GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Comfortgeloof

Jac 1: 27

Algemeen
In elke bekende cultuur zijn sporen van religie aangetroffen. Men begroef de doden en gaf hun giften mee. Men vereerde de zon, de maan, de sterren. Men bracht offers om een goede oogst, een veilige vaart of de overwinning in de oorlog te krijgen. Men is bezig met dromen en andere tekenen die de toekomst voorspellen.
De wereld om ons heen geeft volop aanleiding voor geloof en godsdienstigheid. Wie heeft de natuur en alles gemaakt?
Verder kunnen we ons verwonderen over de loop van ons leven en de geschiedenis. Worden we geleid? Staat mijn lot in de sterren geschreven? Of ligt de toekomst open?
En tenslotte kunnen we ons verwonderen en nadenken. Dat ik er ben. Dat er überhaupt iets is en niet niets! Waar komen wij vandaan? Waar blijven wij als we sterven? Wat is de zin van het leven en van mijn bestaan? Wat is de basis van goed en kwaad? Wat de bron van het schone en ware?

Buiten Israël
In geloof en godsdienstigheid is de mens met deze vragen bezig. Hij zoekt een manier om met de werkelijkheid en het feit van zijn bestaan om te kunnen gaan. Grafrituelen, verering van de zon, droomuitleg, offers enz geven hem een houvast. Zo voelt hij zich comfortabel.
Vanuit de Joods-Christelijke traditie wordt deze godsdienstigheid meestal bekritiseerd. Vooral wanneer stukjes natuur als goddelijk werden vereerd. Dat geldt als afgoderij en heidendom (Rom 1 en 2). Maar er is ook een zeker begrip en respect. Paulus probeert aan te sluiten bij het geloof van de Atheners (Hnd 17).

Israël
Binnen het Joodse geloof zoekt men het houvast niet in natuur, geschiedenis of denken, maar in het verbond met God en de wet van Mozes die daarbij hoort. In vertrouwen op God en gehoorzaamheid aan zijn geboden verwacht Israel geluk en zegen.
Door de ik-gerichtheid of zelfzucht (zonde) gaat men echter niet goed met verbond en wet om. De wet of Torah verwordt tot een middel dat gerust stelt (we hebben een stad, een tempel enz – dus ons kan niets gebeuren), een vroom gevoel geeft (hoor mij eens bidden) en een goed zelfbeeld oplevert (ik ben een veel beter mens dan die en die). Allemaal vormen van comfort.

Kerk
Binnen de kerk komen deze ontsporingen ook voor, maar daar blijft het niet bij. Dat komt omdat de kerk missionair is: ze probeert alle volken te winnen voor het christelijk geloof. Daarom zoekt de kerk aansluiting bij taal, cultuur en manier van denken. Dat moet ook, hoe zou je anders het evangelie kunnen overbrengen? Maar vaak is het niet aansluiten bij (zoals Paulus in Athene probeert), maar het uitgangspunt nemen in wat men op dat moment geldig vindt.  Verder bouwen op de heersende ideeën over waarheid en kennis van de werkelijkheid. Op twee manieren zocht men naar een gemeenschappelijke bodem:

  • Je kunt puur door te denken filosofische uitspraken over God doen. Je komt dan bv uit bij God als het ‘hoogste zijn’ of ‘de onbewogen beweger’. Dat is een heel abstract Godsbeeld. We zijn hier ver verwijderd van het concrete bijbelse spreken over God, dat hem als Jahweh en Vader van Jezus Christus presenteert.
    We noemen dit ‘Natuurlijke Theologie’ omdat ieder mens, gelovig of niet, van nature dit over God zou kunnen bedenken. Het zou gaan om ‘aangeboren godskennis’ die bewust gemaakt moet worden.
  • Je kunt door de natuur of de geschiedenis te bestuderen proberen aan te tonen dat God bestaat en hoe hij is. Je komt dan bv uit bij God als ‘Schepper’ of ‘eerste oorzaak’. Opnieuw zijn we ver van het realistische spreken van de bijbel over God als Schepper en Heer van de geschiedenis.
    We noemen dit ‘Algemene Openbaring’ omdat het niet gebaseerd is op de bijbel (die alleen voor gelovigen gezag heeft), maar op de werkelijkheid om ons heen die voor iedereen, gelovigen en ongelovigen, toegankelijk is.

Problematisch
Deze inzet is om meerdere redenen problamtisch:

  • Zo is bij voorbaat al van alles over God gezegd. Het lukt daarna niet goed om dat nog in verband te brengen met wat de bijbel vertelt over God. Dat hij spreekt en handelend optreedt, zich verbergt, om mensen bewogen is, zich verbidden laat, zijn koninkrijk wil vestigen en in kruis en dood van Jezus de overwinning behaalt op de tegenmachten, door zijn Geest mensen voor zich inneemt enz, dat is allemaal vers twee. Het zou echter fundamenteel en alles bepalend moeten zijn voor het geloof in God
  • Het gaat steeds meer om de mens draaien en minder om God. De mens neemt ahw God in dienst  om zijn angst voor de dood te bezweren, om van zijn gevoel van schuld en falen af te komen, om zijn idealen te sanctioneren (Comfortgeloof).  Dat het ook andersom zou kunnen zijn en God de mens aanspreekt (zo bij Adam, Abraham,  Mozes, de profeten, Paulus) en er daardoor een heel nieuw licht valt op zijn handel en wandel, zijn vragen en behoeften, komt niet in beeld (Kruisgeloof). In vogelvlucht:

Oudheid en Middeleeeuwen
In de Oudheid is het vooral Augustinus (354-430) die op basis van de filosofie van Plato het geloof probeert te verantwoorden. In de Middeleeuwen zou Thomas van Aquino (1225-1274) dat doen mbv de filosofie van Aristoteles. Volgens Thomas kan ieder mens van het bestaan van God weten. Hij levert er zelfs vijf godsbewijzen bij. Door het geloof wordt deze kennis aangevuld met de leer van de drie-eenheid. Zo gaat het bij Thomas overal: er zijn bv algemene deugden en daarbovenop theologische deugden. Het getuigt van veel optimisme: de mens zoekt van nature God en de kerk helpt hem met het geloof verder.

Na de middeleeuwen
De reformatoren Luther (1483 – 1546) en Calvijn (1509-1564) delen dit optimisme niet. Zij benadrukken dat de mens op de loop is voor God. Voor zijn redding is wel wat meer nodig dan het aanvullen van zijn natuurlijke kennis, nl. bevrijding en bekering.
In deze eeuwen heeft men in de Roomse en Protestantse wereld nauwelijks vragen bij het bestaan van God. Zon, maan en planeten, het leven op aarde enz, dat zit zo knap in elkaar, dat wijst op een Maker. Er is wel in toenemende mate kritiek op godsdienstigheid en de kerkelijke praktijk, bv Voltaire.

Kant
Een grote verandering brengt Kant met zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’  (1781) te weeg. Volgens Kant bestaan ruimte en tijd, oorzaak en gevolg niet objectief, maar zijn het denkvormen waarvan het verstand gebruik maakt. De rede legt die aan de werkelijkheid op. Een wetenschapper onderzoekt en beschrijft hoe de dingen zich aan hem voordoen. Hoe de werkelijkheid ‘echt’ (op zichzelf) is, kan niemand weten. Laat staan dat iemand God zou kunnen kennen. Toch zegt Kant niet dat God niet bestaat. Volgens hem behoort God tot de wereld van de moraal. Het functioneren van moraal en ethiek veronderstellen het bestaan van God en de onsterfelijke menselijke ziel.
Sindsdien probeert de moderne (liberale) theologie het christelijk geloof zo te presenteren dat het aansluit op wat filosofie en wetenschap redelijk vinden. Daarmee zou het geloof aanvaardbaar zijn voor mensen die hun verstand gebruiken (Schleiermacher) en een weerwoord hebben op de aanvallen vanuit het atheïsme. Op een andere manier gingen traditionele theologen deze uitdaging aan. Maar er zijn ook theologen die hier niets in zien, bv Pascal, Kierkegaard en Kohlbrugge.

Twintigste eeuw
De eerste wereldoorlog betekent het failliet van de liberale theologie. De mens is toch niet dat redelijke, goedwillende wezen dat mbv God en het geloof zichzelf ontplooit en de wereld vooruit helpt. Karl Barth en anderen benadrukken de duistere kant van de mens. Er ligt in de mens niet een ‘anthropologisch vloertje’ om het geloof op aan te laten sluiten. De bijbel laat zien dat het geloof van buitenaf komt, van boven: God neemt het woord en daarmee komt direct ook de aansluiting tot stand. Hij spreekt de mens aan en deze voelt zich aangesproken en kan niet anders dan antwoord geven. Of dat nu instemmend, gehoorzaam geloven is of verwerpend nee-zeggen. Dit verticale moet de inzet zijn voor wie uit de bijbel preken en voor theologen die het geloof willen verantwoorden en verdedigen tegen het atheïsme. In Nederland zijn het vooral Noordmans en Miskotte die deze methode elk op hun manier overnemen.

De tweede wereldoorlog met de schandalige, weloverwogen en fabrieksmatige moord op zes miljoen Joden uitgevoerd door burgers van één van de meest beschaafde landen in christelijk Europa, veroorzaakt een crisis in de theologie. Hoe is er nog te spreken over God? Bonhoeffer schrijft in zijn gevangenisbrieven: “Onze kerk….is niet in staat het verzoenende en verlossende woord te brengen aan de wereld en de mensen. Daarom moeten de oude woorden wel hun kracht verliezen en verstommen. Ons christen-zijn zal in deze tijd bestaan uit slechts twee elementen: bidden en onder de mensen het goede doen.” Dat zijn woorden die zouden inspireren tot de ‘god-is-dood-theologie’ van de zestiger jaren en daarna.

Tegenwoordig
Vanuit het atheïsme komt niet echt een reactie op Barth en Bonhoeffer. Het richt zich meer op het traditonele geloof, dat als volgt is te omschrijven. Er bestaat een hoogste wezen, de Schepper die alles gemaakt heeft en in stand houdt. Hij is hoog en verheven (transcendent), almachtig, alwetend en bestuurt alles. Regen en droogte, ziekte en gezondheid enz. dat is allemaal zijn wil. Een mens kan wel bidden om hulp. Soms zal God op wonderlijke wijze ingrijpen en dat gebed verhoren. Maar vaker moet de mens zich neerleggen bij hoe het is en wat er gebeurt. Deze God is toornig over de zonden van mensen. Door het bloed van Jezus wordt hij weer gunstig gestemd. Wie dat gelooft, mag later in de hemel komen. Dat is de bestemming van mensen. Tenminste: van de mensen die God daarvoor heeft uitverkozen. De anderen zijn verworpen en gaan verloren in de hel.

Dit is in veel opzichten een comfortabel geloof:

  • Men hoeft de maatschappelijke ongelijkheid niet aan te pakken.
  • Het legt een geschiedenis van kolonialisme, slavenhandel, oorlog voeren geen strobreed in de weg.
  • Het troost de verliezers (armen, zieken en gehandicapten, vrouwen) met een hemel later.
  • Het biedt iedereen met een slecht geweten vergeving door te wijzen op het offer van Jezus. Als je dat voor waar aanneemt, is het al goed. Het hoeft niet echt iets met je te doen (goedkope genade).

Dit is het geloof waar velen in de kerk op zijn afgeknapt. Ze voelen zich hier niet comfortabel meer bij. Veel mensen die nog wel bij de kerk zijn, zitten er ook mee. Zij willen wel geloven, maar als ze eerlijk zijn voor zichzelf, voelen ze vooral onzekerheid. Zij vragen zich af wie of wat ze bedoelen als ze het woordje God gebruiken. Waar je wel en niet voor bidden kunt. Of bijbelse waarden en normen over bv geslacht en sexualiteit niet achterhaald zijn. Wanneer God bij je is en hoe je dat zou kunnen ervaren. Of je nog in wonderen kunt geloven. Hoe je Gods werk en invloed op mens en wereld moet zien. Zij zoeken naar zin en betekenis voor het hier en nu; het leven na de dood houdt hen niet zo bezig. Deze mensen worden in de kerk slecht bediend. Het lijkt of er geen andere keus is dan die tussen ongeloof (atheïsme) of blijven bij het oude (al dan niet in een modern jasje).

Een alternatief
Maar er is wel een alternatief: kruisgeloof. Het bijzondere van kruisgeloof is namelijk dat het zijn uitgangspunt niet neemt in het denken (natuurlijke theologie) of in de werkelijkheid van natuur en geschiedenis (algemene openbaring). Het zet in bij de bijzondere openbaring van God in Jezus en in de bijbel.