem verheffen. In de toenmalige wereld meende men dat er 7 aartsengelen zijn. Michaël en Gabriël zijn de bekendste. Aartsengelen hebben een belangrijke functie op bijzondere momenten in de geschiedenis. Zo'n moment is de Wederkomst wel helemaal, want dat houdt het einde van de geschiedenis in.
  2. de bazuin van God weerklinken. Dat gebeurt vooral als God komt, om zijn macht en majesteit te onderstrepen. Bv Exodus 19: 16vv God daalt neer op de berg Sinaï om Mozes de Torah te geven. De stem van de aartsengel en het geluid van de bazuin maken het wereldwijd en tot in het dodenrijk duidelijk dat de tijd van verlossing gekomen is: De Heer zal uit de hemel neerdalen. (vgl Hnd 1: 11)
  3. zullen eerst de doden in Christus / die Christus toebehoren opstaan. Deze opstanding hoort met de aartsengel en de bazuin bij de wederkomst. De ontslapenen kunnen er onmogelijk eerder bij zijn, dan dit moment. Daarmee is de zorg van de christenen in Thessaloniki weggenomen.

 

Weggevoerd worden (17)
Vervolgens gaan zij samen, met de christenen die bij de Wederkomst leven de Heer tegemoet. Tegelijk. Beide groepen reizen gelijk op en komen tegelijk aan bij de Heer. Er is geen verschil in rangorde of wat dan ook. Opnieuw zijn de gelovigen in Thessaloniki gerust gesteld.
Aangezien de Heer uit de hemel afdaalt, betekent tegemoet gaan: opstijgen, op de wolken worden weggevoerd. Het achterliggende beeld is dat van de Zoon des Mensen (Daniël 7), en de hemelvaart van Jezus (Hnd 1), die op een wolk naar God gaan. Bij de Wederkomst gaan de gelovigenen hun Heer in de lucht tegemoet.
Het woord 'weggevoerd worden' (harpazoo) gebruikt Paulus ook in 2 Kor 12 voor zijn tijdelijke wegvoering naar het paradijs, de derde hemel.
De passieve formulering met worden geeft aan, dat deze wegvoering een actie van God is.

Het einddoel luidt: 'dan zullen we altijd bij Hem zijn.' Waar dat is? Natuurlijk niet de lucht of de wolken, ook niet de hemel. Dat is de woonplaats van God. Paulus mocht er toen hij weggevoerd werd, even iets van zien, maar hij mocht er niet blijven. De hemel is niet de eindbestemming van mensen. Zie ook het terzijde bij vers 13.
Dat de gelovigen de Heer tegemoet gaan, betekent dus niet 'naar de hemel' gaan. Paulus en zijn lezers zullen gedacht hebben aan het bezoek van een koning aan een stad. Dan loopt de bevolking uit om hem toe te juichen en hem een feestelijk geleide te bieden naar de stad. Het gaat erom dat de gelovigen uitlopen om de Heer te verwelkomen en dan samen met Hem mee te reizen naar beneden, naar de aarde waar Hij het Koninkrijk van God vestigt. Vgl de verstandige bruidsmeisjes die de bruidegom tegemoet gaan en dan met hem mee naar de bruiloft gaan (Mat 25: 1 - 10).

Het eind van al Gods wegen is dat Hijzelf wil wonen tussen de mensen. Dat is het Koninkrijk van God (1 Kor 15: 50) waar Hij alles en iedereen vervult (1 Kor 15: 28) met zijn kracht, liefde, licht, waarheid, vrede, gerechtigheid, schoonheid. Hier noemt Paulus dat 'voorgoed bij de Heer zijn'. In zijn nabijheid leven in vol vertrouwen, zonder angst voor de dood. Zonder de prikkel van de dood krijgt de zonde geen kans. Gods nieuwe wereld is dan ook vol van vrede en gerechtigheid. Dan zijn we eindelijk thuis.

Troost elkaar (18)
Vers 18 hoort niet meer bij het woord van de Heer  (15 - 17), maar is Paulus eigen toevoeging. Zo moeten de gelovigen deze boodschap toeppassen: troost elkaar.

terug