Psalm 13 Psalm 13

Inleiding
Het opschrift (vs 1) leert ons niet veel over dit lied. De Psalm is van David of wordt aan hem toegeschreven. Voor de interpretatie maakt dat niet uit. De psalm is te algemeen van inhoud om aan een specifieke situatie in het leven van koning David of iemand gekoppeld te kunnen worden. Zo biedt de psalm veel ruimte aan de lezers om die met hun eigen ervaringen te verbinden.

Genre
Deze psalm is niet te verwarren met de zgn boetepsalmen. Daarin gaat de dichter diep door het stof (bv Ps 51). Maar in Ps 13 ontbreken zonde, schuld, spijt, berouw en boete. De psalmist voelt zich ellendig en wijt dat niet aan verkeerd gedrag. Hij is gewoon onschuldig en de wanhoop nabij. Daarom doet hij bij God zijn beklag. Zulke 'klachten van een enkeling' zijn er meer, bv Ps 6, 22, 77, 102. In zulke psalmen zijn meestal drie partijen: de dichter, God en de anderen: medemensen, bv vijanden of belagers zoals in onze psalm.

Opbouw
Eerst is er de klacht met vier vragen aan God die allemaal met 'hoe lang' beginnen. We vinden daar de drie partijen terug: de eerste twee 'hoe lang vragen' zijn verwijten aan God (vs 2), in de volgende beklaagt de dichter zichzelf (vs 3ab) en tenslotte noemt hij zijn vijanden (vs 3c).
Dan volgt de smeekbede met opnieuw de drie partijen: eerst de roep om Gods aandacht (vs 4a), dan de hulp die de dichter voor zichzelf vraagt (vs 4b), en weer worden vijand en belagers als laatste genoemd (vs 5).
Tenslotte een opmerkelijke ommekeer: David spreekt zijn vertrouwen uit in Gods liefde gevolgd door de belofte om God te prijzen om zijn redding. Van de drie partijen zijn er nu maar twee over. Van de vijand horen we niets meer, die doet er kennelijk niet meer toe.

Ps 13: 2 - 3 De klacht
2a Hoe lang nog, HEER, zult U mij vergeten,
2b hoe lang nog verbergt U voor mij uw gelaat?
3a Hoe lang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen*
3b en mijn hart door verdriet overstelpt, dag aan dag?*
3c Hoe lang nog houdt mijn vijand de overhand?

Vers 2a vormt met 2b een parallellisme, dwz de beide vershelften bedoelen hetzelfde te zeggen: vergeten = uw gelaat of aangezicht voor mij verbergen. Zo rijmen ook 3a en 3b op elkaar: mijn ziel gekweld door zorgen = mijn hart door verdriet overstelpt.
In 3c komt dat allemaal samen in die ene vraag: hoe lang nog houdt mijn vijand de overhand? Hier lijkt het om een letterlijke vijand te gaan, die de dichter naar het leven staat (zie vs 5). Maar ook als het om een symbolische vijand gaat (de verpersoonlijking van zorgen en verdriet) is het effect hetzelfde: ze doen de dichter uitzien naar redding. En als die op zich laat wachten, doen ze roepen 'hoelang nog?'

Vroeg of laat dringen zich zorgen en verdriet en vijanden op in een mensenleven. Maar het wordt pas echt moeilijk om daarmee om te gaan, als God ver weg lijkt. Als de bron van levenskracht en vreugde zich voor je verbergt ipv naar je omziet. Als Hij je vergeet ipv bij je is.
De dichter roept in felle woorden naar God. Hij is geen atheïst die het bestaan van God loochent. Hij gelooft in God. God is voor hem de Geest die leven doet als Hij erbij is, en die doet wegkwijnen als Hij er niet bij is.
Dat laatste is de ervaring van David: God is er niet bij. De bron van leven en vreugde, van geloof, hoop en liefde is afwezig, verborgen, niet te vinden. David kan er niet uit putten. Daarom is hij teleurgesteld. De zorgen putten hem uit. Want het is al dagen zo (dag aan dag) en het einde lijkt niet in zicht. Hij is de wanhoop nabij. Hij dreigt het te verliezen: zijn vijand heeft de overhand.
David vraagt niet naar het waarom van de dingen. Hij heeft geen behoefte aan een verklaring, een daarom. Evenmin voelt hij zich schuldig, hij is vooral teleurgesteld in God. Hij wil gezien, gehoord worden en zo weer nieuwe kracht ontvangen om met zijn moeilijke situatie om te gaan.

Ps 13: 4 - 5 De smeekbede
4a Zie mij, antwoord mij, HEER, mijn God!
4b verlicht mijn ogen, dat ik niet in doodsslaap wegzink.
5a Laat mijn vijand niet roepen: ‘Ik heb hem verslagen,’
5b mijn belagers niet juichen omdat ik bezwijk.

In woorden die haast onbeleefd lijken, schreeuwt de psalmist het uit naar God:  vier keer een gebiedende wijs. De twee helften in 4a betekenen hetzelfzde. Met 'zie mij' roept hij om Gods nabijheid. Met 'antwoord mij' doet hij dat nog een keer.
De twee helften in 4b staan antithetisch tegenover elkaar: 'verlicht mijn ogen' is het tegenovergestelde van in 'doodslaap wegzinken' (sterven). Verlicht mijn ogen betekent laat mijn ogen niet dof en mat worden, maar laat ze stralen. In 1 Sam 14: 27 - 30 lezen we hoe Jonathan honing eet en daarna staan zijn ogen weer helder en is hij weer sterk

De beide helften van vers 5 vormen weer een synoniem parallellisme. Dat vijand en belagers zullen juichen als David het niet redt, is misschien ook een manier om God te prikkelen: het is toch zeker zijn eer te na, als David zou omkomen?

De dichter geeft duidelijk aan wat hij nodig heeft: dat God niet langer zijn aangezicht (vs 2b) verbergt, maar hem ziet en antwoordt. Als twee mensen elkaar in de ogen zien en liefhebben, springt een vonk over en voortaan branden er lichtjes in de ogen en is er vreugde in het hart. Zorgen en moeilijkheden wegen dan zo zwaar niet meer. Samen kun je de hele wereld aan. Zo verlangt de dichter ernaar dat God bij hem is. Het herinnert aan de zegen van Aäron: de Here doe zijn aangezicht over u lichten...de Here verheffe zijn aangezicht over u...Gelovigen zien uit naar de dag dat ze God zullen zien van aangezicht tot aangezicht (1 Kor 13: 12)

Ps 13: 6 De ommekeer**
6a Ik echter vertrouw op uw liefde
6b Mijn hart zal zich verheugen om uw hulp (of: in uw redding)
6c Ik zal zingen voor de HEER, want Hij heeft mij goed gedaan.

(6a) Als David zo zijn hart heeft gelucht, trekt hij een rode lijn. Alsof hij bij zichzelf zegt: 'tot hiertoe en niet verder, ik moet zo niet doorgaan'. Hij spreekt uit 'ik echter vertrouw op uw liefde'. Maw of hij nu wel of niet ervaart dat God bij hem is, hij zal op God blijven vertrouwen. Zo stapt David uit de klacht, en gaat de weg van geloof en vertrouwen op. Het 'ik echter' is dus niet bedoeld om David te onderscheiden van zijn (goddeloze) vijanden.

Hoe komt David zo ver dat hij de knop omzet? Werd hij bemoedigt door een regenboog? Was er de helpende hand van vriend? Heeft hij in de bijbel over de uittocht gelezen? Of terug gedacht aan tijden van voorspoed en zegen in zijn leven? Dat zou goed kunnen, maar het staat er allemaal niet.

Duidelijk is, dat het luchten van zijn hart hem geen kwaad heeft gedaan. Integendeel, misschien was dat wel een voorwaarde om tot die ommekeer te komen. Wie van zijn hart een moordkuil maakt, richt zichzelf te gronde. De geschiedenis van Job leert, dat zulke klachten terecht kunnen zijn en ook dat God daar wel tegen kan. Jobs vrienden echter meenden zijn klagen te moeten afkeuren en maakten het Job nog moeilijker dan hij het al had. Zij namen afstand van Job, kwamen tegenover hem te staan, werden in zekere zin zijn tegenstanders. (met zulke vrienden heb je geen vijanden nodig). In onze psalm is totaal geen afkeuring voor de ongegeneerde klachten van David. Het is een oprecht gebed, uit de diepte. Voor zulke kleine mensen heeft God een groot hart.
 
Misschien was het niet een ontmoeting of gebeurtenis buiten David die de ommekeer bewerkte, maar was het puur op karakter dat hij blijft geloven. Of uit wilskracht en koppigheid. Of uit liefde voor God. Of uit een restje geloof, Of een drupje hoop. Of door al deze dingen samen, zoals het grote gebod zegt dat we God zullen liefhebben met alle kracht, en heel ons verstand en met heel ons hart en heel onze ziel.

Maar vast - dat blijkt uit 'Hij heeft mij goed gedaan' (vs 6c) - hoorde daar ook bij, dat hij zich realiseerde dat hij zijn klacht een adres had gegeven. Hij had zijn wanhoop naar de hemel op gezonden en even zich gezien en gehoord gevoeld. Zoals mensen wel eens de ervaring op doen, dat toen ze geen mogelijkheden meer zagen, en hun wanhoop deelden met God, er iets van rust kwam. Alsof er iets of iemand aandacht voor ze had: de stilte, de nacht een voertuig voor God.

6b en 6c zijn weer twee parallellen die hetzelfde betekenen.
Deze ommekeer van klacht naar vertrouwen, dit hervinden van 'en toch geloven' is de hulp of redding die David zocht. God heeft hem welgedaan (NBG). Of hij daar genoeg aan heeft, valt niet te zeggen. Maar voor dit moment is het dat wel. Vandaag kan hij er mee vooruit. En morgen en daarna? Maar brood neem je ook niet als een grote portie mee voor de rest van je leven; je krijgt het van dag tot dag. Zo is het ook met de geloofsweg, die gaat van kracht tot kracht (Ps 84).

Dit klaaggebed is dus in zoverre verhoord dat David weer moed en kracht kreeg om in zijn moeilijke situatie het vol te houden. Zijn gebed is niet verhoord in die zin dat aan die moeilijke situatie (vijand, bedreigers) een einde is gekomen. Maar hij heeft vertrouwen in Gods liefde (Hebr chesed, dat trouw, genade, gunst, vriendeljkheid betekent): op een dag zullen zijn bedreigers het veld ruimen. Daarom zingt en juicht hij nu al. Hij is bij voorbaat zeker van de goede afloop.

Naschrift
Luther zei: Aldus heeft deze Psalm ons laten zien welke een grote, geestelijke strijd er gestreden wordt met de duivel door alle christenen, de ware heiligen. Als we weleens verliezen, moeten wij toch niet bevreesd worden. Het zuchten hebben we immers nog behouden, en daaruit wordt steeds opnieuw de hoop geboren; wij krijgen er nieuwe moed door, zodat we daarna kunnen zingen.

Deze versdelen zijn moeilijk te vertalen. Letterlijk staat er ' Hoe lang zal ik raad/advies stellen in mijn ziel (met) droefenis in mijn hart overdag? Dwz: hoelang zal ik mijzelf afvragen wat wijs is (mij zorgen maken) terwijl ik verdrietig ben alle dagen?
** Meer psalmen hebben zo'n opmerkelijke ommekeer, bv Ps 22: 22; Ps 41: 14; Ps 89: 53 en evt Ps 126.

terug