GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

A. van de Beek, Hier beneden is het niet

De titel zult u misschien herkennen als een regel van een lied uit de Hervormde Bundel

”t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet! ‘
t Ware leven, lieven, loven is maar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoor’ of zie op aard’, is ons kost’lijk hart niet waard;
wil men leven, lieven, loven: ’t oog omhoog, het hart naar boven!’

Het lied wijst de weg naar omhoog, naar het eeuwige leven in de hemel bij God (verticalisme). Dat is een geluid dat in kerk en geloof steeds minder is gaan klinken. De nadruk is steeds meer komen te liggen op dit leven: dat moest de moeite waard zijn. En op deze aarde: die moest verbeterd worden. Het is ook wel nodig geweest om dat te benadrukken. De kerk heeft armoede en onrecht vaak maar weinig in de weg gelegd (Marx). En we zijn als mensen toch tot heel wat goeds in staat: vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping. Maar door die verschuiving lijkt het tegenwoordig wel of christen zijn hetzelfde is als je inzetten voor het behoud van mens en wereld (horizontalisme). Het is niet altijd duidelijk waarin de kerk zich onderschiedt van een organisatie als de Zonnebloem.

Dat is jammer. Want in het geloof gaat het om meer. In de bijbel gaat het toch ook om bekering, doop en wedergeboorte, het oordeel over je leven, de komst van Christus, de herschepping van hemel en aarde. Zijn dat allemaal restjes van vroeger, waar we nu niets meer mee kunnen? Zo prof. Kuitert in zijn laatste boeken, of ds. Hendrikse. Of gaat het ook in deze dingen juist om het wezen van het geloof? Op die lijn zit A. van de Beek. Hij is hoogleraar aan de VU. Maar zijn geleerdheid heeft hem niet belet om een toegankelijk boekje te schrijven over deze dingen.

Vanwaar die verschuiving van verticalisme naar horizontalisme? Komt dat door de ontwikkeling in wetenschap en de toegenomen mogelijkheden die de techniek aan ons mensen biedt? De echte motor achter deze verschuiving is onze verlegenheid met God. De bijbel leert ons dat God rechtvaardig is. Maar wij zien ondertussen het onrecht in de wereld. Daardoor denken we dat er geen God is: we merken niets van hem. Dan kan gemakkelijk de gedachte op komen dat God geen andere handen heeft dan de onze (horizontalisme). Van de Beek wil die kant niet op. Hij geeft een radicale interpretatie van kruis en opstanding van Jezus. God heeft eens en voorgoed ingegrepen, nl. in Jezus Christus. In de dood van Hem die tot het zijne kwam, voltrekt zich het oordeel over de wereld (111), het laatste oordeel te weten: onze wereld is hopeloos verloren in zonde en schuld (110). De reddingspogingen die wij wisten te bedenken (godsdienst, politiek, techniek) hebben niet geholpen. Wat is christen zijn in dit perspectief? Dat is dit oordeel aanvaarden en met Christus sterven. Het is aanvaarden dat we verloren, onrechtvaardige mensen zijn. (110) Dat klinkt pessimistisch voor wie van het menselijk kunnen heel wat verwacht. Maar wie niet zo optimistisch is over onze mogelijkheden, is het juist heel bevrijdend: je raakt veel van je krampachtigheid en getob en zorgen kwijt. Christenen zijn mensen van hoop: wij hopen erop eens te mogen delen in de heerlijkheid van de gekruisigde Heer, die onze God is. En zolang wij daarnaar uitzien leven wij hier op aarde en vertellen elkaar en anderen van Jezus, bidden God om het komen van zijn rijk, en proberen als nieuwe mensen het verkeerde na te laten, het goede te doen.

Het is geen modieus boekje dat van de Beek geschreven heeft. Vooral die ontnuchterende hoofdstukken 2 en 5 over onze menselijke mogelijkheden zullen prikkelen. Misschien had hij daar ook iets genuanceerder en positiever over kunnen zijn. Hoe dan ook: het is de verdienste van de auteur dat hij laat zien hoe onze toekomsverwachting en verantwoordelijkheid voor mens en wereld met het geloof aan Jezus’ kruis en opstanding gegeven is.