Context
Dit gedeelte sluit aan op Mat 19: 30 “Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.”
Deze uitspraak staat ook in Mc 10: 31 en Luc 13:30.

Oorspronkelijk zal deze uitspraak en de daarop volgende gelijkenis (die we alleen bij Mattheüs vinden) gesproken zijn tot de Farizeeën die bezwaar maken tegen Jezus’ tafelgemeenschap met hoeren en tollenaren. Maar Matheüs past deze gelijkenis zelfkritisch toe op de christelijke gemeente die gemakkelijk het evangelie vergeet en weer wettisch (voor wat hoort – hoort wat, naar evenredigheid, kwantitatief ipv kwalitatief) gaat denken. Dat blijkt uit de vraag van Petrus ‘Wat zal onze beloning zijn, wij die alles opgegeven hebben om u te volgen?’ (Mat 19: 27).

De gelijkenis
Een gelijkenis is geen allegorie die in allerlei details diepere geloofsinzichten bevat. Zo is deze gelijkenis wel eens uitgelegd. Bv Origenes, die aannam dat het eerste, derde, zesde uur enz. betrekkking had op de verschillende leeftijden waarop mensen christen worden. De gelijkenis is echter een samenhangend verhaal dat in zijn geheel verstaan moet worden.
De opbouw is eenvoudig. Het eerste deel (1-7) vertelt van een landheer die dagloners zoekt voor het werk op zijn wijngaard. Meermalen gaat hij erop uit. Met als gevolg dat sommige dagloners de hele dag werken, andere niet zo lang of zelfs maar één uurtje.
In het tweede deel (8-15) ontvangen de werkers hun loon. Ze krijgen allemaal evenveel, nl de ene denarius die de landheer met de werkers van het eerste uur had afgesproken. Dat ontlokt bij hen een hevig protest. De landheer legt vervolgens zijn gedrag uit en vraagt aan de protesterende arbeiders zet het kwaad bloed dat ik goed ben”? “

1a
De gelijkenis wordt ingeluid met een standaardformule “Want het is met het koninkrijk der hemelen als met…’ Dat betekent ‘Zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen’ of ‘deze dingen gebeuren waar God koning is’

1b-7
Een landheer met een wijngaard heeft arbeiders nodig voor de druivenoogst. Bij het ochtendgloren gaat hij er op uit en later die dag nog een paar keer. De dag – de tijd dat het licht is – is ingedeeld in 12 uren, evenals de nacht. (In de zomer als het lang licht is, en de nachten kort duren de uren overdag dus langer dan in nacht. En de uren overdag duren in de zomer ook langer dan in de winter).

Het ochtendgloren is het zesde uur. Drie uur later (vs 3) is het negen uur. Weer drie uur later is het middag uur (12 uur). Nog drie uur later is het halverwege de middag (vs 5). Het elfde uur van de dag is dus één uur voordat het donker wordt (6).

Met de eersten spreekt de landheer een loon af van één denarius, het gebruikelijke dagloon. Wat hij met de werkers afspreekt die later beginnen blijft onduidelijk. De groep die rond het negende uur begint krijgt te horen dat  ‘de betaling rechtvaardig zal zijn’ (vs 4). De andere groepen horen hier helemaal niets over. De hoorders van de gelijkenis zullen (net als wij waarschijnlijk) denken dat de latere groepen naar evenredigheid minder zullen krijgen dan de ene denarius die met de eerste groep was afgesproken. Zo is ons gevoel van rechtvaardigheid nu eenmaal.

Waarom ging de landheer meermalen erop uit om arbeiders te zoeken? Was de oogst bijzonder groot? Werkten zijn knechten niet hard genoeg? Of wilde hij dat er geen landarbeiders zonder werk en dus ook zonder loon zouden achterblijven, met alle nare gevolgen voor hun gezinnen? Dat is allemaal speculatie. We lezen er niets over. De gelijkenis is zonder antwoorden op deze vragen prima te verstaan. Met giswerk op vragen die er niet toe doen raken we gemakkelijk de strekking van de gelijkenis uit het oog.

Daarom moeten we ook niet speculeren over de reden waarom niemand de laatste groep landarbeiders in dienst wilde nemen. Er wordt niets gezegd over hoge leeftijden, handicaps, luiheid enz. De vraag van de landheer hoeft trouwens niet verwijtend opgevat te worden. Hij kan het ook verwonderd – bij het zien van potige landarbeiders en dat midden in het oogstseizoen – gevraagd hebben. Blijkbaar waren vraag en aanbod van werknemers niet in evenwicht.

8-15
De rentmeester krijgt opdracht de lonen uit te betalen. De landheer heeft hem natuurlijk gezegd dat dat loon één denarius moest zijn. Maar dat vertelt Jezus hier niet. Zo blijft de spanning nog even gehandhaafd.
Bijzonder is de instructie om te beginnen met degenen die het kortst gewerkt hebben. Daardoor kan het niet anders of de andere landarbeiders horen en zien wat die verdiend hebben. De landheer wil hun een reactie ontlokken.

Zijn opzet slaagt. Als de knechten van het eerste uur zien wat de werkers van het laatste uur krijgen, nemen zij aan dat zij meer zullen krijgen. Zij hebben twaalf keer zo lang gewerkt waaronder vele uren dat de zon hoog aan de hemel staat. Maar ook zij krijgen één denarius. Daar zijn ze niet tevreden mee. Ze gaan hun beklag doen bij de landheer. Zonder hem aan te spreken en op hun relatie met de landheer te wijzen leggen ze hem hun klacht voor. Dat is erg onbeleefd.

Het antwoord van de landheer aan één van hen (de grootste schreeuwer?) is beleefd en vriendelijk: ‘beste man’… Daarmee geeft de landheer aan dat hij de verbinding zoekt en wel een relatie wil.
Zijn antwoord is ook heel beslist: “Ik behandel je toch niet onrechtvaardig?” Een rhetorische vraag: het antwoord is duidelijk (inderdaad, niet onrechtvaardig) voor de landarbeiders, de hoorders van Jezus en de lezers van Mattheüs en ons vandaag. Bij wijze van verduidelijking volgt dan de verklaring waarom degenen die korter werkten toch één denarius kregen. Dat is puur omdat de landheer dat nu eenmaal wil. En hij mag toch doen met zijn geld (ook mogelijk: ‘op mijn erf’) wat hij wil? Rechtvaardig is de landheer omdat hij het recht heeft zo te doen en geen enkele afspraak breekt of regel overtreedt.

Daarmee haakt de landheer aan bij het eerdere (vs 4)  ‘de betaling zal rechtvaardig zijn’. Inderdaad is het handelen van de landheer niet onrechtvaardig. Maar het is ook niet rechtvaardig in de gewone zin van het woord (beloning naar evenredigheid). Wat is zijn handelen dan wel? Het woordje goed valt in vs 15. Daarmee komen we in een andere categorie. Het zakelijke en kwantitatieve van (on)rechtvaardig maakt plaats voor ‘het goede’. De landheer wil de laatsten hetzelfde geven als de eersten. Dat komt uit zijn goedheid voort: de laatsten hebben net zo goed een denarius, een dagloon nodig als de eersten om hun gezin te kunnen onderhouden. Met minder kunnen ze niet toe. Hij gunt hun dat.

Dat loopt uit op de vraag ‘zet het kwaad bloed (letterlijk ‘is uw oog boos’) dat ik goed ben?’  De reactie van de klagende werkers wordt niet meer verteld. Bleven ze boos, of kwamen ze bij nader inzien tot inkeer? De gelijkenis heeft een open einde. Zo wordt de hoorder / lezer van de gelijkenis bij zichzelf na te gaan hoe hij/zij zou reageren.

16
Dan volgt opnieuw de uitpraak waar deze gelijkenis een illustratie bij is: Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten. Nu in omgekeerde volgorde vergeleken met Mat 19: 27. De uitspraak was oorspronkelijk mogelijk een gezegde of een volkswijsheid met als betekenis ‘wat kunnen de dingen in je leven soms veranderen’. Maar de spreuk krijgt door de gelijkenis een nieuwe betekenis: zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen: de zondaar van het laatste moment krijgt hetzelfde loon als de gelovige van het eerste uur. En de gelovige van het eerste uur moet niet menen dat dat oneerlijk is. Want in het koninkrijk der hemelen gaat het niet puur zakelijk toe. Er is liefde in het spel. De wil van God de Vader om mensen terecht te brengen en aan zich te binden. Die hernieuwde relatie met God is het loon dat bij het geloof hoort. Dat ene loon is voor iedereen die gaat geloven hetzelfde. Of je dat nu lang of kort doet.

Als je langer gelooft en dit oneerlijk vindt, dan zit je niet meer met God op dezelfde lijn van liefde en hartelijkheid. Dan ben je weer terup op het voor-gelovige niveau van zakelijke relaties waar het gaat om de beloning en niet meer om de vreugde van een goede verhouding met God. In de gelijkenis zijn het de werkers van het eerste uur die op deze lijn zitten. In de wereld van Jezus de Farizeeën. Als Mattheüs zijn evangelie schrijft zijn het christenen die dit verdienste denken (loon naar prestatie) in de kerk brengen.
Elke keer als deze gelijkenis uitgelegd wordt in de prediking probeert de prediker zijn hoorders uit het (rechtvaardige) ‘voor wat – hoort wat’ weg te krijgen en terug te brengen naar het niveau van het goede, waarin ze enkel God liefhebben en dienen om niet. Dankbaar en blij om alles wat hij hun en anderen geeft en wilde vergeven.

16b
Na deze woorden hebben veel (de zgn Textus Receptus) oude Griekse handschriften nog “want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”. Maar belangrijkere en oudere hebben dit niet. Als deze woorden oorspronkelijk er wel bij hoorden is  niet te verklaren waarom ze in sommige handschrijften ontbreken. Het gaat waarschijnlijk om een latere aanvulling waarmee de overschrijvers weer een heel ander thema introduceren: dat van de verkiezing/verwerping. De zgn Statenvertaling, gebaseerd op de Textus Receptus, heeft dus ook deze aanvulling, de latere vertalingen van het NBG laten dit stukje terecht weg.

Vergelijkbare verhalen
In de latere rabbijnse literatuur is een interessante parallel met deze gelijkenis. Daar krijgen de laatsten ook hetzelfde als de eersten. Maar de verklaring is een heel andere: de laatsten hebben zoveel harder en beter gewerkt dat ze minstens zoveel hebben gepresteerd als degenen die al eerder waren begonnen. Daarom verdienen ze hetzelfde loon. Hier blijft het verdienste-schema in tact; er is geen beloning die verrassend het ‘loon naar werken’ doorbreekt.

Dezelfde zaak komt in een ander beeldverhaal ook naar voren: de gelijkenis van de vader met de twee zonen (Luc 15: 11-32). De oudste reageert verontwaardigd als zijn vader zijn jongere broer allerhartelijkst ontvangt. Daarmee laat de oudste zien dat hij op de lijn van de gewone rechtvaardigheid zit en de regel van loon naar werken voor zichzelf en voor zijn jongere broer wil toegepast zien. Dat hij, de oudste,  ondertussen al die tijd bij zijn vader was en alles het zijne mag noemen (vs 31), zegt hem blijkbaar niets.

Conclusie
In het Koninkrijk der hemelen gaat het anders toe dan wij verwachten: God doet wat hij wil. Hij gaat zijn eigen gang. Hij wil goed zijn en de redenen daarvoor ontleent hij aan zichzelf; niet aan ons goede en ijverige gedrag. Hij is rechtvaardig op een manier die ons idee van rechtvaardigheid te boven gaat. Hij breekt die niet maar overtreft die door zijn liefde te laten spreken. Omgekeerd: zijn liefde spoort ons aan om goed en ijverig in de wijngaard aan het werk te gaan. En blij te zijn met ieder die zich vroeg of laat (de moordenaar aan het kruis, Luc 23: 43) door deze God laat winnen.