GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Vergeving

Mat 6: 12

Financiëel – Juridisch
De betekenis van Jezus’ dood wordt ook wel met vergeven geïnterpreteerd. Met die term verlaten we de wereld van de slavenmarkt en komen we op het terrein van het financiëel-juridische: een geldschuld of een straf kan worden kwijtgescholden. Deze beeldspraak vinden we vooral bij Matheüs, Marcus en Lucas-Handelingen. Zij brengen de dood van Jezus in verband met vergeving van zonden (bv Mat 26: 28; Hnd 3: 19).

Vergeven is problematisch voor de schuldeiser
Vergeven is niet zo eenvoudig als wel eens gedacht wordt. Waarom zou je iemand zijn geldschuld kwijtschelden? Moet hij niet gewoon het bij de bank geleende geld terug betalen? Wat zullen andere klanten zeggen als ze horen dat de bank schulden vergeeft? Zij zullen ook kwijtschelding van schuld claimen. En zal de schuldenaar over een tijdje niet weer in het rood staan en ervan uitgaan dat zijn schuld wel vergeven zal worden?
En kun je een misdadiger gratie schenken? Moet hij zijn verdiende straf niet uitzitten? Wat voor signaal gaat van zijn vrijlating uit? Wat zullen zijn slachtoffers daarvan vinden?
Vergeven zet alles op losse schroeven. Een bankier die met vergeven begint kan de bank wel sluiten. Een rechter die misdadigers niet straft maar vergeeft ondermijnt het rechtsysteem.
Dat onmogelijke van de vergeving vind je in de bijbel terug als het gaat over het kwaad dat mensen elkaar en dus God aandoen. Zonde tast de heilige rechtsorde aan en brengt de wereld aan het wankelen.

Niet vergeven is problematisch voor de schuldenaar
Maar stel je voor dat de bankier op zijn strepen blijft staan en afbetaling van de schuld eist. In geval van een grote schuld is dat onbegonnen werk voor de schuldenaar. Dan gaat de schuldenaar failliet: alles wat hij heeft wordt verkocht en de opbrengst is voor de schuldeisers. En als de opbrengst onvoldoende is, zal hij de rest van zijn leven moeten werken en zijn verdienste afstaan om de schuld af te lossen. Hij heeft geen leven, geen toekomst meer. En de rechter die een misdadiger een zware straf of levenslang oplegt, ontneemt hem iedere hoop.
Dat onmogelijke van niet-vergeven klinkt door in vragen als ‘is het echt 100% iemands eigen schuld?’ Zijn er misschien verzachtende omstandigheden? Heeft de misdadiger inmiddels berouw getoond? Schade vergoed? Is het verschil tussen misdadiger en brave burgers wel zo groot? Jezus zegt ergens: wie van jullie zonder zonde is, werpe de eerste steen (Joh 8: 7).

God vergeeft
In het geval van overtredingen van Gods geboden (bv Gods naam ontheiligen of liegen, stelen, roddelen enz) is er sprake van zonde. Hoe zou God je nog kunnen zegenen met leven en voorspoed als je dingen doet die haaks staan op zijn wil en bedoelingen? Als bv David zich realiseert dat hij niet alleen een misdaad tegen Uria heeft gedaan (2 Sam 11 en 12), maar ook gezondigd heeft tegen Gods geboden. Dan slaat de schrik hem om het hart. (Ps 32, 38, 51). Niet meer verbonden met God heeft hij enkel onheil en rampspoed te verwachten. Hij heeft spijt en berouw en kan niet anders dan hopen dat God hem zijn zonde vergeven wil.

Die krijgt hij ook, al zal hij het kind verliezen dat hij bij Batseba verwekt had. Het verhaal maakt duidelijk dat vergeven niet op een koopje kan. Dat is ook de zin van de offers die in tempel gebracht worden. Iemand die gezondigd heeft kan door het brengen van een herstel- of reinigingsoffer vergeving ontvangen. Diens zonde en schuld worden ahw overgebracht op het offerdier. Dat geeft zijn leven zodat de schuldenaar weer een leven, een toekomst heeft. De zondaar ontvangt vergeving van God, dwz bemiddeld door de priesters. Zij spreken de vergeving niet op persoonlijke titel uit, maar als gevolmachtigd door God.
Bij Jesaja lezen we van ‘de knecht des Heren’ op wie de zonden van het volk worden overgedragen, zodat het volk weer een toekomst heeft (Jes 53).

De offercultus en speciaal de grote Verzoendag (Lev 16) maken duidelijk dat God niet de ondergang van de zondaar wil, maar hem ondanks alles het leven gunt. Het Oude Testament houdt ons telkens weer voor dat God genadig is (Ex 34: 6-9) en vergeving schenkt. Zijn liefde voor mensen wint het keer op keer van zijn teleurstelling en toorn om hun slechte gedrag. God neemt de risico’s die aan vergeving kleven: dat zondaars niet echt berouw hebben, blijven zondigen (want er is toch wel vergeving) of de offers gebruiken als een middel om God te manipuleren (magie).
Om die reden wordt in de rabbijnse traditie geleerd dat een tweede en derde keer voor dezelfde zonde bij God om vergeving mag vragen, maar een vierde keer niet meer.

Jezus vergeeft
Jezus vergeeft een verlamde man (Mc 2: 1-6) en een zondares (Luc 7: 36-50) hun zonden. Wanneer die hem slecht hadden behandeld, zouden we ons kunnen voorstellen dat Jezus iets zou zeggen als “vooruit, ik zie dat je er spijt van hebt, zand erover”. Maar er is niets tussen hen voorgevallen. Jezus zegt hun vergeving toe voor verkeerde dingen die hem niets aangaan. En daarover verbazen zich de schriftgeleerden, want wie kan vergeven dan God alleen, dwz de priesters in de tempel? De schriftgeleerden houden Jezus voor zomaar iemand. Dan is zijn vergeving inderdaad een godslasterlijk gebeuren. Hij heeft er de bevoegheid niet voor. Maar wanneer je gelooft dat Jezus heel dicht bij God staat dan kan het wel. Zelf houdt hij zich voor ‘de Zoon des Mensen’ met volmacht om op aarde zonden te vergeven(Mc 2:7).
Dit heeft Jezus als zijn roeping gezien (Luc 4: 18): om de band tussen God en mensen te herstellen. Om mensen vergeving toe te zeggen en zo hun een nieuwe toekomst te bieden. Zie bv wat zijn komst uitwerkt bij iemand als de tollenaar Zacheüs. In de ogen van omstanders een zondig mens. Maar na de ontmoeting met Jezus is Zacheüs iemand die zijn fouten goed maakt: degenen die hij had benadeeld krijgen viervoudig terug (Luc 19: 1-10). Het verhaal laat zien dat vergeving niet alleen problematisch hoeft te zijn, maar ook heel verrassend kan uitwerken.
Zo luidt Jezus de nieuwe tijd in waarin God inniger dan voorheen met de mensen verbonden zal zijn (Jer 31: 31-34).

Waar is dan het reinigings- of hersteloffer dat volgens het Oude Testament bij vergeving gebracht moest worden? Waar het bloed dat bij het sluiten van een verbond moest worden gesprenkeld over altaar en volk? Daarvoor wijst het evangelie op Jezus: door zijn bloed is er vergeving (Ef 1: 7). Hij is het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt (Joh 1: 29). Door dit ene offer zijn alle andere overbodig geworden (Heb 10: 18).

Bidden om vergeving
Wie in Jezus gelooft, leeft in vriendschap met God. Helaas doe je nog steeds dingen die niet bij die vriendschap passen. Maar wanneer je dat betreurt en terugverlangt naar een goede relatie met een ‘ Vader in de hemelen’ mag je ook om vergeving bidden. Dat is toch wat een vader doet: zijn kinderen vergeven? Het is niet voor niets een bede in het onze Vader. En vervolgens mag je geloven dat je vergeving krijgt en je band met God vernieuwd wordt. Natuurlijk heb je het dan eerst uitgepraat en goedgemaakt met de mensen die je beschadigde (Mat 5: 23-24).
Je zult vast nog wel eens terugdenken aan de grote fouten in je leven en je daarvoor schamen. Want vergeven en vergeten dat lukt ons niet. Zo vergeven kan God alleen: hij komt er niet op terug. Voor hem is veel belangrijker dat hij weer met jou verbonden is. Daarom wil hij voor lief nemen wat van jou zo lief niet was. Hij bedekt het met de mantel der liefde. En als God er zo mee omgaat, dan moeten wij onszelf er ook niet mee blijven plagen door het telkens weer op te rakelen.

Elkaar vergeven
Voor christenen en vele anderen is elkaar vergeven iets dat vanzelfsprekend bij het leven hoort. Maar zo gewoon is elkaar vergeven niet. In het Oude Testament komt elkaar vergeven zelfs niet voor. Er zijn maar een paar verhalen waarin zoiets lijkt te gebeuren, bv dat van Jozef en zijn broers (Gen 45: 5-14). Maar als je erop let, dan zie je dat Jozef geen vergeving uitspreekt. Hij ziet af van vergelding, maar vergeving spreekt hij niet uit. De verklaring is eenvoudig: voor oudtestamentisch besef is de heilige rechtsorde aangetast door het kwaad dat mensen elkaar aandoen. Dat kan niemand vergeven, want geen mens gaat daarover; alleen God kan dat. Hij doet dat door de bemiddeling van priesters in de tempel en door Jezus ‘de Zoon des Mensen’ die volmacht heeft om te vergeven.
Daar blijft het niet bij: Jezus op zijn beurt verwacht dat zijn leerlingen elkaar onderling zullen vergeven. Zo komt dat oa in het onze Vader naar voren (Mat 6: 12). In de gelijkenis van de onbarmharige dienaar Mat 18: 21-35 maakt hij heel duidelijk dat wanneer je je schuldenaars niet vergeeft, je Gods vergeving verspeelt en zijn toorn of woede over je afroept. In Mat 6: 14-15 staat dat ook met zoveel woorden te lezen. Zie ook Ef 4: 32 en Kol 3: 13.

We horen geen wraak te nemen als Lamech die pralt dat hij geen zeven keer maar 77 keer wraak neemt (Gen 4: 23-24). We horen evenmin evenredig te vergelden (oog om oog, tand om tand). Het is dan ook geen goede vraag van Petrus hoe vaak we elkaar zullen vergeven (Mat 18: 21; Luc 17: 3-4). God doet dat eindeloos vaak. Dan zullen wij daarin ook royaal zijn. Niet zeven keer zoals Petrus voorstelt, maar zeventig maal zeven keer. Dat betekent in dit verband niet 490, maar zo vaak dat je de tel kwijt raakt. Een mens van liefde denkt niet meer in getallen en evenredigheid. Hij gaat uitbundig te werk. Nog uitbundiger dan Lamech zelfs, maar dan in het vergeven.

Vergeven in de praktijk
De opdracht om te vergeven betekent niet, dat je als gelovige al het kwaad dat je van mensen ondervindt niet erg vindt en maar ‘laat zitten’. Bagatelliseren, door de vingers zien of vergoeilijken heeft niets met vergeven te maken. Het werkt ook niet. Het slachtoffer is beschadigd en moet recht gedaan worden. De schuldenaar moet met zijn gedrag geconfronteerd worden, spijt betuigen, berouw tonen, zijn leven beteren, verantwoordelijkheid nemen, de schade herstellen of vergoeden als het nog kan, desnoods symbolisch.
Normaliter zal de schuldige in zijn hart en geweten wel voelen dat hij iets heeft goed te maken. En dat hij als veroorzaker van de ellende ook als eerste over de brug moet komen. Een spannend gebeuren, want hij heeft geen recht op vergeving. Hij moet maar afwachten hoe het slachtoffer reageert. Maar wanneer het slachtoffer bij het zien van berouw genoegen kan nemen met spijtbetuigingen en een (evt symbolische) schadevergoeding is er veel gewonnen, voor slachtoffer en schuldenaar allebei. De schuldenaar kan weer verder met zijn leven. Hij weet zich ontslagen van zijn schuld. Het slachtoffer is recht gedaan en heeft weer de regie over zijn leven terug. Niet langer wordt hij verteerd door gevoelens van woede en onmacht.

Als er geen vraag om vergeving komt valt er niet te vergeven. Of het slachtoffer moet het aandurven zelf als eerste over de brug te komen en wat voorgevallen is ter sprake brengen bij de schuldige en de kwestie uitpraten.

Eenzijdig vergeven?
Het lukt niet altijd om zover te komen. Als de schuldige niet over de brug komt. Als de schuldige niet meer leeft. Als de schuldige al zo vaak beterschap heeft beloofd dat hij niet geloofwaardig meer is (alcoholisme en andere verslaving). Als het slachtoffer te erg beschadigd is (bv incest). In zulke gevallen is vergeven niet mogelijk. Maar misschien is wel de oudtestamentische lijn haalbaar: net als Jozef afzien van wraak en vergelding en eventuele vergeving over laten aan God. Zo doet Jezus het zelf ook als hij voor zijn beulen bidt “Vader, vergeef het hun, zij weten niet wat ze doen.” (Luc 23: 34). Daarom kan Petrus schrijven (1 Pe 2: 23) Hij (Jezus) werd gehoond en hoonde zelf niet, hij leed en dreigde niet, hij liet het oordeel over aan hem die rechtvaardig oordeelt. In de Bergrede leert Jezus dat we zullen bidden voor onze vijanden (dat ze tot inkeer komen en  we ze op een dag vergeven kunnen) (Mat 5: 38-48).
Nog steeds een moeilijke opdracht omdat je heel wat weerstand bij jezelf moet zien te overwinnen. Maar wel goede raad, want daarmee voorkom je dat je van binnen verbittert en verhardt. Een mooi voorbeeld daarvan is ‘het napalmmeisje’ Kim Phuc. ‘Ik wil niet vasthouden aan mijn haat’ zegt ze in een interview.

Opdracht van de kerk
Het behoort tot de missie van de kerk om mensen bekend te maken met de liefde van God en hen op te roepen in zijn vriendschap te gaan leven (Joh 20: 23). De christelijke gemeenschap heeft ook de moeilijke en gevoelige taak om vast te stellen wat wel en niet zonde is en in bijzondere gevallen de leden aan te spreken op hun gedrag (Mat 18: 15-18).

Onvergeeflijk
God wil en kan alles vergeven, zelfs lasterlijke woorden over God en Jezus. Er is volgens Jezus één uitzondering: voor zonde tegen de heilige Geest bestaat geen vergeving. (Mat 12: 31v). Wat daarmee bedoeld is vind je in de bijbelstudie over dit gedeelte. Als je erover inzit of je tegen Gods Geest gezondigd hebt, dan is het antwoord nee. Je ongerustheid geeft nl al aan dat je besef hebt van zonde en van vervreemd zijn van God. Iemand die tegen de heilige Geest zondigt heeft daar geen last van. Die heeft zich opgesloten in zichzelf en zit ahw potdicht voor God. Die wil niet anders. Dat is onvergeeflijk want hij komt niet tot inkeer en berouw. God kan toch niet zijn koppige wil overrulen en hem tegen zijn zin vergeven?