GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

bijbelstudies

voor een overzicht van alle bijbelstudies klik hier

Geen zorgen voor de dag van morgen (Mat 6: 25-34)

We moeten bij de dag leven en ons geen zorgen maken voor wat er allemaal wel niet zou kunnen gebeuren, zei Jezus (Mat 6: 34). Dat klinkt geruststellend, maar dat komt omdat ik alleen maar de zonnige helft aanhaalde. Als je doorleest volgt er “de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.” Kortom: er is en er zal altijd wel wat zijn. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar.

Maar ook dat is maar de helft van het verhaal. In hetzelfde verband zegt Jezus dat God, onze Vader in de hemelen, heel goed op de hoogte is van onze zorgen om kleding en voedsel, onze eerste levensbehoeften. Hij zal er in voorzien, ruimschoots. Beter dan God voor de bloemen des velds en de vogelen des hemels zorgt, zal hij dat voor ons doen (Mat 6: 25-30). Jezus moedigt ons aan om daar op te vertrouwen en dus onze zorgen om wat morgen zou kunnen gebeuren los te laten. Het is al moeilijk genoeg om van deze dag wat moois en goeds te maken.

Je vindt je geluk niet door bij je zorgen in te zetten. Daar komt geen einde aan. Als je eten en drinken geregeld hebt, is er kleding nodig en een onderdak, dan een opleiding, een baan en vrije tijd en niet te vergeten vriendschap en liefde en tenslotte ‘jezelf kunnen zijn’ (vrijheid). Maslow, een bekende psycholoog, beeldde het uit als een pyramide van steeds hogere wensen.

Terechte wensen, zeker, maar is er op aarde wel iemand te vinden die al deze behoeften weet te vervullen? Hoe realistisch is het te verwachten dat je door deze dingen na te streven gelukkig wordt? Zijn huis en baan en vakantie, kinderen en vrienden, gezondheid behalve bronnen van geluk ook niet bronnen van zorgen? En kunnen we daar uit komen met geld en gevulde voorraadkasten en verzekeringen? Ook als je daar veel van hebt, is dat geen garantie dat je gezond en gelukkig en in leven blijft.

Jezus’ advies is om de pyramide op z’n kop te zetten. De punt naar beneden. Dan komt het hoogste en belangrijkste binnen hand bereik. Met andere woorden: begin bij datgene waar je anders nooit aan toe komt: zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid (Mat 6: 31-33). Waar moet je dat zoeken? Bij Jezus. In het evangelie. Dat vertelt je van God en zijn liefde en trouw aan mensen. Daarmee neemt hij jou voor zich in en wekt hij vreugde en vertrouwen. Zo is hij de Koning in je leven en leef jij in zijn koninkrijk. En van de weeromstuit kun je je eigen zorgen flink relativeren. En komen die van andere mensen in beeld: degenen die het zoveel slechter getroffen hebben. Die kun je niet laten zitten. Dat is de gerechtigheid die we hebben te zoeken.

Worden we daar minder van? Jezus belooft het tegenovergestelde: Zoek eerst het Koninkrijk van God en daarboven op zal je al het andere gegeven worden (Mat 6: 34). Hij heeft vast gedacht aan Salomo. Die mocht aan God vragen wat hij maar wilde en vroeg toen niet om rijkdom en roem en een lang leven, maar om wijsheid nodig om een rechtvaardige koning te zijn. Dat gebed wordt verhoord: “…de HEER zei tegen hem: ‘Omdat je hierom vraagt … zal ik je … zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. Ook waar je niet om gevraagd hebt zal ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. En als je mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal ik je een lang leven schenken.’ (1 Kon 3: 11-14) Er ligt een zegen te wachten voor wie inzet bij het enige dat echt belangrijk is.

Het criterium: barmhartigheid (Mat 25: 31-46)

Inleiding
Mattheüs plaatst uitspraken van Jezus vaak thematisch bij elkaar in grote redevoeringen. De laatste is de ‘eschatologische rede’ over wat er op het eind van de geschiedenis zal gebeuren. Die rede vinden we in Mat 24 en 25. Jezus spreekt daar niet in het openbaar (als Mat 23: 1) , maar richt zich tot de discipelen (Mat 24: 1). Hij eindigt met het bekende verhaal over de schapen en de bokken (Mat 25: 31-46). Het is geen gelijkenis, maar een ‘oordeelsdialoog’ die in het kader van ‘de laatste dingen’ een groot gewicht krijgt en zeer klemmend overkomt. Jezus geeft hier antwoord op de vraag ‘waar komt het op aan?’ Wat is het criterium waarop mensen tenslotte beoordeeld zullen worden?

Mat 25: 31-33
Dat er zoiets als een beoordeling zal plaatsvinden maakt vers 31 direct al duidelijk. De menselijke geschiedenis blijft niet dat door elkaar van goed en kwaad. Die verwarde kluwen van recht en onrecht, die wij niet ontwarren kunnen zonder de ellende nog groter te maken, gaat op een dag uit elkaar. Op Gods tijd zal de Mensenzoon komen om te oordelen.

Zijn oordelen betreft niet abstracte ideeën over goed en kwaad, recht en onrecht. Alsof dat dingen, geesten of machten zijn die echt bestaan. Zijn oordeel betreft de dragers van goed en kwaad: mensen die rechtvaardig of onrechtvaardig geleefd hebben. Alle mensen, alle volken (Mat 25: 32) moeten zich voor hem verantwoorden. Mensen kunnen zich niet in het collectief (volken) verschuilen. Het oordeel is individueel, persoonlijk.

Met de Mensenzoon doelt Jezus op zichzelf: na zijn lijden en sterven zal hij door God gerehabiliteerd worden (opstanding), de hoogste eer en alle macht krijgen (hemelvaart) om zijn leerlingen bij te staan (Mat 28: 16 – 20) in hun taak om het evangelie wereldwijd bekend te maken. Hoe lang die tijd zal duren weet niemand (Mat 24: 36), maar tenslotte zal de Mensenzoon komen ‘met grote macht en heerlijkheid’ om ‘de uitverkorenen’ te verzamelen (Mat 24: 30v; vgl 16: 27). Zijn komst is een komst in ‘heerlijkheid, met al de engelen, en hij zal plaatsnemen op de troon der heerlijkheid’. Dwz hij is bekleed met de macht van God. Als een koning (vs 34) zal hij rechtspreken, straffen en belonen.

De volken zullen voor hem verzameld worden…De passieve formulering met worden maakt duidelijk dat dit het werk van God cq van zijn engelen is.

Zoals een herder schapen en bokken van elkaar scheidt, zo worden de mensen verdeeld in twee groepen. Dit herinnert aan Ezechiël 34 waar de profeet spreekt van een tijd dat God de verstrooide schapen van Israel bij elkaar verzamelt en redt. En daarbij rechtspreekt tussen het ene schaap (zwak, verdwaald: mensen die te kort zijn gedaan) en het andere (sterk, vet: mensen die alleen voor zichzelf gezorgd hebben), tussen de rammen en de bokken (Ez 34: 17).
Overigens zijn er uitleggers die ipv bokken aan geiten denken: de schapen met hun vacht kunnen buiten overnachten, de geiten moeten in de stal. Voor de uitleg maakt het niet uit. Het gaat er in beide gevallen om dat er twee groepen gevormd worden aan weerszijden van de Mensenzoon. Links is de ongunstige, niet-eervolle zijde. Rechts geldt als de kant van eer, kracht, geluk en zegen. De schapen gaan naar rechts, de bokken (evt geiten) naar links.

Een derde groep
Behalve de schapen en de bokken rechts en links van hem spreekt de Mensenzoon van ‘één van deze van mijn onaanzienlijkste broeders'(40) en van ‘één van deze onaanzienlijken’ (45). Wijst Jezus dan op de schapen aan zijn rechterhand? Daar lijkt het niet op. De vraag van de mensen recht en links is dan niet logisch. En het antwoord van de Mensenzoon zou dan hebben geluid “wat jullie voor elkaar (niet) hebben gedaan, dat heb je aan mij (niet) gedaan”.  Het heeft er meer van dat er een derde groep is. Wie zouden dat dan kunnen zijn? Op die vraag zijn twee antwoorden mogelijk:

  • Sociaal-universeel
    Met de onaanzienlijksten (Mat 25: 40 en 45) zouden arme, hulp-behoevende mensen in het algemeen bedoeld zijn.
    ‘Alle volken’ uit Mat 25: 32 is dan op te vatten als Israel plus alle niet-Joodse volken plus de kerk bestaande uit gelovigen van Joodse of niet-Joodse komaf.
    In deze uitleg worden joden, christenen en andersgelovigen beoordeeld op wat ze gedaan hebben voor mensen die tekort kwamen. De slachtoffers daarentegen hoeven zich niet te verantwoorden, de Mensenzoon rekent hen direct al tot de zijnen.
    Dit veronderstelt dat Jezus zich identificeert met mensen in nood in het algemeen en hen als zijn broeders ziet. Dat klopt met wat Mattheüs van Jezus vertelt: hoe hij keer op keer omziet naar mensen. Daar staat tegenover dat nergens in Mat arme, zieke, verdrukte mensen ‘broeders’ worden genoemd en ‘broeders’ de tweede keer achterwege blijft (Mat 25: 45).

  • Religieus-christelijk
    Met de onaanzienlijksten (Mat 25: 40 en 45) zouden uitgezonden discipelen bedoeld zijn. Dat sluit aan bij Mat 10: 42 “Wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.” (vgl Mat 18: 6. 10 en 14). Dit argument zou sterker zijn als er telkens hetzelfde woord was gebruikt, maar dat is niet het geval: de ene keer is er sprake van ‘geringen’, de andere keer van ‘kleinen’
    Met de volken Mat 25: 32 zijn dan bedoeld de heidenvolken + Israel + gelovigen-die-niet-als-evangelist rondgingen.
    In deze uitleg worden de ‘gewone’ gelovigen, Joden en niet-Joden beoordeeld op wat ze al dan niet gedaan hebben om de zendelingen van de Heer te helpen. De uitgezondenen daarentegen hoeven zich niet te verantwoorden, de Mensenzoon rekent hen direct al tot de zijnen.
    Dit veronderstelt dat Jezus zich identificeert met zijn evangeliserende apostelen die het moeilijk hebben. Dat zien we een enkele keer vaker, bv in Mat 10: 32. 40-42; vgl 28: 10 en 12: 49. In de gezondenen is de zender aanwezig.
    Toch lijken de aanduidingen ‘geringen’ of ‘kleinen’ beter bij ‘mensen in nood iha’ te passen, dan bij rondtrekkende zendelingen die er slecht aan toe zijn. Dat kwam niet zo vaak voor, dat ‘geringen’ of ‘kleinen’ een synoniem of uitdruking voor apostelen-in-nood werd.

Afweging
De eerste interpretatie brengt de sociale nood van alle mensen scherp onder de aandacht. Van mensen en zeker van christenen (geraakt door de liefde van Jezus) mag verwacht worden dat zij omzien naar mensen die te kort komen. Daar worden zij en ieder ander op beoordeeld. Dat past goed bij wat we verder in de bijbel vinden: profeten hameren er meer dan eens op dat voor God sociale gerechtigheid belangrijker is dan de religieuze inspanning van het offeren van dieren of het vasten op de sabbat. (Jes 58)
De tweede interpretatie loopt hier op uit: De evangelist haalt in een tijd dat de spanningen tussen Joodse volgelingen van Jezus en het traditionele Jodendom oplopen, dit woord van Jezus naar voren ter bemoediging van de christelijke gemeenschap. Daarbij houdt de evangelist de mogelijkheid open dat aan Joodse en heidense zijde er velen gevonden zullen worden die bij de rechtvaardigen zijn te rekenen. Omgekeerd is de evangelist kritisch tav zijn eigen achterban: ‘lauwe’ volgelingen van Jezus die wel ‘Here Here’ zeggen, maar hun zendelingen niet met raad en daad helpen. Die kritiek klinkt vaker in dit evangelie, vooral in de bergrede.

Mijn voorkeur gaat uit naar de eerste interpretatie: sociaal en universeel. De tweede vind ik vooral historisch interessant. Hoe we daar tegenwoordig een praktische toepassing aan kunnen geven is mij niet duidelijk, bij de eerste wel. Zonder hulp te bieden aan mensen (joden, christenen en andere) zullen we de toets der kritiek niet doorstaan. Zonder praktische inzet voor mensen in nood is geloof een filosofietje, comfortgeloof. Wie geraakt is door de liefde van Christus kan niet anders dan met ontferming bewogen zijn en omzien naar de naaste. Hij of zij doet dat samen met andere christenen en alle menensen die het hart op de goede plek hebben.

Mat 25: 35 – 39 en 42 – 44
Vier keer komen dezelfde zes werken van barmhartigheid terug, telkens in dezelfde volgorde:
– voeden van de hongerigen,
– drinken geven aan de dorstigen
– opnemen van de vreemdelingen
– kleden van de naakten
– bezoeken van de zieken
– gaan naar de gevangenen
In de Joodse wereld bestonden ook dergelijke lijstjes van ‘goede werken’. Daar kwamen ook nog op voor:
– vrijkopen van mensen die tot slaven waren gemaakt
– gastvrijheid
– het opvoeden van weeskinderen
– het begraven van de doden.
Die laatste werd in de christelijke traditie aan de zes van Mat 25 toegevoegd. Bekend is het schilderwerk ‘de zeven werken van barmhartigheid’ van de Meester van Alkmaar (1504).
We zijn natuurlijk vrij om het lijstje nog langer te maken:
– bezoeken van eenzamen
– troosten van wie treuren
– meewerken met schuldhulpverlening
– verslavingszorg mogelijk maken enz.

Verbazing
De rechtvaardigen reageren verbaasd. Heer, Wanneer hebben wij U….? Omdat ze vergeten zijn dat ze rechtvaardig handelden? Want rechtvaardig handelen doe je als vanzelf, spontaan, vanuit je hart; niet uit berekening. Misschien, maar meer nog omdat ze niet wisten dat ze door mensen in nood te helpen, de Mensenzoon (die ze nu ‘Heer’ noemen) barmhartigheid hebben bewezen. Het antwoord benadrukt de nauwe band, de indentificatie van de Mensenzoon met mensen in nood.

De onrechtvaardigen zijn net zo verbaasd als eerst de rechtvaardigen. Heer, wanneer hebben wij U in de steek gelaten? Zij krijgen te horen dat zij niet hebben omgezien naar mensen in nood. Daarmee lieten ze Mensenzoon in de steek.

De Mensenzoon vereenzelvigt zich met mensen-in-nood. Hij trekt zich hun lijden aan. Dat is typerend voor Jezus en zijn God. Jezus gaat tot het uiterstte om mensen terecht te brengen. Hij geneest, hij voedt, hij bezoekt. Hij bevrijdt ook van die andere nood: van zonde, schuld en dood. Daar heeft hij zijn leven voor over. Wie geraakt zijn door dit alomvattende  en allesgevende liefdebetoon en iets ‘terug’ willen doen, kunnen hun dank en liefde aan Jezus bewijzen door om te zien naar mensen in nood, die hem werkelijk ter harte gaan. Hij heeft zich met hen vereenzelvigd.

Mat 25: 34. 41. 46
34 Voor de schapen rechts is er een zegen. Ze zijn welkom om deel te nemen aan Gods nieuwe wereld: het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor de rechtvaardigen bestemd is. Het plan dat God van meet af aan in gedachten heeft, komt uit!

41 Voor de bokken links is er een vloek. Ze moeten naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen. Dit is niet te verwarren met de hel waarmee in de middeleeuwen de mensen werden bang gemaakt. Het eeuwige vuur is niet een plaats van eindeloze martelingen. God is geen sadist. Het eeuwige vuur wijst erop dat de dragers van kwaad en onrecht voorgoed verdwijnen. Voor de duivel en zijn engelen en de onrechtvaardigen is geen plaats meer in Gods nieuwe wereld. De beulen trekken niet voor eeuwig aan het langste eind.

46 Het laatste vers vat dit oordeel kernachtig samen. Als je goed oplet, ontdek je een chiasme tov de voorgaande verzen. Het begint met eerst de rechtvaardigen, dan de onrechtvaardigen. Het eindigt met eerst de onrechtvaardigen, dan de rechtvaardigen.

Het Vaderhuis Joh 14: 1-3

Op de afscheidswoorden in Joh 13: 31-35 waarin Jezus zijn lijden en sterven aanduidt, reageren de discipelen bezorgd en met onbegrip. In het gesprek dat volgt zegt Jezus onder andere:

1 Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij. 2 In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? 3 Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben.

Wat bedoelt Jezus met ‘het huis van mijn Vader‘? Gevormd door de kerkelijke uitlegtraditie zijn we geneigd aan de hemel te denken. Dat is immers de woonplaats van God. Jezus zou er dan voor zorgen dat zijn leerlingen naar de hemel mogen: ze krijgen daar een plekje – een kamer (NBV) of een woning (NBG). Vers 3 zou dan op de wederkomst zien: als Jezus die woningen heeft gereed gemaakt, komt hij terug om zijn leerlingen daar mee naar toe te nemen.

Dit zijn allemaal elementen die in het geloof thuis horen en goed bij bv Paulus aansluiten. Maar Johannes vertelt geen hemelvaart van Jezus. Dan zal met ‘terugkomen’ wel iets anders dan de wederkomst op de wolken van de hemel bedoeld zijn. Het ‘terugkomen’ duidt hier op de verschijningen van Jezus na zijn dood aan het kruis: Joh 20 en 21 vertellen hoe Jezus weer bij zijn leerlingen terugkomt en hen om zich heen verzamelt.

‘Het huis van mijn Vader’ betekent dan ook op wat anders dan de hemel. Deze uitdrukking komt in het Johannes evangelie op nog maar één andere plaats voor, nl. Joh 2: 16 waar Jezus tegen de duivenverkopers in de tempel zegt: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ Het ligt dus voor de hand dat ook in Joh 14 de tempel bedoeld is.

De toenmalige tempel in Jeruzalem was na de ballingschap gebouwd en ingewijd. Door Herodes de Grote was deze eenvoudige tempel vergroot en verfraaid met oa. een plein, wandelgangen, toegangspoorten en de burcht Antonia. Maar de eigenlijke tempel was nog steeds een voorhof, een gebouw met een heilig deel en een gedeelte dat het heilige der heiligen wordt genoemd.
Alleen priesters mochten in de tempel (het heilige) komen, en alleen de hogepriester in het ‘heilige der heilige’. En dat slechts één keer per jaar, nl op grote verzoendag.
Gewone mensen kwamen niet verder dan het plein voor het gebouw. Men snapte dat wel: falen en fouten en onreinheid maakten het onmogelijk dichter bij de heilige God te komen, die als een veeleisende koning en strenge rechter geldt.

Jezus daarentegen leeft in grote innigheid met God. Hij noemt hem zijn Vader en verstaat zichzelf als zijn Zoon. Het is deze band die Jezus met geloof, hoop en liefde vervult. Hij weet hoe belangrijk, hoe onmisbaar die band is om goed te kunnen leven. Dat gunt hij zijn leerlingen ook: dat ze God als een Vader ervaren. Daar heeft hij alles voor over, tot en met zijn leven. Daarom gaat Jezus kruis en lijden niet uit de weg. Op die manier zal hij duidelijk maken dat God liefde is. Liefde die falen en fouten en onreinheid voor lief neemt. Liefde die de dood overwint.

Tot deze innigheid kunnen de leerlingen zichzelf niet brengen (Joh 13: 33). Daarvoor is dit bewijs van liefde die tot het uiterste gaat nodig. Dat is zo overtuigend, zo effectief, dat het de leerlingen brengt waar Jezus ook is (Joh 14: 3) namelijk bij God: in het Vaderhuis, dwz zij leven vanaf Pasen in  verbinding met de Vader. Ze zijn opnieuw- van boven geboren (vgl Joh 3 – Nicodemus). Ze zijn voortaan kind aan huis bij God.

De vele kamers of woningen geven aan dat Gods liefde heel royaal is. Ruim genoeg voor vele (dwz alle) mensen. Behalve het vrijgevige zit er ook iets in van diversiteit: voor grote en kleine gelovigen, voor protestantse en katholieke christenen is er deze verbondenheid met God. Ook voor mensen van andere godsdiensten? Dat moeten we aan God overlaten. Hier gaat het er om dat mensen door Jezus voor Gods Vaderliefde worden gewonnen.

Het grote gebod, Mat 22: 34-40

Het grote gebod van de liefde
Mat 22: 34-40

Aanleiding
In de tijd van Jezus was het een veelbesproken vraag: welke van de geboden is de belangrijkste? Rabbijnen tellen 248 geboden en 365 verboden in de Torah, samen 613 aanwijzingen. Waar komt het dan op aan? De vraag wordt aan Jezus gesteld. We horen daarvan in Mc 12: 28-34 met kleine verschillen ook in Mat 22:34-40 en Luc 10: 25-28, bij Mat en Luc om Jezus op de proef te stellen. Dwz als een strikvraag om van Jezus een antwoord te horen waarmee hij zichzelf in de problemen brengt. Dat zou gemakkelijk kunnen, nl door van één gebod of verbod te verklaren dat die het belangrijkste is en daarmee aangeven dat de andere niet belangrijk zijn. Op een geniale manier ontwijkt Jezus deze valkuil.

 
Antwoord

Het antwoord dat Jezus geeft staat bekend als het grote gebod van de liefde. Dat is goed gekozen want om de liefde gaat het. Om de liefde tot God en om de liefde tot de naaste. Twee keer staat er daarom ‘je zult liefhebben’. Jezus zegt daarmee geen nieuwe dingen. De eerste helft van het antwoord is een citaat uit Deut 6:5, de tweede helft uit Lev 19: 8, maar de combinatie van deze twee vind je nergens in het Jodendom van toen, die is uniek.

Bij Mattheüs lezen we dat Jezus van die twee helften heeft gezegd dat het tweede aan het eerste gelijk is. Daarmee bedoelt Jezus niet dat de liefde tot God hetzelfde is als de liefde tot de naaste. Het verticale, de liefde tot God (bv bidden en naar de kerk gaan) is echt wat anders dan het horizontale, de liefde voor je naaste (bv voor je zieke buurman de heg knippen). Bedoeld is: beide helften zijn even belangrijk: gelijkwaardig. Je moet ze allebei doen. Je kúnt wel het één doen en het ander nalaten, maar dat is duidelijk niet de bedoeling. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak.
Aan het Grieks van het Nieuwe Testament kun je dat ook zien. Het in Mattheüs voor gelijk is homoia (vergelijkbaar) en niet isos (letterlijk hetzelfde).

Bij Marcus haalt Jezus eerst nog Deut 6: 4 aan, de geloofsbelijdenis van Israel. “Hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is één.” (NBG) Dat is om verschillende redenen:

  • Het onderstreept dat in de ogen van God het horizontale en het verticale één en dezelfde zaak is. Hij heeft zijn eer heeft gesteld in het geluk van mensen. Wie Hem liefheeft die zo om mensen geeft, moet zelf ook naar mensen omzien.
  • God is de enige. Het is zinloos om nog iets anders als goddelijk te vereren en te dienen
  • God is een, uit een stuk, integer. Door je op Hem alleen te richten valt je leven als mens ook niet meer zo uiteen in allerlei rollen die je speelt en maskers die je draagt.

Omdat het om liefhebben gaat, doe je dat met inzet van heel je wezen, dus met heel je hart en heel je ziel, en met heel je verstand (+ met al je kracht staat er bij Marcus en Lucas).

  • Het hart is de binnenste kern van de mens: hoe hij of zij echt is en waar zijn verlangen, zijn liefde naar uit gaat (Spr 4: 23), waar hij zijn wil op richt.
  • De ziel is in dit verband het bewustzijn: dingen kunnen voelen en ervaren en ook daarover nadenken (zelfbewustzijn).
  • Het verstand laat je in je geloof niet thuis, integendeel. Dat doet volop mee. Maar dan moet je wel weten dat het niet zozeer om objectieve kennis gaat (veel feitjes weten) als wel om relationele kennis, die je opdoet uit de omgang met God.
  • Je kracht wordt ook gevraagd, want geloof moet niet iets van enkel mooie gevoelens blijven. Het vraagt toewijding, soms moeite en offers om God lief te hebben en trouw te blijven. 

Net zoals je in een liefdesrelatie maar één partner hebt, zo is dat ook in relatie tot God. Er is naast Hem geen ruimte voor andere goden als geld, drank, carriëre enz. want niemand kan twee heren dienen (Mat 6: 24).

De tweede helft van het gebod wijst op je (niet ‘de’) naaste. Dat is niet zomaar de medemens in het algemeen, maar de concrete mens die jouw pad kruist. Iedereen kan het worden, niemand uitgesloten: je zieke buurman, een vluchteling die je tegenkomt op het plein, een eenzame vrouw die in de supermarkt een praatje met je begint, een kind dat voor jouw deur van zijn fietsje valt. Hen zul je liefhebben. Dat is je hart laten spreken en dan doen wat nodig is. Niet: hem of haar uit de weg gaan (vgl de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan die bij Lucas in dit verband staat).

Als jezelf  volgt – net als in Lev 19: 18 – op je naaste (en niet op liefhebben). Dus je moet liefhebben je naaste (die iemand is) als jezelf. Vergeet niet, als je het goed hebt, dat je of je voorgeslacht ook slechte tijden hebben gekend (Deut 26: 5).
Toch is ‘liefhebben als jezelf’ geen onzin: als je een hekel aan jezelf hebt of het leven een waardeloze zaak vindt, dan kun je niet veel voor je naaste betekenen. Volgens het evangelie ben je hoe dan ook voor God de moeite waard, zo door Hem geliefd dat we Hem Vader mogen noemen en onszelf als zijn kind mogen zien. Zo kun je jezelf aanvaarden en liefhebben. Dan zul je ook proberen je naaste te aanvaarden zoals hij of zij is.

Afronding
Jezus besluit zijn samenvatting met “Er zijn geen geboden belangrijker dan deze” (Mc). Dus je mag geen enkele van de geboden of verboden zo toepassen en gebruiken dat je je daardoor afmaakt van de zorg voor je naaste of van de liefde tot God.
Bij Mat staat het anders, maar zakelijk is het hetzelfde: “Aan deze twee geboden hangt
geheel de Wet (Torah) en de Profeten.” (NBG). Maw de liefde voor God en voor je naaste zijn verbijzonderingen van de algemene regel. In de Bergrede zegt Jezus dat hij gekomen is niet om de wet en de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen. Dat is hun ware bedoeling weer aan het licht te brengen (Mat 5: 17). Zijn strikvraag heeft de wetgeleerde niets opgeleverd tegen om tegen Jezus in te brengen.

Toch doorbreekt Jezus hier de belangrijke positie van de Torah in het Jodendom. Het is niet meer je verhouding tot de Torah met zijn vele geboden en verboden die beslist over hoe je verhouding tot God. Die verhouding wordt voortaan bepaald door je volledige, liefdevolle toewijding tot God en tot de naaste.
Wij noemen dat wel het grote gebod, maar met een uiterlijk, opgelegd moeten heeft dat weinig te maken. Het is meer een moeten van binnenuit, een niet anders kunnen. Een vrucht van het geloof.

Vraagt Jezus niet teveel?
Want wie kan dit gebod, veel-eisend als het is, (vier keer ‘heel’) waarmaken? Maar dat was de vraag niet. De vraag was ‘waar komt het op aan?’ En Jezus geeft een antwoord dat we met instemming begroeten, ook al schieten we te kort in de uitwerking. Jezus heeft dit gebod wel waargemaakt, zijn leven lang en ihb aan het einde als hij hangt aan het kruis. Het horizontale: hij scheldt zijn beulen niet, maar bidt voor hen ‘Vader, vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen (Luc 23: 34). Het verticale: hij vervloekt God niet, maar bidt ‘Vader, in uw handen mijn Geest’ (Luc 23: 46). Hij sterft zoals hij heeft geleefd.

Of toch alleen het horizontale?
Op de volgende plaatsen is er sprake van enkel je naaste liefhebben:
Mat 7: 12 waar Jezus zegt:
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.”
In Rom 13: 9 en Gal 5: 14 stelt Paulus dat je je naaste moet liefhebben als jezelf want dat is de vervulling en samenvatting van al Gods geboden.
De beperking tot het horizontale zal te maken hebben met het verband waarin deze teksten voorkomen. De context van Paulus samenvatting is in beide gevallen het slot van de brief, waarin hij gewoon is allerlei praktische aanwijzingen te geven voor het leven van christenen onderling. Dan volstaat het enkel het horizontale aan te halen. En in Mattheüs is dat eigenlijk ook zo.

De gulden regel
Overigens lijkt dit op het bekende gezegdeWat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.” Maar dat is heel wat anders. Dat is negatief. Je zegt daarmee alleen wat je niet moet doen, nl geen overlast bezorgen. Bv als ik me stoor aan de herrie van de buren, moet ik zelf de muziek ook niet zo hard zetten, dat de buren die door de muur heen kunnen horen. De negatieve formulering is een beperking en wordt gemotiveerd door eigenbelang, niet door de liefde.
Ook als je deze gouden regel positief formuleert als ‘behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’ (bv met respect) heb je daarmee nog niet gezegd dat je je naaste moet liefhebben, dwz dienen, helpen, vergeven.  Jezus’ samenvatting is onovertroffen.

De keizerlijke belasting, Mat 22: 15-22

Dit gedeelte hebben Mattheüs en Lucas (20: 20-26) beiden uit Marcus 12: 13-17 overgenomen en daarbij kleine wijzigingen aangebracht. Bij Mattheüs staat deze episode in een lange rij van toenemend verzet tegen Jezus.

In 22: 15 willen de Farizeeën hem met een strikvraag vangen. Ze sturen een paar van hun leerlingen met de zgn Herodianen. Daarmee kunnen nakomelingen zijn bedoeld van koning Herodes de Grote zoals bv Herodes Antipas (4vC – 39nC ), die in feite vazalvorsten waren van de keizer in Rome. Maar meer voor de hand ligt dat het om hun aanhangers gaat: een politieke stroming die belang had bij het pro-Romeinse bestuur in Israël. Dat de Farizeeën met de Herodianen samenwerken wekt verbazing: de Farizeeën waren juist afkerig van de Romeinse bezetter en hun invloed op samenleving en cultuur. Maar zo’n monsterverbond komt vaker voor: in hun afkeer van Jezus worden gezworen vijanden soms vrienden (vgl Luc 23: 12).

22: 16 Ze beginnen met Jezus te prijzen: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen.
Het woord dat Mattheüs voor oprecht en oprechtheid gebruikt is het gangbare woord voor waarheid en betekent oorspronkelijk ‘onverhuld’, ‘onverborgen’. Jezus openbaart de waarheid over de weg van God, dwz wat God van mensen verwacht. Hij brengt die frank en vrij aan het licht. Hij trekt zich niets aan van wat de mensen hoog of laag, machtig of niet ervan vinden. Dat is een groot compliment. De vragenstellers spreken onbedoeld zelfs de waarheid over Jezus, alleen zij menen er niets van. Ze geloven niet dat hij ‘waarheid’ is die niets verhult. Daar zullen ze straks nog achter komen wanneer ze zelf als hypocrieten ontmaskerd worden.

22: 17 De tegenstanders hebben een strikvraag in gedachten en door Jezus eerst zo te prijzen, moet hij straks wel antwoord geven. ‘Zeg ons daarom wat u vindtis het toegestaan de keizer belasting (census, ons woord accijns is daarvan afgeleid) te betalen of niet?’
Toegestaan staat in verband met de Joodse wet: mag je van God belasting betalen aan de keizer in Rome die er zijn soldaten mee betaalt? Die door de belasting het volk uitmergelt en verarmt? Bovendien stond op de belastingmunt de beeltenis van de keizer, en het tweede van de tien geboden verbiedt gesneden beelden. En alsof het nog niet erg genoeg was staat er een tekst op die de keizer goddelijk verklaart. In de tempel gebruikten Joden muntjes zonder afbeeldingen.

Is het toegestaan? De Herodianen zullen die vraag wel met ja beantwoorden, de Farizeeën liever met nee. Maar wat zal Jezus zeggen? Zegt hij ja, dan verliest hij direct een flink deel van zijn aanhang onder de bevolking die zwaar leed onder de belastingen die de Romeinse bezetter oplegde. Zegt hij nee, dan staat hij op hetzelfde moment als staatsgevaarlijk bekend en moet hij vrezen voor zijn leven.*

Jezus neemt echter geen genoegen met de twee opties die ze hem voor houden. Hij laat zich niet in het ene of andere kamp duwen.

22: 18-19 Hij doorziet hun slechte bedoelingen en noemt zijn tegenstanders ronduit ‘huichelaars‘. Een scherp contrast met het compliment dat zij Jezus eerder maakten. Maar het is de waarheid: het zijn hypocrieten die met hun zgn gewetensvraag enkel op de val van Jezus uit zijn. Dat Jezus hun ‘huichelaars’ noemt, hadden ze kunnen verwachten van hem die zij eerder een man van waarheid noemden, een die niemand naar de ogen kijkt.

‘Waarom stellen jullie me op de proef?’ (zoals de duivel eerder, Mat 4: 1vv) En zonder een antwoord af te wachten, beveelt Jezus (20: 19) ‘Laat me de belastingmunt zien!’ Prompt geven ze die: een denarius, dat is een zilverstuk ter waarde van een dagloon. Dat ze er een bij zich hebben, geeft al te denken: voor de vragenstellers is de munt blijkbaar een geaccepteerd betaalmiddel. Opnieuw blijkt hun hypocrisie.

20:21a Dan stelt Jezus hun deze vraag (20: 20) ‘van wie is dit een afbeelding (ikoon) en van wie is het opschrift? Van de keizer‘ is het antwoord.

Wat het opschrift betreft: op de kopkant staat te lezen TI CAESAR DIVI AVG F AVGVSTVS (Tiberius Caesar goddelijke en verheven, zoon van Augustus) en op de andere kant PONTIF MAXIM (hogepriester). Tiberius Julius was de tweede keizer van Rome van 14-37 nC.

Beeld en opschrift maken de denarius voor vrome Joden nog bezwaarlijker dan die als belastingmunt al is. 

20:21b Dan volgt het antwoord van Jezus: geeft dan aan de keizer wat van de keizer is, en wat van God is aan God. Dat is niet alleen antwoord op de vraag over de keizerlijke belasting. Maar ook een opmerking over wat mensen aan God moeten geven.

Wat is van de keizer? Dat is waar zijn naam en beeltenis op staat: de munten

Wat is van God? Wat draag zijn beeld? Dat zijn wij, de mensen, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis (Gen 1:27). Onze roeping, onze bestemming is het om God zichtbaar te maken door zijn wil te doen en naar elkaar om te zien.*

Met de eerste helft van dit antwoord geeft Jezus aan dat als de keizer belastingen oplegt, die zonder gewetensnood betaald kunnen worden. Weigeren heeft trouwens toch geen zin: de legers dwingen het gewoon af. Nog niet zo lang daarvoor (6nC) was Judas de Galileeër met zijn troepen in opstand gekomen tegen de census, en bloedig verslagen.
Veel zwaarder weegt de tweede helft: dat we God geven wat hem toekomt: geen geld of wat anders, maar onszelf aan hem toewijden. Met hart en ziel, met al ons verstand en met alle kracht zullen we hem liefhebben en onze naaste als onszelf. Zo weerspiegelen we de liefde en trouw van God, zijn we ikonen: beelddragers van God.

20:22 Nu weten de tegenstanders niets meer te zeggen en druipen af.

Tweerijkenleer?
Dit antwoord is wel eens uitgelegd in het kader van de zgn twee-rijken leer, waarbij de keizer / de overheid voor het wereldlijk bestuur zorgt en de paus / de synode voor het rijk van Christus. Alsof kerk en staat (geloof en politiek, zondag en maandag) twee gescheiden werelden zijn, elk met eigen wetten. Er is een andere verhouding tussen die twee. Als beelddragers van God zijn we geroepen om ook in de politiek, in zaken, op maandag uit te beelden wie God is. ‘We moeten God meer gehoorzamen dan mensen’, zegt Petrus (Hnd 5: 29). ‘We hebben ons burgerrecht in de hemel’ zou Paulus later schrijven (Filp 3:20)

Jezus zelf is bij uitstek beelddrager van God geweest. Oprecht en in waarheid, zonder iemand naar de ogen te zien. De uiterste consequentie is hij niet uit de weg gegaan.

* Later zou Jezus ervan beschuldigd worden dat hij het volk verbood de keizer belasting te betalen, maar Pilatus vindt de beschuldiging ongegrond; Luc 23: 1-4)

** De Rabbijnse traditie heeft overigens een vergelijkbaar antwoord (Hillel, Lev. Rabba 24.4). Hebben ze dit van Jezus? Of is het andersom? Of putten ze beide uit een gezamenlijke bron? Of hebben ze onafhankelijk van elkaar dit bedacht?