GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

boekbesprekingen

Trees van Montfoort, Groene Theologie

Trees van Montfoort, Groene Theologie
Middelburg, 2020 (tweede druk)

Vorig jaar verscheen ‘Groene Theologie’ van Trees van Montfoort. Het boek kreeg goede kritieken en een jury riep het uit tot ‘het beste theologische boek van 2019’.
Zoals de titel al aangeeft, gaat de auteur in op natuur, milieu, planten en dieren en de zorgen die we daar over hebben. Om maar wat te noemen: de vervuiling van water, lucht en bodem, de verwoesting van het regenwoud, de stijgende zeespiegel, het uitsterven van planten- en dierensoorten enz. Natuurlijk zijn deze dingen van alle tijden, maar de omvang en de snelheid waarmee we het de laatste decennia zien gebeuren, maakt dat het anders is. Dit behoort niet meer tot de normale variaties in de natuur; dit is iets wat we als mensheid veroorzaken. Als we zo doorgaan roepen we een catastrofe over ons af.

Van Montfoort maakt duidelijk dat we als moderne mensen heel anders met de natuur omgaan dan de mensen in bijbelse tijden. De natuur vervult ons niet meer met ontzag. We zien er niet meer Gods heerlijkheid in. Dat God behalve mensen ook de sterren aan de hemel en vogels in de lucht en de vissen in het water de moeite waard vindt zijn we vergeten. We doen met de natuur wat we willen. Grote bedrijven en machtige regeringen exploiteren die waarbij ze zich laten leiden door winst op korte termijn.

Daar houdt van Montfoort ook geloof en theologie voor verantwoordelijk.
De westerse protestantse theologie (p. 147-153) beperkt immers het geloof steeds meer tot iets tussen God en individu (bv zonde/vergeving of zingeving/inspiratie) of tot iets wat tussen mensen ‘gebeurt’. Alsof het God om de mens gaat en niet om heel zijn schepping! Het besef dat we als mensen bij de natuur horen, dus daar niet boven staan, maar er deel van uit maken is verloren gegaan. Hoe anders is dat in de bijbel. Gen 1 vertelt hoe God alles maakte (en de mens haast terloops) en zag dat het goed was. Ps 104 bezingt hoe mooi en knap in de natuur alles bij elkaar hoort en de mens in dat zinvolle verband is opgenomen. God is dan niet zo zeer de Schepper die ooit alles gemaakt heeft en heeft gegeven aan de mensen om ermee te doen wat ze willen. Hij is veel meer de Schepper die voortdurend al wat is in vrijheid laat bestaan en stuurt (lokt en verleidt) naar zijn toekomst zoals de zgn. procestheologie dat leert.

Wat dit boek bijzonder maakt is de koppeling die van Montfoort aanbrengt tussen het lijden van de natuur en het lijden van arme mensen, vrouwen en LHBT-ers. Ze ziet daar dezelfde oorzaak: de mannelijke, westerse dominante blik op de werkelijkheid waarin zich het geloof aan God, de Vader, de Almachtige weerspiegelt. Met name het vierde hoofdstuk komt dit naar voren als ze enkele eco-feministische theologen bespreekt. Dat levert weliswaar een interessante (en moeilijk te volgen) kennismaking op, maar resulteert helaas niet in een gezamenlijke visie op God, natuur, armoede en gender. De oogst valt na 250 pagina’s tegen: slechts tien bladzijden waarvan de helft gewijd aan een voorbeeld: een dankdienst voor het gewas.

Dat neemt niet weg dat van Montfoort een belangrijk overzichtsboek geschreven heeft. Wie het doorneemt is weer helemaal bij op het gebied van geloof, natuur en duurzaamheid. Het boek maakt vooral duidelijk dat leer en prediking van de kerk bepaald niet helpend zijn bij het nemen van verantwoordelijkheid voor de schepping. Er is dringend behoeft aan een nieuwe visie op natuur, God en mens. Een bescheiden (vijf keer ‘mij lijkt’) voorzet geeft van Montfoort zelf op p. 176-181.


(Kerkbode nov 2020)

Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat

Nadat prinses Maxima ons volk schokte met ‘de Nederlander bestaat niet’ volgt nu de shockerende stelling ‘God bestaat niet’, van een dominee nog wel: Klaas Hendrikse, predikant in onze eigen PKN. ‘God bestaat niet’ schrijft Hendrikse en daarmee bedoelt hij dat God niet bestaat op de manier waarop een appeltaart bestaat (32) want het bestaan van een appeltaart heeft o.a. de volgende kenmerken: hij weegt bijv. 750 gram, ligt in de vitrine bij de bakker, heeft een geur, een kleur, een smaak, een vorm, is gemaakt, is op een dag opgegeten enz. Bij alle dingen die bestaan horen dit soort eigenschappen. Iets bestaat als het eigenschappen heeft. Maar omdat je van God niet kunt zeggen dat Hij een gewicht, een vorm, een geur heeft of een tijdje een bepaalde plaats inneemt enz., past het woord bestaan niet op God. Dus stelt Hendrikse: God bestaat niet.

Nu, dat vinden wij afgezien van de provocerende en oneerbiedige stijl nog niet erg schokkend. De kerk heeft niet anders gedaan dan leren dat God niet bestaat als de dingen om ons heen. Hij bestaat op zijn eigen manier. Zo is dat ook in de beleving van de meeste gelovigen. Wij denken bij God niet aan een mannetje met een lange baard op een wolk in de hemel. Het schokkende is dat Hendrikse ook van ‘bestaan op zijn eigen manier’ niets wil weten (33). Er is niet op een of andere wijze een God. En consequent trekt Hendrikse de lijn door: God spreekt niet en heeft niet gesproken (159), God aanspreken in gebed is onzin (164), er is niet een God die het kwaad kan verhinderen (66) of je na dit leven een nieuw leven geeft (171).

Wat gelooft Hendrikse dan wel? Hij gelooft in een God die gebeurt. God ontbrandt als het ware aan het verkeer tussen mensen (130). Waar eenzaamheid opgeheven wordt en verdriet gedeeld (132), daar gebeurt God. God bestaat niet, hij kan ontstaan tussen mensen (126). Het diepmenselijke is het goddelijke (131). Hierin is Hendrikse niet origineel: dit leert de kerk al sinds jaar en dag. Wij mogen Gods handen en voeten zijn. Maar dat God daarin opgaat (als het vonkt tussen mensen) en verdwijnt (als het niet gebeurt), is te klein over God gedacht. Dat maakt God tot iets van mensen. In de bijbel is het omgekeerd: God neemt het initiatief, roept Abraham weg, stuurt Mozes erop uit, stuurt zijn profeten, komt zelf in Jezus en zijn Geest vernieuwt ons leven.

Hendrikse weet natuurlijk ook wel dat dit zo in de bijbel staat. Maar hij stelt dat we dat anders moeten lezen. Volgens Hendrikse is de oorspronkelijke ervaring van Israel dat God niet bestaat, maar gebeurt. Mozes en Israel ontdekken dat als ze voor de bevrijding gaan, ze zich af en toe geleid voelden door een kracht (53). Jahweh noemden ze die: ‘ga maar, ik ga met jullie mee’ vertaalt Hendrikse. Die kracht zijn ze later ‘God’ gaan noemen, naar het voorbeeld van de goden uit de omringende volken. Zo werd die kracht, die af en toe oplichtte tussen de mensen, tot een God-die-bestaat, tot de Schepper van hemel en aarde, tot het Almachtig Opperwezen (Ned. Geloofsbelijdenis).

Hendrikse geeft hier een interpretatie van de geloofsgeschiedenis van Israel die aan wel heel veel bijbelse gegevens voorbij gaat. Voor Israel was Jahweh veel meer dan ‘iets dat gebeurt tussen mensen’. Waarom zou Israel anders een tabernakel, een tempel gehad hebben, waarom zouden er offers gebracht, oogstfeesten gevierd en psalmen gezongen zijn, hoe haalden profeten het in hun hoofd om te zeggen: ‘zo spreekt de Here’… als het niet was voor hun God? Hendrikse’s interpretatie is erg geforceerd. Ik ken geen oudtestamentici die hem hierin volgen. Zelfs Kuitert, die erg positief is over dit boek, schrijft in het voorwoord: ‘Ik geloof er niets vandat het zo gelopen is als de auteur aangeeft …’ (7). Waar het Hendrikse eigenlijk om te doen is, lijkt mij, dat hij niets kan met een God die als een almachtig Opperwezen bestaat. Dat zadelt gelovigen met het grote vraagstuk op: waarom grijpt Hij niet in? (66). Mensen knappen er op af. En minstens zo erg: zo’n geloof verschaft ook wel eens een excuus, een uitvlucht om er niet helemaal voor de ander te zijn. Denk maar aan de vrienden die Job komen troosten: met al hun gepraat over God laten ze Job in de steek.

In die zorg is Hendrikse te waarderen. Hij schrijft behartenswaardige dingen over volwassen afhankelijkheid (100) en over geloven dat een werkwoord is (106). De oplossing die hij voorstelt helpt ons echter van de regen in de drup. Jammer dat Hendrikse niets weet te melden over moderne ontwikkelingen in de theologie over het bestaan van God, zoals in de procestheologie (bijv. Dingemans, Polkinghorne, Peacocke). Deze en andere auteurs maken duidelijk dat God bestaat in een hogere dimensie, die onze tijd en ruimte omvat.

Er zal wel een stevig gesprek komen tussen de kerkelijke leiding en Hendrikse. Maar dat is te weinig en te gemakkelijk. Het is hoog tijd dat de kerk in nieuwe woorden probeert te zeggen, dat God bestaat op zijn eigen manier. Want zoals het staat in de oude geloofsbelijdenissen kan het echt niet meer. Zolang daar niets aan verandert zullen er mensen als Hendrikse blijven opstaan, provocerend en fel.

Kerkbode feb 2008
In de Waagschaal 37 (2008) 3 p. 6v

Collins, De Taal van God

Van politiefilms en detectives weten we ondertussen allemaal wel ongeveer wat DNA is: lange strengen erfelijk materiaal waarop een heel aantal menselijke eigenschappen staan beschreven. Van persoon tot persoon iets verschillend: even individueel als een vingerafdruk. Vandaar hun bruikbaarheid voor de recherche. Enige tijd geleden is het een aantal geleerden gelukt de code van het DNA te ontcijferen en in kaart te brengen. Het blijkt dat de code uit “4 letters” bestaat C, A, T, en G.

En deze 4 letters samen komen zo’n 3,1 miljard keer voor. Daarvoor is een boek nodig van ruim 645.000 bladzijden met elk 60 regels van 80 letters: dat is een stapel van 650 bijbels. Zoveel tekst zit weggestopt in elk celletje van ons lichaam! Het is “de taal van God” geschreven in alle levende wezens.

Collins is een van de geleerden die heeft meegewerkt aan het ontcijferen van deze code en heeft een grote reputatie op dit gebied. Zakelijk en informatief schrijft hij over de ontwikkelingen op dit gebied van de wetenschap. Het bijzondere van zijn boek is o.a. dat hij ook beschrijft wat deze ontdekkingen voor hem zelf betekenen: van atheïsme tot geloof.

Collins vindt het gevaarlijk om het geloof te gebruiken als verklaring voor de gaten in de theorie van de wetenschap, zoals de aanhangers van de Intelligent Design dat doen. Want als de wetenschap vordert, blijft er voor het geloof minder ruimte over.

Collins komt met een ander concept dat hij “theïstische evolutie” noemt. Daarmee honoreert hij volledig de ontdekkingen van de wetenschap over het ontstaan van de aarde en de ontwikkeling van het leven. Hij vraagt speciale aandacht voor de mensen die als enige van alle levende wezens over een spirituele natuur beschikken: wij vragen immers naar goed en kwaad en wij zoeken God. Wereldwijd, de eeuwen door is het dát wat mensen tot mensen maakt.

De eerlijkheid gebied te zeggen dat Collins op deze manier wel geloof en wetenschap combineert, maar het geloof is dan wel heel algemeen. Het is het geloof aan een God als Schepper zoals hindoes, moslims, joden en christenen met elkaar delen. Gelukkig kan er nog heel wat meer van deze God gezegd worden: Kerst, Pasen en Pinksteren om maar wat te noemen. Dat vind je allemaal niet in het boek van Collins. Maar voor alle middelbare scholieren en hun ouders en ieder die op een eerlijke manier geïnformeerd wil worden over de wetenschap is dit een waardevol boek dat laat zien dat je in God kunt geloven en tegelijk een modern en geschoold mens kunt zijn.

Kerkbode mei 2008 (?)

J. Fokkelman, Job. Een literaire vertaling

Het boekje Job blijft tot de verbeelding spreken omdat het onderwerp van alle tijden is: de vraag naar het lijden van mensen. Want wie komt zonder kleerscheuren door het leven? En als het op een kwade dag zover is, wat er blijft dan over van je geloof? En de antwoorden die je vroeger wel geleerd hebt en die je vrienden nu je voor houden, heb je daar wat aan? Houden die je op de been of wakkeren ze de schrik en wanhoop alleen maar aan?

In de bijbel is het vooral het boekje Job waarin het waarom en de daaroms aan de orde komen. Wie het boekje open slaat in de vertaling van 1951 (NBG) of 2004 (NBV) ziet dat het afgedrukt is als een grote lap tekst van 42 hoofdstukken. Je kunt eigenlijk niet zien dat het om poëzie gaat. Hebreeuwse poëzie. Het bijzondere van die dichtkunst is niet dat het rijmt volgens een bepaald schema, maar dat er een bepaalde structuur of opbouw in de dichtregels en verzen zit. Het bijzondere van de vertaling van Jan Fokkelman, hebraïcus van de universiteit van Leiden, is dat hij dat heeft geprobeerd zichtbaar te maken. Uitgangspunt is een heel nauwkeurige bestudering van de Hebreeuwse grondtekst.

Fokkelman onderscheidt versdelen (colon, meervoud: cola) opgebouwd uit lettergrepen en woorden. Twee of drie cola vormen een vers. Twee of drie verzen vormen weer een korte resp. lange strofe. Twee of drie strofen vormen op hun beurt ook weer een geheel nl. een stanza. Om Job en andere Hebreeuwse poëzie (de Psalmen) te kunnen begrijpen is het zaak om oog te hebben voor deze structuur. Het is de manier waarop bijbelse dichters zwaartepunten in hun poëzie aanbrachten.

Fokkelman is op deze manier door de tekst gekropen. Had u gedacht dat Job in precies evenveel strofen (206) aan het woord is als zijn vrienden en God samen? En dat die 206 strofen van Job evenveel twee- als drieregelige strofen hebben?

Het is natuurlijk onmogelijk om in de vertaling op precies dezelfde hoeveelheid lettergrepen en woorden enz. als het Hebreeuwse origineel uit te komen. In onze taal kun je bv. zeggen: “ik heb naar je geluisterd” en dan heb je vijf woorden nodig; in het Hebreeuws is dat maar één woord en dan kun je ook nog zien en horen of die “je” een man of een vrouw betreft. Fokkelman ondervangt dat door zijn vertaling van een toelichting te voorzien waarin hij telkens uitlegt waar in het Hebreeuws de nadruk ligt. Het resultaat is een zeer boeiende vertaling die door de toelichting aan kracht wint.

Volgens Fokkelman gaat het in Job om de vraag of een “integer en oprecht man, God vrezend en het kwade vermijdend” (1:1 en 8) de rug recht kan houden zelfs als de ergste rampen hem overkomen. Dat blijkt inderdaad het geval: een heel positief mensbeeld. Want het slot van Job moet niet vertaald worden met: “daarom herroep ik mijn woorden” (NBV) maar: “daarom verwerp ik…” Dwz. Ik heb er genoeg van te protesteren, ik houd er mee op. Niet omdat zijn klacht onterecht was, maar omdat God hem verschenen is (Job 38-41) en daarin werd Job vertroost. Daarentegen krijgen de zgn. vrome vrienden er in de slothoofdstukken flink van langs. Waarom? Omdat ze niet juist over God hadden gesproken (Zo NBG en NBV)? Nee. Omdat ze niet juist tot God hebben gesproken. M.a.w. ze hadden met Job God moeten aanroepen om Hem hun boosheid, vertwijfeling en verdriet in het gezicht te slingeren. “God weet dat te waarderen. ” schrijft Fokkelman, “En nu kan alleen een voorbede van Job de vrienden behoeden voor een verdiend pak slaag”.

Een pittig boek, niet bedoeld om in één ruk uit te lezen. Maar wie het geduld kan opbrengen om van dag toe dag een paar bladzijden door te nemen, zal er veel aan hebben.

Kerkbode +/- 2010

A. van de Beek, Hier beneden is het niet

De titel zult u misschien herkennen als een regel van een lied uit de Hervormde Bundel

”t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet! ‘
t Ware leven, lieven, loven is maar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoor’ of zie op aard’, is ons kost’lijk hart niet waard;
wil men leven, lieven, loven: ’t oog omhoog, het hart naar boven!’

Het lied wijst de weg naar omhoog, naar het eeuwige leven in de hemel bij God (verticalisme). Dat is een geluid dat in kerk en geloof steeds minder is gaan klinken. De nadruk is steeds meer komen te liggen op dit leven: dat moest de moeite waard zijn. En op deze aarde: die moest verbeterd worden. Het is ook wel nodig geweest om dat te benadrukken. De kerk heeft armoede en onrecht vaak maar weinig in de weg gelegd (Marx). En we zijn als mensen toch tot heel wat goeds in staat: vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping. Maar door die verschuiving lijkt het tegenwoordig wel of christen zijn hetzelfde is als je inzetten voor het behoud van mens en wereld (horizontalisme). Het is niet altijd duidelijk waarin de kerk zich onderschiedt van een organisatie als de Zonnebloem.

Dat is jammer. Want in het geloof gaat het om meer. In de bijbel gaat het toch ook om bekering, doop en wedergeboorte, het oordeel over je leven, de komst van Christus, de herschepping van hemel en aarde. Zijn dat allemaal restjes van vroeger, waar we nu niets meer mee kunnen? Zo prof. Kuitert in zijn laatste boeken, of ds. Hendrikse. Of gaat het ook in deze dingen juist om het wezen van het geloof? Op die lijn zit A. van de Beek. Hij is hoogleraar aan de VU. Maar zijn geleerdheid heeft hem niet belet om een toegankelijk boekje te schrijven over deze dingen.

Vanwaar die verschuiving van verticalisme naar horizontalisme? Komt dat door de ontwikkeling in wetenschap en de toegenomen mogelijkheden die de techniek aan ons mensen biedt? De echte motor achter deze verschuiving is onze verlegenheid met God. De bijbel leert ons dat God rechtvaardig is. Maar wij zien ondertussen het onrecht in de wereld. Daardoor denken we dat er geen God is: we merken niets van hem. Dan kan gemakkelijk de gedachte op komen dat God geen andere handen heeft dan de onze (horizontalisme). Van de Beek wil die kant niet op. Hij geeft een radicale interpretatie van kruis en opstanding van Jezus. God heeft eens en voorgoed ingegrepen, nl. in Jezus Christus. In de dood van Hem die tot het zijne kwam, voltrekt zich het oordeel over de wereld (111), het laatste oordeel te weten: onze wereld is hopeloos verloren in zonde en schuld (110). De reddingspogingen die wij wisten te bedenken (godsdienst, politiek, techniek) hebben niet geholpen. Wat is christen zijn in dit perspectief? Dat is dit oordeel aanvaarden en met Christus sterven. Het is aanvaarden dat we verloren, onrechtvaardige mensen zijn. (110) Dat klinkt pessimistisch voor wie van het menselijk kunnen heel wat verwacht. Maar wie niet zo optimistisch is over onze mogelijkheden, is het juist heel bevrijdend: je raakt veel van je krampachtigheid en getob en zorgen kwijt. Christenen zijn mensen van hoop: wij hopen erop eens te mogen delen in de heerlijkheid van de gekruisigde Heer, die onze God is. En zolang wij daarnaar uitzien leven wij hier op aarde en vertellen elkaar en anderen van Jezus, bidden God om het komen van zijn rijk, en proberen als nieuwe mensen het verkeerde na te laten, het goede te doen.

Het is geen modieus boekje dat van de Beek geschreven heeft. Vooral die ontnuchterende hoofdstukken 2 en 5 over onze menselijke mogelijkheden zullen prikkelen. Misschien had hij daar ook iets genuanceerder en positiever over kunnen zijn. Hoe dan ook: het is de verdienste van de auteur dat hij laat zien hoe onze toekomsverwachting en verantwoordelijkheid voor mens en wereld met het geloof aan Jezus’ kruis en opstanding gegeven is.

Kerkbode +/- 2007