GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

De mens die God weerspiegelt

Mat 16: 13-20

Het probleem
In de bijbel lezen we dat de mensen (Adam, mensheid) gemaakt zijn naar Gods beeld en gelijkenis (Gen 1: 26). Dat is een manier om te zeggen dat we Gods kinderen (vgl Gen 5: 1-3) zijn, zonder het woord kind te gebruiken, want dat zou de suggestie wekken dat mensen door God verwekt, gegenereerd zijn zoals de volken buiten Israel aannemen.
Als Gods kinderen zijn we bedoeld om Hem te vertrouwen en te dienen. Om te leven in het licht van zijn liefde. Om vervolgens Gods liefde te weerspiegelen in liefde en zorg  voor elkaar en en in het bewerken en bewaren van de schepping. Dan zijn we mensen van geloof, hoop en liefde. We zijn dan ook in die zin beeld van God dat  zodoende het licht niet op onszelf valt, maar God zichtbaar wordt in onze wereld. Jezus herinnert daaraan in het begin van de Bergrede (Mat 5: 16).
Maar precies op dat punt is het met Adam, met alle mensen, misgegaan. Wij ervaren Gods liefde en nabijheid niet meer. We missen de bodem onder ons bestaan. We voelen zinloosheid, schuld, en angst voor de dood. Die nare gevoelens proberen we te bezweren met geld en bezit, met wetenschap en techniek, met wapens en geweld. Daar zoeken we ons houvast en ons leven bij. Het zijn de goden van onze tijd. Maar we vinden er niet echt het vertrouwen (geloof) om te leven en te sterven. Ipv mensen van hoop te zijn, leven we zonder verwachting van de ene dag in de andere. Ipv mensen van liefde te zijn, worden we egocentrisch: heel druk met ik, mij en mezelf.
Natuurlijk is dat niet het hele verhaal. Er is gelukkig ook liefde, geduld, zorg en aandacht voor elkaar. Maar die donkere kant is er wel degelijk. Daarom is er zo weinig van God te zien in onze wereld. We maken hem zelf onzichtbaar.

Jezus
Dit is het bijzondere van Jezus: hij leeft in het licht van Gods liefde. Hij voelt hoe God hem draagt en nabij is. Die verbondenheid zoekt hij keer op keer op als hij gaat bidden. Daarom heeft hij geen last van die slechte eigenschappen. Zo is hij de ware mens, een nieuwe Adam.
Dat is trouwens niet omdat hij geen mens is zoals wij dat zijn. In het verhaal van de verzoeking in de woestijn (Mat 4:1-11) blijkt dat hij gevoelig is voor honger, een teken van God, de macht en rijkdom van de wereld. Maar hij geeft aan de verleidinig niet aan toe. En op het laatst, in de hof van Getsemaneh (Mat 26: 36-46) is hij wel degelijk bang voor het lijden dat hem te wachten staat. Maar opnieuw geeft hij er niet aan toe. Hij heeft zich aan God toegewijd en laat zich leiden door wat God van hem vraagt.
Dat zien we terug in de hoofdstukken daartussen. Wat is hij goed voor armen, zieken, hongerigen. Hoe heeft hij oog voor hoeren en tollenaren. Hij weet hen te bereiken met de liefde van God. En wat knappen ze daar van op! Hij is als een kristalhelder raam waardoor de liefde van God voor mensen zo maar hun levens binnenvalt.
Ieder mens zou zo’n helder raam moeten zijn. Maar wij zitten te vol van ‘ik, mij en mezelf’. En dan laten we meer van onszelf zien dan van God. Dat is het grote verschil tussen Jezus en ons. Hij wil er helemaal voor God en voor ons zijn. Daarom heet hij in de bijbel ‘Zoon van God’. Hij is sprekend zijn hemelse Vader.

Aanwijzingen
Als je erop let zijn er in de evangeliën allerlei voorvallen waaruit dat blijkt:

  • Hij noemt God – hoogst ongewoon in die tijd – Abba – Vader (Mc 14: 36)
  • Hij spreekt een aantal mensen aan om hem te volgen en ze laten alles uit handen vallen en worden zijn leerlingen/discipelen. (Mat 4: 18-22). In de joodse wereld van toen ging het precies omgekeerd: leerlingen meldden zich aan bij een rabbi om diens leerling te worden.
  • Als hij de Joodse bijbel uitlegt en toepast op het dagelijkse leven, dan voelen de mensen dat Jezus met veel meer gezag spreekt dan de schriftgeleerden (Mat 7: 28)
  • Wanneer hij het over de geboden van Mozes heeft, en die nieuw uitlegt, dan zegt hij telkens “Maar ik zeg u”. Daarmee plaatst hij zich boven Mozes en de uitleg die eerdere rabbi’s gegeven hebben. (Mat 5: 17-48)
  • Hij verricht genezingen (Mat 8) en andere wonderen (Mat 14)
  • Hij doorziet de mensen (Mat 12: 25)
  • Hij zegt mensen vergeving van hun zonden toe, alsof hij God is. (Mc 2: 7)
  • Hij wordt vaak Heer (Kurios) genoemd, soms is dat bedoeld als gewoon ‘ meneer’  maar soms klinkt daar de naam van Israels God in door.
    En zo is er nog veel meer. Om er nog één te noemen:
  • In het Johannes- evangelie staan 7 ‘Ik ben’ uitspraken. Bv ‘Ik ben de goede herder’. Dat ‘ik ben’ staat er in de oorspronkelijke Griekse taal heel opvallend. Het herinnert aan de naam Jahweh (Ik ben) waarmee God zich aan Mozes openbaart (Ex 3: 14)

Andere titels?
Er zijn ook wel andere titels voor Jezus als rabbi (meester of leraar), profeet of wonderdoener. En daar zit ook wel waarheid in. Zoals het ook prima is om hem een voorbeeld van een goed mens te vinden. Maar het unieke van Jezus komt zo niet in beeld. Petrus heeft het geheim van Jezus goed geraden als hij zegt “U bent de Christus, de Zoon van de levende God” (Mat 16: 13-20). Andere titels brengen hetzelfde hoge, unieke van Jezus naar voren: hij is het Beeld van God (2 Kor 4:4), het Woord van God (Joh 1: 1-14), het evenbeeld, de afdruk van God (Hebr 1: 3). In Jezus hebben we met God te maken. Zonder deze nauwe band tussen Jezus en God valt het evangelie niet te begrijpen.

Share on facebook
Share on linkedin
Share on reddit
Share on tumblr
Share on whatsapp
Share on skype
Share on email
Share on print