GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Drie onderscheidingen

2 Kor 13: 13

Inleiding
Het is prima om God met titels als Koning, Schepper enz aan te spreken en te bezingen en diezelfde titels te gebruiken als je het met anderen over hem hebt. Eerder hebben we gezien, dat je daarmee ook iets over jezelf zegt (onderdaan, schepsel) en over de relatie (een objectieve of een zakelijke) die er dan tussen jou en God bestaat. Maar er zijn ook titels met een rijkere inhoud: Vader, Zoon en heilige Geest. Rijker omdat ze je in een echte relatie van liefde betrekken. Want zeg je Vader tot God, zeg je ook ‘zijn kind’ van jezelf. Zeg je Zoon tot God, zeg je ‘zijn vriend’ van jezelf (Joh 15: 13). Zeg je Geest tot God, zeg je ‘zijn lichaam’ van jezelf (1 Kor 3: 16).

Vader, Zoon en Geest in de ene God. Hoe is dat te begrijpen?
Drie in één. Dat wordt wel eens uitgelegd aan het voorbeeld van water dat op drie manieren kan voorkomen: in vaste vorm (ijs), als vloeistof (water) en als gas (stoom). Maar zo’n vergelijking schiet tekort. Water is nooit op hetzelfde moment en ijs en vloeistof en gasvormig terwijl we van God geloven dat hij voortdurend en Vader en Zoon en heilige Geest is. Bovendien is water dode materie maar God is een levende Geest (Joh 4: 24). Niet dat we weten wat dat is, maar wel dat daar bewustzijn, denken, willen, plannen, wensen, verlangen bij hoort.

Als mens kun je een gedachte (of een droom, of een wens) hebben. Dan ben je een denker (of een dromer, een wenser). Zolang je die gedachte nog niet hebt, ben je nog geen denker, alleen maar mens-zonder-meer. Onbepaald. Maar op het moment dat je gaat denken ben je als mens een denker met een gedachte.
Verder is het zo, dat de denker degene is die de gedachte produceert, oftewel hij is de vader van de gedachte. En de gedachte is het produkt van de denker, oftewel het kind van de denker.

Dat kun je ook op God toepassen. Zolang God geen gedachte of voornemen heeft is hij God-zonder-meer. Onbepaald. Maar op het moment dat hij zich iets denkt is God een denker met een gedachte. Dan is er een zekere twee-heid binnen de eenheid die God is.
En verder is het zo, dat God (de denker) de Vader is van de gedachte. En de gedachte is dus het kind, de Zoon van God.

Om welke gedachte gaat het?
Ik omschrijf die als het
plan (Ef 3: 11, 1 Kor 2: 6-10  BGT)  dat God heeft om een schepping te maken met alles erop en eraan tot en met planten en dieren en ook mensen. Mensen niet als robots gemaakt, die automatisch het programma afdraaien waarvoor ze gemaakt zijn en niets anders kunnen, maar met een zekere vrijheid om hun levens in te vullen en vorm te geven. Waarbij de hoop is dat mensen God liefhebben en dienen. Met het grote risico dat ze anders doen. Wat ook gebeurt: Adam (de mensheid) laat veel liefdeloosheid en ongehoorzaamheid zien. Tot het plan hoort ook het voornemen van God dat het zal slagen. Als het moet zal God zelf mens en wereld terecht brengen.

Vader en Zoon
In de kerk geloven we dat God dat mooie plan (= de Zoon van God), waar Zijn hart vol van is, en dat Hij altijd al bij zich had (van vòòr de schepping van tijd en ruimte), ten uitvoer brengt in Jezus (1 Pe 1: 20). Jezus is volledig voor God beschikbaar: hij wil niets liever dan de wil van zijn Vader in de hemelen doen. In hem woont de Zoon van God, hij valt samen met de Zoon van God. Hij heeft geen eigen plannen of andere belangen.

Geest
De hechte verbondenheid (Vader-Zoon) tussen Jezus en God was er gedurende heel zijn leven. Soms zagen mensen er iets van en Petrus heeft het geraden toen hij Jezus ‘…de Zoon van de levende God’ noemde (Mat 16: 16). Op de Paasmorgen bleek dat allemaal geen vergissing te zijn. Door Jezus uit de dood op te wekken, heeft God ja en amen gezegd op Jezus en alles wat hij heeft gezegd en gedaan inclusief hoe hij zichzelf zag in relatie tot God.

Het is de heilige Geest die de discipelen deze dingen duidelijk maakt. Bij Johannes al op de dag van de opstanding (Joh 20: 22). Bij Lucas komt de Geest zeven weken na Pasen, op het Joodse ‘Wekenfeest’ dat bij ons Pinksteren heet (Pinksteren betekent vijftig, vijftigste dag). Paulus en de andere schrijvers van het Nieuwe Testament noemen de Geest geregeld, maar laten in het midden wanneer die precies gekomen is.
Natuurlijk was er vòòr Pasen ook wel sprake van de Geest van God:

  • De Geest was aanwezig bij de schepping (Gen 1). Als je onder de indruk bent van de natuur, is dat het werk van de Schepper-Geest.
  • Sommige mensen waren van tijd tot tijd speciaal onder invloed van de Geest van Jahweh. Die zette Simson in vuur en vlam (Ri 13-16), bezielde koningen als Saul en David, en sprak door de profeten tot het volk. Als je een heilige verontwaardiging voelt bij het zien van armoede, honger, geweld en onderdrukking is dat het werk van de Geest van de HERE.

Maar vanaf Pinksteren is het de Geest van ‘God-en-Jezus’, de Geest van ‘Vader-en-Zoon’ die zijn invloed laat gelden. Die brengt wat nieuws vergeleken met de Geest van de Schepper of de Geest van Jahweh/de HERE.

  • Deze Geest verbindt ons in liefde en vertrouwen met onze Vader in de hemelen. Hij wekt vertrouwen in zijn zorg over ons bestaan.
  • Dezelfde Geest verbindt ons ook met Jezus. Hij geeft ons vertrouwen in zijn vergeving als we ons slecht voelen. Hij geeft ons moed en kracht als we op zien tegen de weg die voor ons ligt.
Share on facebook
Share on linkedin
Share on reddit
Share on tumblr
Share on whatsapp
Share on skype
Share on email
Share on print