GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

bijbelstudies

voor een overzicht van alle bijbelstudies klik hier

Het grote gebod, Mat 22: 34-40

Het grote gebod van de liefde
Mat 22: 34-40

Aanleiding
In de tijd van Jezus was het een veelbesproken vraag: welke van de geboden is de belangrijkste? Rabbijnen tellen 248 geboden en 365 verboden in de Torah, samen 613 aanwijzingen. Waar komt het dan op aan? De vraag wordt aan Jezus gesteld. We horen daarvan in Mc 12: 28-34 met kleine verschillen ook in Mat 22:34-40 en Luc 10: 25-28, bij Mat en Luc om Jezus op de proef te stellen. Dwz als een strikvraag om van Jezus een antwoord te horen waarmee hij zichzelf in de problemen brengt. Dat zou gemakkelijk kunnen, nl door van één gebod of verbod te verklaren dat die het belangrijkste is en daarmee aangeven dat de andere niet belangrijk zijn. Op een geniale manier ontwijkt Jezus deze valkuil.

 
Antwoord

Het antwoord dat Jezus geeft staat bekend als het grote gebod van de liefde. Dat is goed gekozen want om de liefde gaat het. Om de liefde tot God en om de liefde tot de naaste. Twee keer staat er daarom ‘je zult liefhebben’. Jezus zegt daarmee geen nieuwe dingen. De eerste helft van het antwoord is een citaat uit Deut 6:5, de tweede helft uit Lev 19: 8, maar de combinatie van deze twee vind je nergens in het Jodendom van toen, die is uniek.

Bij Mattheüs lezen we dat Jezus van die twee helften heeft gezegd dat het tweede aan het eerste gelijk is. Daarmee bedoelt Jezus niet dat de liefde tot God hetzelfde is als de liefde tot de naaste. Het verticale, de liefde tot God (bv bidden en naar de kerk gaan) is echt wat anders dan het horizontale, de liefde voor je naaste (bv voor je zieke buurman de heg knippen). Bedoeld is: beide helften zijn even belangrijk: gelijkwaardig. Je moet ze allebei doen. Je kúnt wel het één doen en het ander nalaten, maar dat is duidelijk niet de bedoeling. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak.
Aan het Grieks van het Nieuwe Testament kun je dat ook zien. Het in Mattheüs voor gelijk is homoia (vergelijkbaar) en niet isos (letterlijk hetzelfde).

Bij Marcus haalt Jezus eerst nog Deut 6: 4 aan, de geloofsbelijdenis van Israel. “Hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is één.” (NBG) Dat is om verschillende redenen:

  • Het onderstreept dat in de ogen van God het horizontale en het verticale één en dezelfde zaak is. Hij heeft zijn eer heeft gesteld in het geluk van mensen. Wie Hem liefheeft die zo om mensen geeft, moet zelf ook naar mensen omzien.
  • God is de enige. Het is zinloos om nog iets anders als goddelijk te vereren en te dienen
  • God is een, uit een stuk, integer. Door je op Hem alleen te richten valt je leven als mens ook niet meer zo uiteen in allerlei rollen die je speelt en maskers die je draagt.

Omdat het om liefhebben gaat, doe je dat met inzet van heel je wezen, dus met heel je hart en heel je ziel, en met heel je verstand (+ met al je kracht staat er bij Marcus en Lucas).

  • Het hart is de binnenste kern van de mens: hoe hij of zij echt is en waar zijn verlangen, zijn liefde naar uit gaat (Spr 4: 23), waar hij zijn wil op richt.
  • De ziel is in dit verband het bewustzijn: dingen kunnen voelen en ervaren en ook daarover nadenken (zelfbewustzijn).
  • Het verstand laat je in je geloof niet thuis, integendeel. Dat doet volop mee. Maar dan moet je wel weten dat het niet zozeer om objectieve kennis gaat (veel feitjes weten) als wel om relationele kennis, die je opdoet uit de omgang met God.
  • Je kracht wordt ook gevraagd, want geloof moet niet iets van enkel mooie gevoelens blijven. Het vraagt toewijding, soms moeite en offers om God lief te hebben en trouw te blijven. 

Net zoals je in een liefdesrelatie maar één partner hebt, zo is dat ook in relatie tot God. Er is naast Hem geen ruimte voor andere goden als geld, drank, carriëre enz. want niemand kan twee heren dienen (Mat 6: 24).

De tweede helft van het gebod wijst op je (niet ‘de’) naaste. Dat is niet zomaar de medemens in het algemeen, maar de concrete mens die jouw pad kruist. Iedereen kan het worden, niemand uitgesloten: je zieke buurman, een vluchteling die je tegenkomt op het plein, een eenzame vrouw die in de supermarkt een praatje met je begint, een kind dat voor jouw deur van zijn fietsje valt. Hen zul je liefhebben. Dat is je hart laten spreken en dan doen wat nodig is. Niet: hem of haar uit de weg gaan (vgl de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan die bij Lucas in dit verband staat).

Als jezelf  volgt – net als in Lev 19: 18 – op je naaste (en niet op liefhebben). Dus je moet liefhebben je naaste (die iemand is) als jezelf. Vergeet niet, als je het goed hebt, dat je of je voorgeslacht ook slechte tijden hebben gekend (Deut 26: 5).
Toch is ‘liefhebben als jezelf’ geen onzin: als je een hekel aan jezelf hebt of het leven een waardeloze zaak vindt, dan kun je niet veel voor je naaste betekenen. Volgens het evangelie ben je hoe dan ook voor God de moeite waard, zo door Hem geliefd dat we Hem Vader mogen noemen en onszelf als zijn kind mogen zien. Zo kun je jezelf aanvaarden en liefhebben. Dan zul je ook proberen je naaste te aanvaarden zoals hij of zij is.

Afronding
Jezus besluit zijn samenvatting met “Er zijn geen geboden belangrijker dan deze” (Mc). Dus je mag geen enkele van de geboden of verboden zo toepassen en gebruiken dat je je daardoor afmaakt van de zorg voor je naaste of van de liefde tot God.
Bij Mat staat het anders, maar zakelijk is het hetzelfde: “Aan deze twee geboden hangt
geheel de Wet (Torah) en de Profeten.” (NBG). Maw de liefde voor God en voor je naaste zijn verbijzonderingen van de algemene regel. In de Bergrede zegt Jezus dat hij gekomen is niet om de wet en de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen. Dat is hun ware bedoeling weer aan het licht te brengen (Mat 5: 17). Zijn strikvraag heeft de wetgeleerde niets opgeleverd tegen om tegen Jezus in te brengen.

Toch doorbreekt Jezus hier de belangrijke positie van de Torah in het Jodendom. Het is niet meer je verhouding tot de Torah met zijn vele geboden en verboden die beslist over hoe je verhouding tot God. Die verhouding wordt voortaan bepaald door je volledige, liefdevolle toewijding tot God en tot de naaste.
Wij noemen dat wel het grote gebod, maar met een uiterlijk, opgelegd moeten heeft dat weinig te maken. Het is meer een moeten van binnenuit, een niet anders kunnen. Een vrucht van het geloof.

Vraagt Jezus niet teveel?
Want wie kan dit gebod, veel-eisend als het is, (vier keer ‘heel’) waarmaken? Maar dat was de vraag niet. De vraag was ‘waar komt het op aan?’ En Jezus geeft een antwoord dat we met instemming begroeten, ook al schieten we te kort in de uitwerking. Jezus heeft dit gebod wel waargemaakt, zijn leven lang en ihb aan het einde als hij hangt aan het kruis. Het horizontale: hij scheldt zijn beulen niet, maar bidt voor hen ‘Vader, vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen (Luc 23: 34). Het verticale: hij vervloekt God niet, maar bidt ‘Vader, in uw handen mijn Geest’ (Luc 23: 46). Hij sterft zoals hij heeft geleefd.

Of toch alleen het horizontale?
Op de volgende plaatsen is er sprake van enkel je naaste liefhebben:
Mat 7: 12 waar Jezus zegt:
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.”
In Rom 13: 9 en Gal 5: 14 stelt Paulus dat je je naaste moet liefhebben als jezelf want dat is de vervulling en samenvatting van al Gods geboden.
De beperking tot het horizontale zal te maken hebben met het verband waarin deze teksten voorkomen. De context van Paulus samenvatting is in beide gevallen het slot van de brief, waarin hij gewoon is allerlei praktische aanwijzingen te geven voor het leven van christenen onderling. Dan volstaat het enkel het horizontale aan te halen. En in Mattheüs is dat eigenlijk ook zo.

De gulden regel
Overigens lijkt dit op het bekende gezegdeWat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.” Maar dat is heel wat anders. Dat is negatief. Je zegt daarmee alleen wat je niet moet doen, nl geen overlast bezorgen. Bv als ik me stoor aan de herrie van de buren, moet ik zelf de muziek ook niet zo hard zetten, dat de buren die door de muur heen kunnen horen. De negatieve formulering is een beperking en wordt gemotiveerd door eigenbelang, niet door de liefde.
Ook als je deze gouden regel positief formuleert als ‘behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’ (bv met respect) heb je daarmee nog niet gezegd dat je je naaste moet liefhebben, dwz dienen, helpen, vergeven.  Jezus’ samenvatting is onovertroffen.

De keizerlijke belasting, Mat 22: 15-22

Dit gedeelte hebben Mattheüs en Lucas (20: 20-26) beiden uit Marcus 12: 13-17 overgenomen en daarbij kleine wijzigingen aangebracht. Bij Mattheüs staat deze episode in een lange rij van toenemend verzet tegen Jezus.

In 22: 15 willen de Farizeeën hem met een strikvraag vangen. Ze sturen een paar van hun leerlingen met de zgn Herodianen. Daarmee kunnen nakomelingen zijn bedoeld van koning Herodes de Grote zoals bv Herodes Antipas (4vC – 39nC ), die in feite vazalvorsten waren van de keizer in Rome. Maar meer voor de hand ligt dat het om hun aanhangers gaat: een politieke stroming die belang had bij het pro-Romeinse bestuur in Israël. Dat de Farizeeën met de Herodianen samenwerken wekt verbazing: de Farizeeën waren juist afkerig van de Romeinse bezetter en hun invloed op samenleving en cultuur. Maar zo’n monsterverbond komt vaker voor: in hun afkeer van Jezus worden gezworen vijanden soms vrienden (vgl Luc 23: 12).

22: 16 Ze beginnen met Jezus te prijzen: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen.
Het woord dat Mattheüs voor oprecht en oprechtheid gebruikt is het gangbare woord voor waarheid en betekent oorspronkelijk ‘onverhuld’, ‘onverborgen’. Jezus openbaart de waarheid over de weg van God, dwz wat God van mensen verwacht. Hij brengt die frank en vrij aan het licht. Hij trekt zich niets aan van wat de mensen hoog of laag, machtig of niet ervan vinden. Dat is een groot compliment. De vragenstellers spreken onbedoeld zelfs de waarheid over Jezus, alleen zij menen er niets van. Ze geloven niet dat hij ‘waarheid’ is die niets verhult. Daar zullen ze straks nog achter komen wanneer ze zelf als hypocrieten ontmaskerd worden.

22: 17 De tegenstanders hebben een strikvraag in gedachten en door Jezus eerst zo te prijzen, moet hij straks wel antwoord geven. ‘Zeg ons daarom wat u vindtis het toegestaan de keizer belasting (census, ons woord accijns is daarvan afgeleid) te betalen of niet?’
Toegestaan staat in verband met de Joodse wet: mag je van God belasting betalen aan de keizer in Rome die er zijn soldaten mee betaalt? Die door de belasting het volk uitmergelt en verarmt? Bovendien stond op de belastingmunt de beeltenis van de keizer, en het tweede van de tien geboden verbiedt gesneden beelden. En alsof het nog niet erg genoeg was staat er een tekst op die de keizer goddelijk verklaart. In de tempel gebruikten Joden muntjes zonder afbeeldingen.

Is het toegestaan? De Herodianen zullen die vraag wel met ja beantwoorden, de Farizeeën liever met nee. Maar wat zal Jezus zeggen? Zegt hij ja, dan verliest hij direct een flink deel van zijn aanhang onder de bevolking die zwaar leed onder de belastingen die de Romeinse bezetter oplegde. Zegt hij nee, dan staat hij op hetzelfde moment als staatsgevaarlijk bekend en moet hij vrezen voor zijn leven.*

Jezus neemt echter geen genoegen met de twee opties die ze hem voor houden. Hij laat zich niet in het ene of andere kamp duwen.

22: 18-19 Hij doorziet hun slechte bedoelingen en noemt zijn tegenstanders ronduit ‘huichelaars‘. Een scherp contrast met het compliment dat zij Jezus eerder maakten. Maar het is de waarheid: het zijn hypocrieten die met hun zgn gewetensvraag enkel op de val van Jezus uit zijn. Dat Jezus hun ‘huichelaars’ noemt, hadden ze kunnen verwachten van hem die zij eerder een man van waarheid noemden, een die niemand naar de ogen kijkt.

‘Waarom stellen jullie me op de proef?’ (zoals de duivel eerder, Mat 4: 1vv) En zonder een antwoord af te wachten, beveelt Jezus (20: 19) ‘Laat me de belastingmunt zien!’ Prompt geven ze die: een denarius, dat is een zilverstuk ter waarde van een dagloon. Dat ze er een bij zich hebben, geeft al te denken: voor de vragenstellers is de munt blijkbaar een geaccepteerd betaalmiddel. Opnieuw blijkt hun hypocrisie.

20:21a Dan stelt Jezus hun deze vraag (20: 20) ‘van wie is dit een afbeelding (ikoon) en van wie is het opschrift? Van de keizer‘ is het antwoord.

Wat het opschrift betreft: op de kopkant staat te lezen TI CAESAR DIVI AVG F AVGVSTVS (Tiberius Caesar goddelijke en verheven, zoon van Augustus) en op de andere kant PONTIF MAXIM (hogepriester). Tiberius Julius was de tweede keizer van Rome van 14-37 nC.

Beeld en opschrift maken de denarius voor vrome Joden nog bezwaarlijker dan die als belastingmunt al is. 

20:21b Dan volgt het antwoord van Jezus: geeft dan aan de keizer wat van de keizer is, en wat van God is aan God. Dat is niet alleen antwoord op de vraag over de keizerlijke belasting. Maar ook een opmerking over wat mensen aan God moeten geven.

Wat is van de keizer? Dat is waar zijn naam en beeltenis op staat: de munten

Wat is van God? Wat draag zijn beeld? Dat zijn wij, de mensen, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis (Gen 1:27). Onze roeping, onze bestemming is het om God zichtbaar te maken door zijn wil te doen en naar elkaar om te zien.*

Met de eerste helft van dit antwoord geeft Jezus aan dat als de keizer belastingen oplegt, die zonder gewetensnood betaald kunnen worden. Weigeren heeft trouwens toch geen zin: de legers dwingen het gewoon af. Nog niet zo lang daarvoor (6nC) was Judas de Galileeër met zijn troepen in opstand gekomen tegen de census, en bloedig verslagen.
Veel zwaarder weegt de tweede helft: dat we God geven wat hem toekomt: geen geld of wat anders, maar onszelf aan hem toewijden. Met hart en ziel, met al ons verstand en met alle kracht zullen we hem liefhebben en onze naaste als onszelf. Zo weerspiegelen we de liefde en trouw van God, zijn we ikonen: beelddragers van God.

20:22 Nu weten de tegenstanders niets meer te zeggen en druipen af.

Tweerijkenleer?
Dit antwoord is wel eens uitgelegd in het kader van de zgn twee-rijken leer, waarbij de keizer / de overheid voor het wereldlijk bestuur zorgt en de paus / de synode voor het rijk van Christus. Alsof kerk en staat (geloof en politiek, zondag en maandag) twee gescheiden werelden zijn, elk met eigen wetten. Er is een andere verhouding tussen die twee. Als beelddragers van God zijn we geroepen om ook in de politiek, in zaken, op maandag uit te beelden wie God is. ‘We moeten God meer gehoorzamen dan mensen’, zegt Petrus (Hnd 5: 29). ‘We hebben ons burgerrecht in de hemel’ zou Paulus later schrijven (Filp 3:20)

Jezus zelf is bij uitstek beelddrager van God geweest. Oprecht en in waarheid, zonder iemand naar de ogen te zien. De uiterste consequentie is hij niet uit de weg gegaan.

* Later zou Jezus ervan beschuldigd worden dat hij het volk verbood de keizer belasting te betalen, maar Pilatus vindt de beschuldiging ongegrond; Luc 23: 1-4)

** De Rabbijnse traditie heeft overigens een vergelijkbaar antwoord (Hillel, Lev. Rabba 24.4). Hebben ze dit van Jezus? Of is het andersom? Of putten ze beide uit een gezamenlijke bron? Of hebben ze onafhankelijk van elkaar dit bedacht?

Geloof, Hoop en Liefde (1 Kor 13)

Intro
In de jonge kerk te Korinthe zijn gelovigen die zichzelf heel wat vinden omdat ze veel van de bijbel weten, of omdat ze ‘in tongen’ kunnen spreken, of omdat ze heel veel over hebben voor een ander. Op zich is bijbelkennis enz mooi, maar als het met opschepperij gepaard gaat en met neerkijken op anderen, dan niet. Dan is dat zelfs waardeloos. Waarom? Vanwege de mentaliteit die daar uit spreekt. Het getuigt van geldingsdrang, heerszucht, gelijkhebberij.  Daar is de wereld al veel te vol van. Gods Geest is er op uit in mensen iets nieuws op gang te brengen: geloof, hoop en liefde. Geloof ( vertrouwen) in plaats van angst en zorgen, hoop in plaats van wanhoop en pessimisme, liefde in plaats van ik-zucht en haat.

Er is een interessante verhouding tussen geloof, hoop en liefde. Geloof ziet terug op Jezus: zijn lijden en sterven en opstanding op de morgen van Pasen gelden als de beslissende gebeurtenis in de geschiedenis. Het is als de D-Day in de oorlog: de vijand werd een beslissende klap toegebracht. Nu staat de overwinning (V-Day) vast, al zal het nog heel wat strijd en moeite kosten. Zo ziet de hoop dus vooruit. Door het geloof aan D-Day en de hoop op V-Day kunnen we in het heden leven vanuit de liefde.

Van die drie is de liefde het belangrijkste. Die blijft. Geloof gaat voorbij. Want er komt een dag dat we zien zullen dat het allemaal waar is wat we nu nog geloven: dat Jezus leeft en God ons allemaal een nieuw bestaan geeft op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dan is geloof niet meer nodig. En ook de hoop niet meer: die is dan in vervulling gegaan. Maar waar het allemaal om te doen was, de liefde, die blijft. Op het eind van alles zal de oorlog niet meer geleerd worden (Jes 2:4) en de dood niet meer zijn (Opb 21: 4). Alles en iedereen zal leven in het licht van God en zijn liefde weerspiegelen in zorg en aandacht voor elkaar.

Geloof
Symbool van het christelijk geloof is het kruis. Dat is eigenlijk heel vreemd want het kruis is een vreselijk martelwerktuig. Vooral de Romeinen gebruikten het om opstandelingen aan op te hangen net zo lang tot die van pijn, uitputting en benauwdheid stierven. Op die manier was ook Jezus gestorven. Maar hij was helemaal geen verzetsstrijder. Hij had deze straf op geen enkele manier verdiend. Hoe dat zo gelopen is, vind je bij Sleutelverhaal.
Christenen geloven dat in het sterven van Jezus iets heel wezenlijks van God naar voren kwam, nl zijn liefde en trouw aan mensen. En ook zijn macht en overwinning op dood en graf, want op de derde dag werd Jezus opgewekt en verscheen hij als de Levende aan zijn volgelingen. Kruis en opstanding vormen samen de blijde boodschap, het evangelie, waar christenen geloof aan hechten.
Christelijk geloof is dus wat anders dan ‘geloven dat er iets is’ of ‘geloven in God’. Niet dat dat verkeerd is, maar geloven op z’n christelijk heeft met de God van Jezus, met kruis en opstanding te maken. Op die God vertrouwen christenen. Ze willen niet luisteren naar de stem van angst en onzekerheid en zich geen overbodige zorgen maken. Ze willen bij de dag leven in het vertrouwen dat de God van Jezus in voor- en tegenspoed, in leven en in sterven nabij is en voor hen zorgt.

Hoop
Als je verwacht dat de toekomst iets moois zal brengen, bv genezing, dan leef je daar naar toe. En de tijd dat je in het ziekenhuis bent voor een operatie neem je voor lief. De hoop op gezondheid stemt je optimistisch en helpt je door de moeilijke tijd heen. Daarom is een anker zo’n mooi beeld voor hoop. Een schip met het anker uit, drijft niet weg in de storm. Zo geeft iemand met hoop niet op maar zet door, ook al duurt het lang en valt het zwaar.
Er hoort nog iets bij: een anker werkt alleen als het op de zeebodem achter een rotsblok blijft haken. Als dat er niet is en de storm steekt op, dan drijft het schip toch weg met het anker achter zich aan: dat woelt alleen maar zand los. Christelijke hoop zit vast op het evangelie van kruis en opstanding. Rotsvast. Het weet van God die het nooit voor gezien houdt. Zijn plan om mens en wereld terecht te brengen zal er van komen: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Er is vaak reden genoeg om heel bezorgd zijn om wat je overkomt, of om wat er gebeurt in de wereld. Maar compleet pessimistisch en wanhopig? Dat niet. Mischien neemt je leven een onverwachte wending. En zeker komt op het eind van alles de vervulling van wat wij hopen: Gods nieuwe wereld. Voorgoed.

Liefde
De christelijke liefde is je niet van nature eigen als een aangeboren eigenschap. Die moet gewekt worden. Dat gebeurt als je ziet hoeveel God van je houdt en verdraagt en vergeeft. Dat vertelt het evangelie je in de geschiedenis van Jezus.
Op hetzelfde moment ontdek je hoe er in je hart nog heel andere drijfveren zijn: begeerte, eigenbelang, heerszucht, onverschilligheid en nog veel meer. Daarin zit een gemeenschappelijke kern: het draait altijd om ik, mij en mezelf. Het zijn vormen van zelfzucht. Zelfzucht kan zelfs je inzet voor God bederven. Paulus kan daarover meepraten. Hij vervolgde ooit de christenen omdat hij geloofde dat hij daarmee God diende.
Dat verandert bij hem en bij ons als de liefde van God in je leven komt. Dan wil je niet anders dan op jouw beurt God liefhebben en zijn liefde net zo royaal delen met de mensen om je heen. God liefhebben houdt in dat je je hart elke dag weer laat volstromen met zijn liefde door te bidden, te zingen, door het lezen en overdenken van de bijbel, het vieren van het avondmaal enz. Je naaste liefhebben heeft met dienen en delen, met vergeven, met medeleven te maken.
Deze typisch christelijke vorm van liefde is duidelijk anders dan liefde in de vorm van genegenheid, vriendschap en eros. Zozeer anders dat het Nieuwe Testament er het ongebruikelijke woord agapè voor gebruikt. Daarmee is niet gezegd dat genegenheid, vriendschap en eros niet deugen. Integendeel: Die vormen van liefde horen bij de goede schepping.

De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal (Mat 22: 1-14)

Inleiding
Het gegeven van een maaltijd en genodigden die niet komen vinden we op heel verschillende wijze uitgewerkt bij Mattheüs en Lucas. Marcus heeft deze gelijkenis niet.

Bij Lucas (14: 15-24) ligt de nadruk op de verontschuldigingen. De genodigden zijn niet meer welkom; anderen worden in hun plaats gevraagd en zelfs gedwongen om aan de maaltijd deel te nemen.

Bij Mattheüs gaat het om een bruiloftsmaaltijd die een koning voor zijn zoon organiseert. De tegenzin van de genodigden gaat zo ver dat ze de dienaren van de koning mishandelen en doden. Daarop laat de koning de moordenaars ombrengen en de stad verbranden (7). De maaltijd gaat vervolgens door met andere gasten. Mattheüs breidt de gelijkenis uit met de episode van de koning die de feestzaal bezoekt. Daar ziet hij iemand die zich niet speciaal heeft gekleed voor deze gelegenheid. Deze wordt eruit gegooid.

Eenheid?
Het is waarschijnlijk dat vers 7 oorspronkelijk niet tot de gelijkenis behoorde. Mét vers 7 moeten we nl aannemen dat het tweede deel van de gelijkenis zich in een andere stad afspeelt, omdat de eerste verwoest is. Maar uit niets valt op te maken dat we na vers 7 met een andere stad hebben te maken. Daarom is het waarschijnlijk dat dit vers door Mattheüs aan de gelijkenis is toegevoegd. We zullen straks zien waarom.
De verzen 11-13 zijn wel als een tweede gelijkenis opgevat die dan door Mattheüs verbonden zou zijn met de eerste gelijkenis in 1-10. Daarvoor spreekt het gebruik van een ander woord voor dienaren in vers 13 (diakonoi ipv douloi) en dat deze episode ontbreekt bij Lucas. Daar staat tegenover dat de verzen 1-14 (afgezien van 7) een logisch samenhangende vertelling vormen.

Context
Deze gelijkenis staat in het derde deel van Jezus’ optreden: de week voorafgaand aan zijn lijden en sterven in Jeruzalem. De vijandschap tegen hem neemt toe en dat is te merken aan deze en andere gelijkenissen die Mattheüs vertelt. In de gelijkenis van de twee zonen (21:28-32), van de onrechtvaardige pachters (21: 33-46) en van het koninklijke bruiloftsmaal is sprake van conflicten, van een breuk, van nieuwe mensen die in de plaats van de eersten komen.
Daarin spiegelt zich een stukje geschiedenis. De kerk is steeds meer samengesteld uit gelovigen van heidense komaf; betrekkelijk weinig Joden nemen het evangelie aan. Daardoor zijn synagoge en kerk uit elkaar gegroeid. Er is ook een verwijzing naar de nationale geschiedenis: de verbranding van de stad (vers 7) doet denken aan de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70.
Deze historische verwijzingen en de gebruikte metaforen maken dat deze parabel meer een symbolisch verhaal is dan een gelijkenis die normaliter een geschiedenis vertelt en een duidelijk punt van overeenkomst heeft tussen beeld-en zaakkant. Het is echter geen allegorie waarmee je alle kanten op kunt.
De gelijkenis is gesproken tot de overpriesters en Farizeeën vermeld in Mat 21: 45.

1-2: het gegeven
De gelijkenis begint met de standaardformule ‘het is met het koninkrijk van de hemel als met…’ Dat betekent: zo gaat het toe in het koninkrijk van God, deze dingen gebeuren als God koning is.
Dan volgt het gegeven van de gelijkenis: een koning die een bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon. Normaal gesproken een feestelijke gebeurtenis waarbij het hele land en volk betrokken zijn.
Opvallend is dat er in het Grieks sprake is van ‘een menselijke koning’. Dat betekent niet dat het om een goede, humane koning gaat; maar om een aardse koning itt de hemelse koning. Meestal is ‘een/de koning’ een metafoor of beeldspraak voor God, maar de opvallende toevoeging ‘menselijk’ maakt dat wij deze koning niet zomaar als beeldspraak voor God kunnen opvatten. Vanwege vers 7 zeggen we ‘gelukkig maar’! Daarentegen zijn ‘zoon’ en ‘bruiloftsfeest’ wel gebruikelijke metaforen voor resp ‘messias’ en ‘messiaanse tijd’.

3: de eerste uitnodiging
De beeldkant van de gelijkenis is duidelijk. De koning stuurt zijn slaven erop uit om (letterlijk:) ‘te roepen degenen die genodigd waren’. Dus: niet iedereen is welkom, de bruiloft is voor een selecte groep gasten, die al eerder een kennisgeving van het komende bruiloftsfeest hadden ontvangen. Geen van allen willen ze komen. Ze geven geen reden op. De weigering is een klap in het gezicht van de koning.

De zaakkant duidt op God, de koning van de wereld, die met het volk Israel sinds Abraham een speciale band heeft. Dat zijn de genodigden die nu uitgenodigd worden voor de bruiloft. De slaven die de uitnodiging overbrengen zijn niet de profeten van vroeger (zoals in de vorige gelijkenis van de onrechtvaardige pachters), maar de discipelen die door Jezus (Mat 10) er op uit werden gezonden om Israel tot het geloof aan Jezus te bewegen.

4-7: de tweede uitnoding
De beeldkant: Na de weigering volgt een tweede uitnodiging door andere slaven. Nu geeft de koning hun expliciet de boodschap mee. Ze moeten zeggen dat de maaltijd klaar staat (perfektum), stieren en mestvee zijn geslacht (opnieuw voltooide tijd), alles is klaar, komt (gebiedende wijs) naar de bruiloft.
Maar ondanks alle klem en nadruk komen de genodigden
niet. Ze verwierpen of negeerden de slaven en gingen weg. Een reden geven zij niet op, maar valt wel af te leiden uit wat de genodigden gaan doen: de één gaat naar zijn akker, de ander naar zijn handel. Blijkbaar vinden ze hun dagelijkse werkzaamheden belangrijker en willen ze geen tijd vrij maken om met de koning blij te zijn op de bruiloft van zijn zoon. Andere weigeraars gaan zo ver dat ze de slaven arresteren, mishandelen en zelfs doden. Dat getuigt van nog wat anders dan onverschilligheid: ze hebben een hekel aan de koning.
Het geduld van de koning is nu op. Hij reageert woedend en stuurt zijn soldaten, laat de moordenaars oppakken en hun stad in de as leggen.

De zaakkant wijst op het lot dat de missionarissen van de vroege kerk treft als ze in Israel het evangelie van Jezus brengen: van schouderophalen tot irritatie en geweld.

In het jaar 70 gebeurde wat niemand voor mogelijk hield: de heilige stad Jeruzalem werd door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. Ruim een miljoen bewoners en bezoekers van Jeruzalem kwamen daarbij om. De tempelschatten werden geroofd en naar Rome afgevoerd. De verwoesting van Jeruzalem geeft deze gelijkenis een bijzondere klem. Door nu vers 7 in te voegen duidt Mattheüs deze verschirkkelijke gebeurtenissen als het gevolg van het afwijzen van het evangelie. Daarmee lijkt hij te zeggen dat God achter deze verwoesting staat, zoals in het verleden profeten als Jesaja en Jeremia in hun dagen het onheil over Israel duidden. Maar Mattheus heeft vers 1 ook gezegd dat de koning in deze gelijkenis een menselijke koning is en niet de hemelse Koning. Daarmee zwakt hij zijn profetische duiding af. We moeten dus voorzichtig zijn met het aanwijzen van Gods hand in allerlei historische gebeurtenissen. Laten we uit dit vers maar niet meer meenemen dan dat het afwijzen van het evangelie grote gevolgen heeft. (zie ook 11-13).

8- 10: de derde uitnodiging
Beeldkant: Weer spreekt de koning tot zijn knechten. Alles is klaar voor het bruiloftsfeest, maar het was aan de genodigden niet besteed. Ze wisten het feest niet op waarde te schatten. Nu moeten de slaven erop uit om andere mensen te vragen. Het maakt niet uit wie dat zijn: zoveel als ze er maar vinden op de toegangswegen van de stad (blijkbaar toch niet verwoest ondanks vers 7). Iedereen is welkom. Het feest moet en zal doorgaan.
De slaven doen wat hun gezegd is. Ze vragen iedereen zonder aanzien des persoons: slechte en goede mensen. En de bruiloftszaal werd vol van ‘aanliggenden’, dwz gasten die aan tafel gingen aanliggen (vroeger zat men niet aan tafel zoals nu). Uit 11 valt op te maken dat de gasten allemaal een feestkleed (geen ‘zondagse kleren’, maar een schoon, fris overkleed) meenamen. Dat zo’n kleed werd uitgereikt bij de ingang van de feestzaal staat er niet. Er zijn ook geen bronnen waaruit valt op te maken dat dat in die tijd de gewoonte was.

Zaakkant: Voor Jezus en de eerste christelijke gemeente moet het een raadsel en een grote teleurstelling zijn geweest dat het evangelie zo weinig gehoor vond in Israel.
Daarentegen vonden mensen uit andere volken het wel aantrekkelijk. Dat brengt Paulus ertoe te zeggen dat de afwijzing door Israel er toe leidde dat het evangelie de heidenvolken werd aangeboden en bij hen gehoor vond (Rom 9-11). Dat nu brengt Matheüs onder woorden met deze gelijkenis van Jezus. Nadat de aanvankelijke genodigden twee keer weigerden om te komen, gaat de uitnodiging tenslotte naar mensen voor wie het bruilofstmaal in eerste instantie niet bedoeld was: de heidenvolken. Iedereen is er welkom. Het evangelie is universeel. Dat Israël op een dag van zijn dwaling terug zal komen – zoals Paulus gelooft – zegt
Mattheüs niet, maar hij bestrijdt het evenmin.

11-13: het bezoek van de koning
Beeldkant
: Het feest is in volle gang als de koning de feestzaal binnenkomt om ‘de aanliggenden’ (zijn gasten) te zien. Hij ziet daar een man die niet passend gekleed is. De koning spreekt hem nog met ‘vriend’ aan, maar zijn vraag is kritisch: ‘hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?’ De man is met stomheid geslagen, een excuus of antwoord blijft uit. Voor de koning is het duidelijk: deze man hoort hier niet, hij is het feest even onwaardig als de genodigden van het eerste uur. Hij geeft zijn dienaren bevel om diens handen en voeten te binden. Gebonden moeten ze hem uit de feestzaal verwijderen zodat hij niet meer terug kan komen. Zo verdwijnt hij voorgoed uit het zicht van de koning in de uiterste duisternis die een plek is van gejammer en tandengeknars. Dwz hij zal met spijt en wroeging terugdenken aan zijn ongepaste gedrag waarmee hij zichzelf onmogelijk maakte op het bruiloftsmaal.

Zaakkant: Het evangelie kan dan wel universeel zijn, dat betekent nog niet dat iedereen zo maar de op de bruiloft welkom is. Men moet er op gekleed zijn., een bruikloftskleed hebben. Het bruiloftskleed is de mantel der gerechtigheid waar Jesaja (61: 10) van spreekt: ‘Ik vind grote vreugde in de HEER, mijn hele wezen jubelt om mijn God. Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan, hulde mij in de mantel van de gerechtigheid, zoals een bruidegom een kroon opzet, zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.’ Deze mantel van gerechtigheid is het geschenk van genade en vergeving dat God in Jezus aanbiedt aan ieder mens. (vgl Luc 15: 32)

De mantel aannemen en aantrekken betekent het evangelie geloven én daarnaar proberen te leven. Gelovigen kunnen hun uitnodiging voor de bruiloft verspelen wanneer ze dat laatste niet doen en geen werk maken van de gerechtigheid die bij het geloof hoort. Het behoren bij de kerk betekent niet dat men zich kan rijk rekenen alsof men dan gegarandeerd wel goed zit. Dat is wat de profeten en Jezus Israel kwalijk namen. En deze kritiek houdt Mattheüs de jonge, opkomende kerk voor. Paulus doet dat ook (Rom 6: 1 en 6: 15) evenals Judas (1: 4) en het laatste bijbelboek (Opb 3: 4 – 5; 3: 18; 19: 8) . Geloof is geen heilsbezit, maar een houding van vertrouwen die naar gerechtigheid doet verlangen en daartoe aanzet.
Deze waarschuwing komt in vers 14 kort en bondig naar voren.

14: waarschuwing
Een spreuk als conclusie van de gelijkenis. ‘Velen’ is een hebraïsme, een Joodse manier van zeggen, en betekent ‘allen’. Allen zijn geroepen, dwz God biedt het evangelie aan alle mensen uit Israel en de heidenvolken, zonder aanzien des persoons.
Maar weinigen zijn uitverkoren, dus velen horen er bij nader inzien niet bij. Dat duidt hier niet op de leer dat God geheel willekeurig sommigen verkiest, anderen verwerpt (predestinatie). De afgewezenen zijn bij Matheüs mensen die zelf hun afwijzing veroorzaken, door nl geen bruiloftskleed te dragen, dwz zij maken geen werk van de gerechtigheid die bij het geloof hoort.

De gelijkenis van de werkers in de wijngaard (Mat 20: 1-16)

Context
Dit gedeelte sluit aan op Mat 19: 30 “Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.”
Deze uitspraak staat ook in Mc 10: 31 en Luc 13:30.

Oorspronkelijk zal deze uitspraak en de daarop volgende gelijkenis (die we alleen bij Mattheüs vinden) gesproken zijn tot de Farizeeën die bezwaar maken tegen Jezus’ tafelgemeenschap met hoeren en tollenaren. Maar Matheüs past deze gelijkenis zelfkritisch toe op de christelijke gemeente die gemakkelijk het evangelie vergeet en weer wettisch (voor wat hoort – hoort wat, naar evenredigheid, kwantitatief ipv kwalitatief) gaat denken. Dat blijkt uit de vraag van Petrus ‘Wat zal onze beloning zijn, wij die alles opgegeven hebben om u te volgen?’ (Mat 19: 27).

De gelijkenis
Een gelijkenis is geen allegorie die in allerlei details diepere geloofsinzichten bevat. Zo is deze gelijkenis wel eens uitgelegd. Bv Origenes, die aannam dat het eerste, derde, zesde uur enz. betrekkking had op de verschillende leeftijden waarop mensen christen worden. De gelijkenis is echter een samenhangend verhaal dat in zijn geheel verstaan moet worden.
De opbouw is eenvoudig. Het eerste deel (1-7) vertelt van een landheer die dagloners zoekt voor het werk op zijn wijngaard. Meermalen gaat hij erop uit. Met als gevolg dat sommige dagloners de hele dag werken, andere niet zo lang of zelfs maar één uurtje.
In het tweede deel (8-15) ontvangen de werkers hun loon. Ze krijgen allemaal evenveel, nl de ene denarius die de landheer met de werkers van het eerste uur had afgesproken. Dat ontlokt bij hen een hevig protest. De landheer legt vervolgens zijn gedrag uit en vraagt aan de protesterende arbeiders zet het kwaad bloed dat ik goed ben”? “

1a
De gelijkenis wordt ingeluid met een standaardformule “Want het is met het koninkrijk der hemelen als met…’ Dat betekent ‘Zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen’ of ‘deze dingen gebeuren waar God koning is’

1b-7
Een landheer met een wijngaard heeft arbeiders nodig voor de druivenoogst. Bij het ochtendgloren gaat hij er op uit en later die dag nog een paar keer. De dag – de tijd dat het licht is – is ingedeeld in 12 uren, evenals de nacht. (In de zomer als het lang licht is, en de nachten kort duren de uren overdag dus langer dan in nacht. En de uren overdag duren in de zomer ook langer dan in de winter).

Het ochtendgloren is het zesde uur. Drie uur later (vs 3) is het negen uur. Weer drie uur later is het middag uur (12 uur). Nog drie uur later is het halverwege de middag (vs 5). Het elfde uur van de dag is dus één uur voordat het donker wordt (6).

Met de eersten spreekt de landheer een loon af van één denarius, het gebruikelijke dagloon. Wat hij met de werkers afspreekt die later beginnen blijft onduidelijk. De groep die rond het negende uur begint krijgt te horen dat  ‘de betaling rechtvaardig zal zijn’ (vs 4). De andere groepen horen hier helemaal niets over. De hoorders van de gelijkenis zullen (net als wij waarschijnlijk) denken dat de latere groepen naar evenredigheid minder zullen krijgen dan de ene denarius die met de eerste groep was afgesproken. Zo is ons gevoel van rechtvaardigheid nu eenmaal.

Waarom ging de landheer meermalen erop uit om arbeiders te zoeken? Was de oogst bijzonder groot? Werkten zijn knechten niet hard genoeg? Of wilde hij dat er geen landarbeiders zonder werk en dus ook zonder loon zouden achterblijven, met alle nare gevolgen voor hun gezinnen? Dat is allemaal speculatie. We lezen er niets over. De gelijkenis is zonder antwoorden op deze vragen prima te verstaan. Met giswerk op vragen die er niet toe doen raken we gemakkelijk de strekking van de gelijkenis uit het oog.

Daarom moeten we ook niet speculeren over de reden waarom niemand de laatste groep landarbeiders in dienst wilde nemen. Er wordt niets gezegd over hoge leeftijden, handicaps, luiheid enz. De vraag van de landheer hoeft trouwens niet verwijtend opgevat te worden. Hij kan het ook verwonderd – bij het zien van potige landarbeiders en dat midden in het oogstseizoen – gevraagd hebben. Blijkbaar waren vraag en aanbod van werknemers niet in evenwicht.

8-15
De rentmeester krijgt opdracht de lonen uit te betalen. De landheer heeft hem natuurlijk gezegd dat dat loon één denarius moest zijn. Maar dat vertelt Jezus hier niet. Zo blijft de spanning nog even gehandhaafd.
Bijzonder is de instructie om te beginnen met degenen die het kortst gewerkt hebben. Daardoor kan het niet anders of de andere landarbeiders horen en zien wat die verdiend hebben. De landheer wil hun een reactie ontlokken.

Zijn opzet slaagt. Als de knechten van het eerste uur zien wat de werkers van het laatste uur krijgen, nemen zij aan dat zij meer zullen krijgen. Zij hebben twaalf keer zo lang gewerkt waaronder vele uren dat de zon hoog aan de hemel staat. Maar ook zij krijgen één denarius. Daar zijn ze niet tevreden mee. Ze gaan hun beklag doen bij de landheer. Zonder hem aan te spreken en op hun relatie met de landheer te wijzen leggen ze hem hun klacht voor. Dat is erg onbeleefd.

Het antwoord van de landheer aan één van hen (de grootste schreeuwer?) is beleefd en vriendelijk: ‘beste man’… Daarmee geeft de landheer aan dat hij de verbinding zoekt en wel een relatie wil.
Zijn antwoord is ook heel beslist: “Ik behandel je toch niet onrechtvaardig?” Een rhetorische vraag: het antwoord is duidelijk (inderdaad, niet onrechtvaardig) voor de landarbeiders, de hoorders van Jezus en de lezers van Mattheüs en ons vandaag. Bij wijze van verduidelijking volgt dan de verklaring waarom degenen die korter werkten toch één denarius kregen. Dat is puur omdat de landheer dat nu eenmaal wil. En hij mag toch doen met zijn geld (ook mogelijk: ‘op mijn erf’) wat hij wil? Rechtvaardig is de landheer omdat hij het recht heeft zo te doen en geen enkele afspraak breekt of regel overtreedt.

Daarmee haakt de landheer aan bij het eerdere (vs 4)  ‘de betaling zal rechtvaardig zijn’. Inderdaad is het handelen van de landheer niet onrechtvaardig. Maar het is ook niet rechtvaardig in de gewone zin van het woord (beloning naar evenredigheid). Wat is zijn handelen dan wel? Het woordje goed valt in vs 15. Daarmee komen we in een andere categorie. Het zakelijke en kwantitatieve van (on)rechtvaardig maakt plaats voor ‘het goede’. De landheer wil de laatsten hetzelfde geven als de eersten. Dat komt uit zijn goedheid voort: de laatsten hebben net zo goed een denarius, een dagloon nodig als de eersten om hun gezin te kunnen onderhouden. Met minder kunnen ze niet toe. Hij gunt hun dat.

Dat loopt uit op de vraag ‘zet het kwaad bloed (letterlijk ‘is uw oog boos’) dat ik goed ben?’  De reactie van de klagende werkers wordt niet meer verteld. Bleven ze boos, of kwamen ze bij nader inzien tot inkeer? De gelijkenis heeft een open einde. Zo wordt de hoorder / lezer van de gelijkenis bij zichzelf na te gaan hoe hij/zij zou reageren.

16
Dan volgt opnieuw de uitpraak waar deze gelijkenis een illustratie bij is: Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten. Nu in omgekeerde volgorde vergeleken met Mat 19: 27. De uitspraak was oorspronkelijk mogelijk een gezegde of een volkswijsheid met als betekenis ‘wat kunnen de dingen in je leven soms veranderen’. Maar de spreuk krijgt door de gelijkenis een nieuwe betekenis: zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen: de zondaar van het laatste moment krijgt hetzelfde loon als de gelovige van het eerste uur. En de gelovige van het eerste uur moet niet menen dat dat oneerlijk is. Want in het koninkrijk der hemelen gaat het niet puur zakelijk toe. Er is liefde in het spel. De wil van God de Vader om mensen terecht te brengen en aan zich te binden. Die hernieuwde relatie met God is het loon dat bij het geloof hoort. Dat ene loon is voor iedereen die gaat geloven hetzelfde. Of je dat nu lang of kort doet.

Als je langer gelooft en dit oneerlijk vindt, dan zit je niet meer met God op dezelfde lijn van liefde en hartelijkheid. Dan ben je weer terup op het voor-gelovige niveau van zakelijke relaties waar het gaat om de beloning en niet meer om de vreugde van een goede verhouding met God. In de gelijkenis zijn het de werkers van het eerste uur die op deze lijn zitten. In de wereld van Jezus de Farizeeën. Als Mattheüs zijn evangelie schrijft zijn het christenen die dit verdienste denken (loon naar prestatie) in de kerk brengen.
Elke keer als deze gelijkenis uitgelegd wordt in de prediking probeert de prediker zijn hoorders uit het (rechtvaardige) ‘voor wat – hoort wat’ weg te krijgen en terug te brengen naar het niveau van het goede, waarin ze enkel God liefhebben en dienen om niet. Dankbaar en blij om alles wat hij hun en anderen geeft en wilde vergeven.

16b
Na deze woorden hebben veel (de zgn Textus Receptus) oude Griekse handschriften nog “want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”. Maar belangrijkere en oudere hebben dit niet. Als deze woorden oorspronkelijk er wel bij hoorden is  niet te verklaren waarom ze in sommige handschrijften ontbreken. Het gaat waarschijnlijk om een latere aanvulling waarmee de overschrijvers weer een heel ander thema introduceren: dat van de verkiezing/verwerping. De zgn Statenvertaling, gebaseerd op de Textus Receptus, heeft dus ook deze aanvulling, de latere vertalingen van het NBG laten dit stukje terecht weg.

Vergelijkbare verhalen
In de latere rabbijnse literatuur is een interessante parallel met deze gelijkenis. Daar krijgen de laatsten ook hetzelfde als de eersten. Maar de verklaring is een heel andere: de laatsten hebben zoveel harder en beter gewerkt dat ze minstens zoveel hebben gepresteerd als degenen die al eerder waren begonnen. Daarom verdienen ze hetzelfde loon. Hier blijft het verdienste-schema in tact; er is geen beloning die verrassend het ‘loon naar werken’ doorbreekt.

Dezelfde zaak komt in een ander beeldverhaal ook naar voren: de gelijkenis van de vader met de twee zonen (Luc 15: 11-32). De oudste reageert verontwaardigd als zijn vader zijn jongere broer allerhartelijkst ontvangt. Daarmee laat de oudste zien dat hij op de lijn van de gewone rechtvaardigheid zit en de regel van loon naar werken voor zichzelf en voor zijn jongere broer wil toegepast zien. Dat hij, de oudste,  ondertussen al die tijd bij zijn vader was en alles het zijne mag noemen (vs 31), zegt hem blijkbaar niets.

Conclusie
In het Koninkrijk der hemelen gaat het anders toe dan wij verwachten: God doet wat hij wil. Hij gaat zijn eigen gang. Hij wil goed zijn en de redenen daarvoor ontleent hij aan zichzelf; niet aan ons goede en ijverige gedrag. Hij is rechtvaardig op een manier die ons idee van rechtvaardigheid te boven gaat. Hij breekt die niet maar overtreft die door zijn liefde te laten spreken. Omgekeerd: zijn liefde spoort ons aan om goed en ijverig in de wijngaard aan het werk te gaan. En blij te zijn met ieder die zich vroeg of laat (de moordenaar aan het kruis, Luc 23: 43) door deze God laat winnen.