GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde


Jezus' zelfbewustzijn

Joh 19: 19

Hoe zag Jezus zichzelf?
In eerste instantie ben je geneigd om te kijken naar de titels die Jezus gebruikt om over zichzelf te spreken. Maar daar kleven allerlei bezwaren aan waarvan het grootste is dat de betekenis van de titels lang niet altijd duidelijk is. De naam ‘Christus’ bv (Grieks voor het Hebreeuwse Messias = Gezalfde) had in toenmalige de Joodse wereld zeer uiteenlopend betekenissen. De Farizeeën verwachtten een Messias (maar ook een profeet als Elia en ook het Koninkrijk van God). De Sadduceeën vonden dit juist gevaarlijk gedachtegoed: het zou het Joodse volk gemakkkelijk in een kansloze oorlog tegen de Romeinen storten. De Essenen bij Qumran verwachtten er twee: een koninklijke Messias die de vijanden met geweld uit het land zou verdrijven en een priesterlijke die de tempeldienst zou herstellen. Dat laatste kon de koninklijke messias niet doen, vanwege het bloed aan zijn handen. De Samaritanen verwachten een tweede Mozes als Messias (de zgn Ta’eb). Dan zijn er nog allerlei buiten-bijbelse geschriften als de ‘Psalmen van Salomo’ waarin we weer heel andere Messiaanse verwachtingen aantreffen. Kortom: er lag niet een eenduidige profielschets klaar waaraan de Messias te herkennen is. We zullen van geval tot geval moeten kijken welke betekenis de namen en titels krijgen als Jezus ze gebruikt voor zichzelf.

Zoon des Mensen
Jezus had het vaak over de Zoon des Mensen. In alle teksten met die titel kun je Mensenzoon vervangen door ik (Jezus): hij duidde daarmee niet een ander aan, maar zichzelf. Het bijzondere is dat deze uitdrukking niet als een titel in gebruik was zoals Messias of Zoon van God. Wat betekende die?

  • In de Joodse wereld is het een bekende uitdrukking die in de eerste plaats gewoon ‘mensenkind’ betekent. Zo bv Ps 8: 5 ‘Wat is de mens…het mensenkind dat Gij hem gedenkt?’ De profeet Ezechiël weet zichzelf zo vaak aangesproken door God: ‘Profeteer mensenkind.’ (2: 1.3.6.8 enz). In deze gewone betekenis heeft Jezus het ook over de Zoon des Mensen, bv Luc 7: 34 of Mat 8: 20 waar hij zegt dat de Mensenzoon geen plek heeft waarop hij zijn hoofd kan neerleggen.
  • De uitdrukking herinnert ook aan een visioen van Daniël. In een droom ziet hij iemand als een mensenzoon op een wolk naar ‘de Oude Wijze’ (God) toe te gaan om van hem alle macht over de volken op aarde te krijgen (Dan 7: 13-14). In deze zin heeft Jezus geregeld over zichzelf gesproken: Mc 8: 38; 13: 26; 14: 62.
  • Anders dan Daniël spreekt Jezus van het lijden en sterven dat de Zoon des Mensen te wachten staat Mc 8: 31; 9: 31; 10: 33-34; 10: 45.

Jezus gebruikt bij voorkeur deze ongewone, plechtige uitdrukking voor zichzelf. Hij spreekt liever niet over zichzelf als Messias of Zoon van God omdat deze titels gemakkelijk een politieke en militaire lading krijgen. Dat past niet bij het Koninkrijk dat Jezus bedoelde.

Christus, Messias, Gezalfde; Zoon van God
De titel Zoon des Mensen komt in de rest van het NT nauwelijks voor. Johannes, Paulus en de andere schrijvers noemen Jezus vaak:

  • Christus – Messias – Gezalfde
  • Zoon van God / Zoon van de Vader.

Dat deden ze waarschijnlijk omdat de uitdrukking ‘Zoon des Mensen’ buiten Israel nietszeggend was. Christus en Zoon van God daarentegen waren wel in gebruik als titel. Keizers en koningen werden gezalfd bij hun kroning.  Ze lieten zich Zoon van God noemen. Paulus en andere apostelen konden met deze benamingen duidelijk maken dat Jezus dicht bij God stond en om die reden geëerd en gehoorzaamd diende te worden.
Jezus zelf echter vermeed deze termen zoveel mogelijk: ze hadden vooral een politieke klank en zouden makkelijk tot het misverstand kunnen leiden dat hij een opstand of bevrijdingsoorlog wil beginnen. Om dezelfde reden sprak hij liever niet over zichzelf als ‘ Zoon van David’, een titel met een vergelijkbare betekenis als Messias.

Nazarener/Nazoreeër
Twee namen die veel op elkaar lijken, maar toch heel verschillend zijn, al combineert Mat die beide in 2:23.

  • Een Nazarener is iemand die uit Nazaret komt. Jezus kon zo genoemd worden omdat hij daar opgroeide (bv Luc 4: 34), al woonde hij toen hij de mensen vertelde over over het Koninkrijk van God in Kapernaüm.
  • Een Nazoreeër is iemand die zich vrijwillig toewijdt aan God (Num 6) en zich om die reden van alles ontzegt (geen wijn drinken), rein moet blijven (geen dode aanraken) en herkenbaar is (haren niet knippen). De richter Simson en de profeet Samuël waren Nazoreeërs.

Weliswaar voldeed Jezus niet aan de uiterlijke kenmerken van een Nazoreeër, maar in moreel en religieus opzicht zag men in hem duidelijk iemand die zich aan God had toegewijd en noemde men hem zo (Joh 18: 5. 7. 37; Mat 26: 71; Luc 18: 37 en Hnd 2:22; 3: 6; 4: 10: 6: 14; 22:8; 26: 9). Op de titulus het plankje op het kruis met de beschuldiging – staat zelfs te lezen: “Jezus Nazoreeër, Koning der Joden’ (Joh 19: 19). Deze naam maakte Jezus verdacht: als ijveraar voor Israels God zou men hem voor Koning der Joden kunnen houden en een opstand kunnen beginnen. Vandaar de kruisiging. Door dit op de titulus te vermelden maakten de Romeinen duidelijk dat een opstand kansloos was. Tegelijk dreven ze zo de spot met Jezus, terwijl ze onbedoeld en onwetend de waarheid bekend maakten. Later zouden de eerste christenen ‘sekte der Nazoreeërs (Hnd 24: 5) genoemd worden.

Conclusies
Jezus zichzelf zag als iemand die

  •  Volstrekt aan God is toegewijd: hij wil niets anders dan wat zijn hemelse Vader wil. Als het dingen zijn, waar hij tegenop ziet, zoekt hij de stilte om te bidden (Getsemane, Mc 14: 32). Dat doet hij vaker (Luc 3: 21; 6:12; 9:18 11:1) . Zo bewaart hij de intieme verhouding met zijn God die hij Abba – Vader noemt. Daaruit valt af te leiden dat Jezus zichzelf als Gods Zoon heeft gezien, dwz Gods afgezant, maar hij vermeed het zo over zichzelf te spreken.
    Mc vertelt dat Jezus Gods afgezant werd bij zijn doop.
    Paulus en Johannes nemen deze titel over en nemen een voorbestaan (pre-existentie) van de Zoon van God aan.
  • Bij voorkeur over zichzelf spreekt met de mysterieuze term ‘de Zoon des Mensen’ .
  • Betrokken is bij de beslissende wending in de geschiedenis: de komst van Gods koninkrijk. Dus zal hij zichzelf gezien hebben als Messias en/of Zoon van David door wie Gods rijk aanbreekt (Mc 10: 47v; 11: 9v, 12: 35-37). Dat is ook de beschuldiging van Kajafas (Mc 14: 61v). Deze term zal Jezus vermijden omdat dit koninkrijk niet het resultaat zal zijn van een bloedige strijd van volgelingen onder aanvoering van hemzelf als Messias. Het is letterlijk Gods koninkrijk: God zelf brengt het. (> Koninkrijk van God)
  • Bewust is van het feit dat zijn trouw aan God tegenwerking en vijandschap zal oproepen.
  • Weet dat zijn lijden en dood onvermijdelijk zijn, wil de komst van Gods koninkrijk doorzetten.
  • Nagedacht zal hebben over het lijden dat hem wacht. Vast heeft hij zijn lot gezien als dat van een profeet en/of als een martelaar die zijn leven geeft voor anderen en/of als de lijdende Knecht des Heren. (Daarom zou de jonge kerk ook over Jezus als profeet, martelaar en knecht spreken).
  • Erop vertrouwt dat God hem niet in de steek zal laten, maar zal redden van de dood cq redden uit de dood.