GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Jezus: 4 vC - 33 nC

Hnd 26: 26

Bronnen
Voor Jezus’ levensloop hebben we nauwelijks andere bronnen dan de evangeliën van het Nieuwe Testament. Dat zijn echter geen geschriften die als doel hebben om onze historische nieuwsgierigheid te bevredigen. Ze werden geschreven om het geloof aan Jezus te versterken. De evangelieschrijvers vertellen alleen wat daaraan bijdraagt en gaan vrij en creatief met de stof om. Daardoor zijn er behoorlijke verschillen tussen de vier evangeliën ontstaan, die lang niet altijd zijn te harmoniseren. Voor meer info zie hier.

Een opvallend verschil is er tussen de eerste drie evangeliën en het vierde. Mat, Mc en Luc vertellen dat Jezus één keer naar Jeruzalem reist en daar sterft. Johannes vertelt van meerdere reizen gedurende langere tijd. Voor het vervolg houden we het éénjarige schema van de synoptici aan.

Geboorte en jeugd (Mat 1: 1 – 2: 23; Mc 1: 1-5; Luc 1: 1 – 2: 52)
Jezus groeide op in Nazareth (Galilea) maar werd geboren in Bethlehem (bij Jeruzalem). Vanwege een volkstelling moesten zijn ouders Jozef en Maria zich daar melden. Koning Herodes leeft dan nog. Omdat hij stierf in 4 vC betekent dit dat Jezus al eerder ter wereld kwam. Een bijzonderheid van Mat en Luc is, dat zij vertellen dat Jezus niet door Jozef werd verwekt, maar door de kracht van de heilige Geest. In de rest van het Nieuwe Testament vinden we dat niet.

Over Jezus’ jeugd is zo goed als niets bekend. Lucas vertelt dat Jezus naar Joods gebruik besneden werd op de achtste dag.En van een bezoek aan de tempel op de drempel van de volwassenheid (destijds) als hij 12 jaar is. Jezus heeft broers en zussen, van wie Jakobus de bekendste is. Het is aannemelijk dat hij in een vroom gezin opgroeide waarin de Torah belangrijk was. Eenmaal volwassen wordt hij net als zijn vader timmerman (Mc 6: 1-6). Hij woont in Kapernaüm (Mat 4: 13). Over een huwelijk lezen we niets.

Doop (Mat 3: 1-17; Mc 1: 6-11; Luc 3: 1-22)
Jezus’ publieke optreden begint ermee dat hij zich door Johannes ‘de Doper’ laat dopen in de rivier de Jordaan, waarschijnlijk in de buurt van Jericho. Deze Johannes was een boeteprediker die op korte termijn de ‘dag des Heren’ verwacht, dwz de dag dat God voorgoed orde op zaken stelt op aarde en afrekent met alle kwaad. De mensen zien in Johannes een nieuwe Elia die volgens de profeet Maleachi (4: 5) zou komen als bode of heraut van de Messias. Die Messias zou dan niet veel later komen om het koninkrijk van God te vestigen. Velen gaan naar Johannes om hun zonden af te laten wassen en om gereinigd een nieuw begin te maken. Daarmee zijn ze geschikt voor het rijk dat komt. In zijn kritiek spaart Johannes niet koning Herodes Antipas, die zijn eerste vrouw wegzond om met Herodias – de vrouw van zijn haflbroer – te trouwen. Om die reden laat hij Johannes tenslotte gevangen zetten en onthoofden.

Ook Jezus ging naar Johannes. Waarschijnlijk is bij hem in de voorafgaande jaren het besef gegroeid dat God met hem iets bijzonders voor heeft: de ware betekenis van de Torah uitleggen en voorleven, mensen helpen, Gods wil doen ook als het lijden met zich brengt. Als Jezus daaraan wil beginnen, markeert hij de overgang door zich te laten dopen. Bij die gelegenheid krijgt hij de zekerheid dat hij Gods geliefde Zoon is, toegerust met de heilige Geest (Mc 1: 9; Mat 3: 13-17; Luc 3: 21-22). Daarna verblijft hij 40 dagen en nachten in de woestijn. Teruggeworpen op zichzelf worstelt hij met de vraag wat het betekent ‘Zoon van God’ te zijn. Jezus vat dat niet op als een hoge positie met bepaalde voorrechten, alsof hij geen honger hoeft te hebben, of God om een teken zou kunnen vragen. Hij geeft er deze invulling aan: Zoon van God ben ik door zijn wil te doen. Na deze beproeving is hij helemaal toegewijd aan God om te doen wat hij van hem vraagt.

Galilea (Mat 4: 12 – 18: 53; Mc 1: 14 – 9: 50; Luc 4: 14 – 9: 50)
Na de gevangenname van Johannes (Mc 1:14 en Mat 4: 12) keert Jezus terug naar Galilea: in allerlei dorpen en steden zoekt hij de mensen op. Speciaal degenen die het slecht hebben: verlamden, melaatsen, blinden, doven. Maar ook degenen die er uit liggen: de hoeren en tollenaars op wie de mensen neerkijken. Hij vertelt over het Koninkrijk van God (> Koninkrijk van God) dat komende is. De vele wonderbaarlijke genezingen zijn daar een teken van, evenals de vergeving die zondaren toegezegd krijgen.
Een ander belangrijk thema in de prediking van Jezus is de Zoon des Mensen (> Jezus’  zelfbewustzijn) waarmee hij in enigszins bedekte termen zichzelf aanduidt.

Jezus krijgt veel bewonderaars en aanhangers. Een twaalftal wordt zijn discipelen: leerlingen die voortdurend bij hem zijn om te zien en te horen dat het Koninkrijk van God komende is. Later zendt Jezus hen erop uit om dit bekend te maken (Mc 6: 6-13). Maar Jezus stuit ook kritiek. Vooral van de twee belangrijkste religieuze groeperingen: de Farizeeën (vrome lekenbeweging) en de Sadduceeën (priesterklasse). Hun bezwaren gelden vooral zijn uitleg van de Torah. Al in Galilea groeit de vijandschap zodanig, dat Jezus enige tijd naar het over-Jordaanse gaat (Mc 7: 24-37).

Petrus is de eerste die in Jezus meer ziet dan de beloofde Elia of een andere profeet (Mc 8:27-30). Bij die gelegenheid spreekt Jezus voor het eerst over het lijden en sterven dat hij moet ondergaan. Wanneer Petrus daar bezwaar tegen maakt, neemt Jezus hem met Jakobus en Johannes mee een berg op. Daar wordt hun duidelijk dat hij de Zoon van God is. Toch blijft hij van lijden en sterven spreken. Hij ziet dat als een goddelijk moeten. Gods Zoon zijn en lijden horen wat Jezus betreft bij elkaar. (> subpagina) Hierna gaat hij welbewust op weg naar Jeruzalem.

Onderweg (Mc 10: 1-52; Mat 19: 1; Luc 9: 51 – 19: 27)
Het valt niet uit te maken of Jezus op zijn reis naar Jeruzalem door Samaria is getrokken (Luc 9:51-56) of dat hij het gebied links heeft laten liggen (Mat en Mc). Vrome Joden trokken vaak via het overjordaanse naar het zuiden om ter hoogte van Jericho de Jordaan weer over te steken om dan letterlijk ‘op te gaan’ naar Jeruzalem dat een kilometer hoger ligt.

Chronologie
Voor wat nu volgt is het belangrijk om te weten dat de Joodse dag in de avond begint: als de zon is onder gegaan, is de dag voorbij. In het  eerste donker van de nacht begint de nieuwe dag.
Verder moet je weten dat het Joodse Pesach-feest altijd op de 14-de van de maand Nissan valt. Dat kan dus elke dag van de week zijn en in dit geval viel Pesach op de dag vòòr sabbat.
Op de dag vòòr Pesach moesten alle voorbereidingen voor het feest getroffen worden, bv het slachten van de paaslammetjes.
Ook nu is er weer een verschil tussen de evangelieschrijvers. Bij Johannes sterft Jezus op de voorbereidingsdag, bij de synoptici op de dag van het Pesach feest. We blijven bij de chronologie van Mat, Mc en Luc.

Juda en Jeruzalem (Mc 11: 1 – 16: 8; Mat 19: 2 – 28 :20; Luc 19: 28 – 24: 53)
Jezus komt met vele pelgrims aan in Jeruzalem de week voorafgaande aan het Joodse Pesach feest. Hij wil dus dat zijn lijden en sterven met dit feest geassocieerd wordt en niet met een ander feest als bv de grote verzoendag. Zie ook hier.

Na het feestelijk onthaal in de stad bezoekt Jezus de tempel. Hij protesteert tegen de kooplieden aldaar door hun handel te verstoren. Alle dagen is hij in de tempel te vinden en leert hij de mensen. Ondertussen hebben zijn vijanden besloten om Jezus uit de weg te ruimen. Ze vinden Judas bereid om tegen betaling Jezus aan hen over te leveren.

De voorbereidingsdag (bij ons witte donderdag)
Mat, Mc en Luc vertellen dat Jezus op de voorbereidingsdag voor het laatst een maaltijd met zijn discipelen houdt. Hij bindt hun op het hart dat ze in de toekomst hem zullen gedenken bij het breken van het brood en het delen van de beker met wijn. (> avondmaal).

De 14-de Nisan, Pesach (bij ons goede vrijdag)
Bij het vallen van de nacht, dus aan het begin van de volgende dag (= op het Joodse Pesachfeest) vertrekt Jezus met zijn discipelen muv Judas naar de Olijfberg om daar in de hof van Getsamane te bidden. Daar wordt hij gevangen genomen door  soldaten die zich door Judas laten gidsen. De discipelen vluchten weg, maar Petrus volgt de soldaten die Jezus naar het huis hogepriester Kajafas (in functie van 18 tot 36 nC) brengen. Daar wordt Jezus ondervraagd en ervan beschuldigd dat hij zichzelf voor (de Zoon van) God houdt. Daarop staat de doodstraf.

Het Sanhedrin mag de doodstraf niet uitvoeren zonder toestemming van de Romeinse bezetter. Daarom gaat men naar Pilatus, de stadhouder van Jeruzalem van 26-36 nC. Omdat de aanklacht van godslastering op Pilatus maar weinig indruk zal maken, beschuldigen ze Jezus nu van staatsgevaarlijke activiteiten: hij zou verboden hebben de keizer belasting te betalen en zichzelf voor koning van de Joden uitgeven. Pilatus vindt de beschuldigingen ongegrond. Onder druk van de aanwezigen zwicht hij echter en laat hij Jezus kruisigen. Het bordje op het kruis (de zgn titulus) vermeldt de aanklacht: Jesous Nazaraios, Rex Judaeorum (INRI) – Jezus de Nazareeër, Koning der Joden. Ongeveer het negende uur van de dag sterft Jezus, dat is halverwege de middag.
Er zijn verschillende jaren dat de 14-de Nisan direct gevolgd wordt door een sabbat. Het jaar 33 nC is het meest waarschijnlijk, maar ook 30 nC is mogelijk.

Ene Jozef van Arimathea krijgt van Pilatus toestemming om het lichaam van Jezus van het kruis te halen en in een graf te leggen. Tijd voor een fatsoenlijke begrafenis ontbreekt. De dag is voorbij, de sabbat breekt aan.

De sabbat (bij ons stille zaterdag)
De sabbat is een rustdag: dan gebeurt er niets.

De eerste dag van de nieuwe week (bij ons paaszondag)
Bij het ochtendgloren van de eerste dag van de nieuwe week gaan vrouwelijke volgelingen van Jezus naar het graf om zijn lichaam te balsemen. Zij ontdekken dat de steen van het graf is weggerold en dat het graf leeg is. (>subpagina) Zij vertellen dat de Heer leeft en aan hen verschenen is.