GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

meditaties kerkbode

Hoe lief’lijk is uw woning (Ps 84: 2v)

Ps 84: 2-3
Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten.
Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER.
Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God.

Een van de gevolgen van Corona is dat we niet naar de kerk kunnen. Die ziten dicht. Misschien dat die binnenkort weer open gaat voor kleine groepen. In de Höftekerk passen 68 mensen op de begane grond als ze 1,5 m afstand houden. Dat is niet veel. En dan mag je ook nog niet zingen.

Gelukkig was het de afgelopen maanden mogelijk om thuis naar een kerkdienst te kijken. Dankzij you tube en heel wat vrijwilligers konden we toch ons geloof beleven en iets van saamhorigheid ervaren. Alle waardering daarvoor. Maar dan besef je eens te meer hoe fijn het altijd was om echt bij elkaar te komen, van het orgelspel te genieten, je kerkburen te groeten, samen te zingen, geboeid naar een preek te luisteren, de overledenen te gedenken, voor hun families te bidden, de zegen te ontvangen, de koffie en het gesprek nadien. We wisten niet half hoe goed we het hadden! En wat kun je ernaar verlangen dat de kerk weer open gaat en we als vanouds samenkomen om ons geloof te beleven en dichtbij God te zijn.

In Psalm 84 vinden we zo’n zelfde verlangen, zo hevig zelfs dat het smachten heet. Het is een pelgrimslied. Israelieten zongen het onderweg als ze hun dorpjes en stadjes achterlieten om naar Jeruzalem te gaan, waar de tempel staat. Een reis van dagen. Met ontberingen ook: zie maar eens dat dal van balsemstruiken (vs 7), van dorheid door te komen. Maar zulke moeilijkheden wakkeren het verlangen bij de pelsgrims alleen maar aan. Zij zingen zich erdoor, het wordt voor hen een oase.

Wat is het dat de pelgrims zo trekt? In de tempel weten ze zich dichtbij God, die in deze psalm Here, God der heerscharen heet (vs 2, 4, 9 en 13). Dat is een titel die aangeeft dat God over een leger van engelen beschikt, dat hij een schild is (vs 10 en 12) om zijn volk te beschermen.

Is dat niet precies wat wij ook zoeken in de kerk? Even dichtbij God te zijn om te horen waar het op aankomt. Weer zijn vrienschap ervaren. Je beschermd en veilig te voelen. Je gezicht gezien (vs 10), je naam gekend, jij ten diepste geborgen in Gods liefde en trouw. Dan durven en kunnen we corona, balsemstruiken en andere dalen van dorheid, die zich op onze levensweg aandienen, wel aan.

Waar vind je dat behalve op zondagmorgen in de kerk? Op fabriek en kantoor, in het uitgaansleven, op vakantie? Ik dacht het niet. Waarmee ik niet wil zeggen dat werk, uitgaan en vakantie niks zijn. Integendeel. Maar de bijbel gaat er niet open en het evangelie wordt er niet gespeld. Daarvoor moet je in de kerk zijn.

Wij hebben deze verbinding met God, de bron van het leven zo nodig om mensen van geloof, hoop en liefde te zijn. Ik hoop dat de corona gauw weg is en wegblijft, zodat we samen voor God kunnen verschijnen in zijn huis.

Handelingen 9: 17

Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’ 18 Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, 19 en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten. (Hand 9: 17.)

Het kan verkeren: zo ben je een vervolger van de christenen en van de een op de andere dag ben je de zendeling van de jonge kerk. Als je het in de bijbel naleest, lijkt het of het Saulus allemaal overkomt, alsof hij er zelf door werd verrast. Maar als zijn bekering volkomen onverwacht is, als een donderslag bij heldere hemel, dan is dat voor ons wel een heel vreemde geschiedenis, die wij niet mee kunnen maken. Zou een bekering echt zo zonder voorbereiding gebeuren? Bij nader inzien is dat ook bij Saulus niet het geval. In de eerste plaats wist hij alles af van het evangelie.

Hij had zich er grondig in verdiept. En als knappe rabbijn ging hij de discussie met de jonge kerk niet uit de weg. Onderweg naar Damascus om de christenen daar te bestrijden is hij met deze dingen bezig. Het broeit in hem. En dan opeens breekt het licht door (oogverblindend) en ontdekt hij wat christenen toch in het evangelie zien. Het tweede is het verrassende optreden van Ananias. Hij gaat naar het huis waar de gevreesde Saulus verblijft en hij begroet zijn vijand met ‘broeder’. Dan gaan Saulus de ogen open. Het kwartje is gevallen.

De kerk in ons land heeft de wind tegen. De belangstelling neemt af. Bekeringen zijn zeldzaam. Er zijn vele oorzaken geopperd. Eén die ik niet zo vaak hoor is deze: zou het er mee te maken, dat wij als kerk zo onopvallend, zo weinig irritant zijn? Waarom zou iemand die niet gelooft zich druk maken om het evangelie of om de kerk? Waarom zou hij of zij er tegen in gaan als ooit Saulus? Als wij ‘buitenstaanders’ niet prikkelen, gaat het ook niet broeien en dan komt het niet verder.

Waar blijven gedurfde uitspraken van de kerk over geloof, over waarden en normen? Waar de verrassende daden? Hebben we niets te zeggen over de tijdgeest, over vereenzaming, over hebzucht, over drankmisbruik, over oppervlakkigheid, over islam en andere geloven, over het behoud van de schepping? Ik hoop dat we het nieuwe seizoen bij mensen aan de rand, en bij buitenstaanders onrust zullen veroorzaken en uitdagend zijn door van het verkeerde duidelijk afstand te nemen en voor het goede te gaan.

Dat is de ene helft. Daar kan het niet bij blijven. Een uitdagende opstelling in woord en daad is niet genoeg om anderen over de streep te trekken. Dan zijn er mensen nodig. U en ik die laten merken dat we om de ander geven. De kerk is er niet om alleen maar op te vallen en de ander te irriteren, laat staan een slecht gevoel te bezorgen. Tenslotte is het Ananias die Saulus over de streep trekt. Als hij hem opzoekt en met vrede begroet, weet Saulus dat het echt is. Zo zijn wij geroepen het evangelie voor te leven en te delen met anderen.

 

(kerkbode okt 2007)

Wij hopen (bij de start van een nieuw seizoen)

Als u dit leest is het nieuwe seizoen al weer enkele weken op gang. Het thema dat de PKN voor dit jaar hanteert is “wij hopen”. Dat is de tweede uit het rijtje van geloof, hoop en liefde dat we van I Kor 13 kennen.

Hopen is met verlangen uitzien naar iets dat je graag wilt. Iemand die op de uitslag van zijn examen wacht hoopt dat hij het gehaald heeft. En als hij zich niet goed heeft voorbereid, zal hij ondertussen vrezen dat hij gezakt is. In die zin is vrees het tegenovergestelde van hoop.

Waarop hopen we als christenen?

Zoals alle mensen hopen christenen op beterschap als ze ziek zijn, op werk als ze zonder baan zitten en dat het weer goed komt als er ruzie was. Dat is allemaal heel natuurlijk en het is goed om daar op te hopen en je ervoor in te zetten. Tegelijk: op deze dingen hopen alle mensen. Je hoeft er geen gelovige voor te zijn.

De bijbel leert op andere dingen te hopen: God zal voltooien het werk dat Hij op de Paasmorgen is begonnen: de komst van Christus, de herschepping van hemel en aarde, alle tranen gewist, de dood voorgoed overwonnen, leeuwen die stro eten, zwaarden die tot ploegscharen omgesmeed worden, bomen die 12 keer per jaar vrucht geven, zachtmoedigen die de aarde beërven, een verheerlijkt lichaam en het eeuwige leven.

In zulke en nog veel meer beelden geeft de bijbel ons een geweldig perspectief. Het nieuwe leven door Christus gewekt komt er hier en nu nog maar zo moeizaam uit. Liefde, vrede, vertrouwen, vreugde krijgen nauwelijks een kans. Door omstandigheden. Of omdat je jezelf in de weg zit. Of door anderen. Maar eens zal het volop aan het licht komen. Ongehinderd door karakterfouten. Zonder angst voor wat anderen zullen zeggen en doen. De vijanden van het geloof zijn verdwenen. Daarom is het goed je best voor het geloof te doen: je bent met iets bezig dat toekomst heeft. Je vergist je niet als je probeert het nieuwe leven, door de Geest van Christus gewekt, ruimte te geven. Het is het meest zinvolle dat je kunt doen. De moeilijkheden van dit leven vallen in het niet bij de heerlijkheid die op ons wacht schrijft Paulus ergens.

Dan zien we nog een verschil tussen alledaagse en christelijk hoop. Voor gewone hoop heb je zo je redenen: ik kom er wel weer bovenop, want ik ben nog jong, en heb altijd gezond geleefd. Ook je karakter speelt een rol: iemand die optimistisch is, schat zijn kansen hoger in dan iemand die pessimistisch van aard is.

De christelijke hoop gaat helemaal voorbij aan hoe wij onze kansen inschatten. Ons zonnige of sombere karakter doet er ook al niet toe. Een christen weet (gelooft) van het kruis van Jezus. Hoe God daar deelde in het lijden en sterven van mensen. Hoe God in Jezus al die vijandschap tegen hem heeft willen verdragen om het weg te dragen. Dat alles komt aan het licht op de Paasmorgen. Toen en daar heeft God de beslissende klap uitgedeeld aan de macht van zonde, schuld en dood. De overwinning zal vroeg of laat volgen. Net zoals op Decision-day (6 juni 1944) onafwendbaar Victory-day (5 mei 1945) volgde. Gelovigen hebben verder geen redenen meer nodig.

Daarom is het symbool van de hoop is het anker: Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. 19 Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel… (Hebr 6, 18v). Een anker houdt een schip op zijn plaats als het stormt en waait. Tenminste: als het anker niet zomaar op de zandbodem van de zee ligt. Dan neemt de stroom het schip mee. Het anker woelt dan alleen maar zand om. Maar als het achter een stevig rotsblok blijft haken, dan kan het stormen wat het wil, het schip blijft op zijn plaats. Zo is het ook met ons. Wij gaan voor anker bij de rots van Golgotha en van het lege graf (Gez 440). Onze hoop staat of valt niet met succes en vooruitgang. Wij zeggen niet: onze zieke kerk, onze geplunderde aarde, onze verscheurde mensheid komt er vast wel weer boven op, als we maar heel erg ons best doen. Dat is het beste recept voor wanhoop, cynisme en onverschilligheid. Wij hopen heel eenvoudig dat God het werk dat Hij begonnen is op de Paasmorgen zal voltooien. Daarom blijven we gewoon voor de vrede leven. En met vreugde doen wat we kunnen voor elkaar, voor onze gemeente, voor de wereld waarin wij leven. Trouw en volhardend. Zo houden wij de lofzang gaande. Tot het eindelijk zover is.

Ds. de Lange