GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Maand: oktober 2020

Het grote gebod, Mat 22: 34-40

Het grote gebod van de liefde
Mat 22: 34-40

Aanleiding
In de tijd van Jezus was het een veelbesproken vraag: welke van de geboden is de belangrijkste? Rabbijnen tellen 248 geboden en 365 verboden in de Torah, samen 613 aanwijzingen. Waar komt het dan op aan? De vraag wordt aan Jezus gesteld. We horen daarvan in Mc 12: 28-34 met kleine verschillen ook in Mat 22:34-40 en Luc 10: 25-28, bij Mat en Luc om Jezus op de proef te stellen. Dwz als een strikvraag om van Jezus een antwoord te horen waarmee hij zichzelf in de problemen brengt. Dat zou gemakkelijk kunnen, nl door van één gebod of verbod te verklaren dat die het belangrijkste is en daarmee aangeven dat de andere niet belangrijk zijn. Op een geniale manier ontwijkt Jezus deze valkuil.

 
Antwoord

Het antwoord dat Jezus geeft staat bekend als het grote gebod van de liefde. Dat is goed gekozen want om de liefde gaat het. Om de liefde tot God en om de liefde tot de naaste. Twee keer staat er daarom ‘je zult liefhebben’. Jezus zegt daarmee geen nieuwe dingen. De eerste helft van het antwoord is een citaat uit Deut 6:5, de tweede helft uit Lev 19: 8, maar de combinatie van deze twee vind je nergens in het Jodendom van toen, die is uniek.

Bij Mattheüs lezen we dat Jezus van die twee helften heeft gezegd dat het tweede aan het eerste gelijk is. Daarmee bedoelt Jezus niet dat de liefde tot God hetzelfde is als de liefde tot de naaste. Het verticale, de liefde tot God (bv bidden en naar de kerk gaan) is echt wat anders dan het horizontale, de liefde voor je naaste (bv voor je zieke buurman de heg knippen). Bedoeld is: beide helften zijn even belangrijk: gelijkwaardig. Je moet ze allebei doen. Je kúnt wel het één doen en het ander nalaten, maar dat is duidelijk niet de bedoeling. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak.
Aan het Grieks van het Nieuwe Testament kun je dat ook zien. Het in Mattheüs voor gelijk is homoia (vergelijkbaar) en niet isos (letterlijk hetzelfde).

Bij Marcus haalt Jezus eerst nog Deut 6: 4 aan, de geloofsbelijdenis van Israel. “Hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is één.” (NBG) Dat is om verschillende redenen:

  • Het onderstreept dat in de ogen van God het horizontale en het verticale één en dezelfde zaak is. Hij heeft zijn eer heeft gesteld in het geluk van mensen. Wie Hem liefheeft die zo om mensen geeft, moet zelf ook naar mensen omzien.
  • God is de enige. Het is zinloos om nog iets anders als goddelijk te vereren en te dienen
  • God is een, uit een stuk, integer. Door je op Hem alleen te richten valt je leven als mens ook niet meer zo uiteen in allerlei rollen die je speelt en maskers die je draagt.

Omdat het om liefhebben gaat, doe je dat met inzet van heel je wezen, dus met heel je hart en heel je ziel, en met heel je verstand (+ met al je kracht staat er bij Marcus en Lucas).

  • Het hart is de binnenste kern van de mens: hoe hij of zij echt is en waar zijn verlangen, zijn liefde naar uit gaat (Spr 4: 23), waar hij zijn wil op richt.
  • De ziel is in dit verband het bewustzijn: dingen kunnen voelen en ervaren en ook daarover nadenken (zelfbewustzijn).
  • Het verstand laat je in je geloof niet thuis, integendeel. Dat doet volop mee. Maar dan moet je wel weten dat het niet zozeer om objectieve kennis gaat (veel feitjes weten) als wel om relationele kennis, die je opdoet uit de omgang met God.
  • Je kracht wordt ook gevraagd, want geloof moet niet iets van enkel mooie gevoelens blijven. Het vraagt toewijding, soms moeite en offers om God lief te hebben en trouw te blijven. 

Net zoals je in een liefdesrelatie maar één partner hebt, zo is dat ook in relatie tot God. Er is naast Hem geen ruimte voor andere goden als geld, drank, carriëre enz. want niemand kan twee heren dienen (Mat 6: 24).

De tweede helft van het gebod wijst op je (niet ‘de’) naaste. Dat is niet zomaar de medemens in het algemeen, maar de concrete mens die jouw pad kruist. Iedereen kan het worden, niemand uitgesloten: je zieke buurman, een vluchteling die je tegenkomt op het plein, een eenzame vrouw die in de supermarkt een praatje met je begint, een kind dat voor jouw deur van zijn fietsje valt. Hen zul je liefhebben. Dat is je hart laten spreken en dan doen wat nodig is. Niet: hem of haar uit de weg gaan (vgl de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan die bij Lucas in dit verband staat).

Als jezelf  volgt – net als in Lev 19: 18 – op je naaste (en niet op liefhebben). Dus je moet liefhebben je naaste (die iemand is) als jezelf. Vergeet niet, als je het goed hebt, dat je of je voorgeslacht ook slechte tijden hebben gekend (Deut 26: 5).
Toch is ‘liefhebben als jezelf’ geen onzin: als je een hekel aan jezelf hebt of het leven een waardeloze zaak vindt, dan kun je niet veel voor je naaste betekenen. Volgens het evangelie ben je hoe dan ook voor God de moeite waard, zo door Hem geliefd dat we Hem Vader mogen noemen en onszelf als zijn kind mogen zien. Zo kun je jezelf aanvaarden en liefhebben. Dan zul je ook proberen je naaste te aanvaarden zoals hij of zij is.

Afronding
Jezus besluit zijn samenvatting met “Er zijn geen geboden belangrijker dan deze” (Mc). Dus je mag geen enkele van de geboden of verboden zo toepassen en gebruiken dat je je daardoor afmaakt van de zorg voor je naaste of van de liefde tot God.
Bij Mat staat het anders, maar zakelijk is het hetzelfde: “Aan deze twee geboden hangt
geheel de Wet (Torah) en de Profeten.” (NBG). Maw de liefde voor God en voor je naaste zijn verbijzonderingen van de algemene regel. In de Bergrede zegt Jezus dat hij gekomen is niet om de wet en de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen. Dat is hun ware bedoeling weer aan het licht te brengen (Mat 5: 17). Zijn strikvraag heeft de wetgeleerde niets opgeleverd tegen om tegen Jezus in te brengen.

Toch doorbreekt Jezus hier de belangrijke positie van de Torah in het Jodendom. Het is niet meer je verhouding tot de Torah met zijn vele geboden en verboden die beslist over hoe je verhouding tot God. Die verhouding wordt voortaan bepaald door je volledige, liefdevolle toewijding tot God en tot de naaste.
Wij noemen dat wel het grote gebod, maar met een uiterlijk, opgelegd moeten heeft dat weinig te maken. Het is meer een moeten van binnenuit, een niet anders kunnen. Een vrucht van het geloof.

Vraagt Jezus niet teveel?
Want wie kan dit gebod, veel-eisend als het is, (vier keer ‘heel’) waarmaken? Maar dat was de vraag niet. De vraag was ‘waar komt het op aan?’ En Jezus geeft een antwoord dat we met instemming begroeten, ook al schieten we te kort in de uitwerking. Jezus heeft dit gebod wel waargemaakt, zijn leven lang en ihb aan het einde als hij hangt aan het kruis. Het horizontale: hij scheldt zijn beulen niet, maar bidt voor hen ‘Vader, vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen (Luc 23: 34). Het verticale: hij vervloekt God niet, maar bidt ‘Vader, in uw handen mijn Geest’ (Luc 23: 46). Hij sterft zoals hij heeft geleefd.

Of toch alleen het horizontale?
Op de volgende plaatsen is er sprake van enkel je naaste liefhebben:
Mat 7: 12 waar Jezus zegt:
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.”
In Rom 13: 9 en Gal 5: 14 stelt Paulus dat je je naaste moet liefhebben als jezelf want dat is de vervulling en samenvatting van al Gods geboden.
De beperking tot het horizontale zal te maken hebben met het verband waarin deze teksten voorkomen. De context van Paulus samenvatting is in beide gevallen het slot van de brief, waarin hij gewoon is allerlei praktische aanwijzingen te geven voor het leven van christenen onderling. Dan volstaat het enkel het horizontale aan te halen. En in Mattheüs is dat eigenlijk ook zo.

De gulden regel
Overigens lijkt dit op het bekende gezegdeWat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.” Maar dat is heel wat anders. Dat is negatief. Je zegt daarmee alleen wat je niet moet doen, nl geen overlast bezorgen. Bv als ik me stoor aan de herrie van de buren, moet ik zelf de muziek ook niet zo hard zetten, dat de buren die door de muur heen kunnen horen. De negatieve formulering is een beperking en wordt gemotiveerd door eigenbelang, niet door de liefde.
Ook als je deze gouden regel positief formuleert als ‘behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’ (bv met respect) heb je daarmee nog niet gezegd dat je je naaste moet liefhebben, dwz dienen, helpen, vergeven.  Jezus’ samenvatting is onovertroffen.

De keizerlijke belasting, Mat 22: 15-22

Dit gedeelte hebben Mattheüs en Lucas (20: 20-26) beiden uit Marcus 12: 13-17 overgenomen en daarbij kleine wijzigingen aangebracht. Bij Mattheüs staat deze episode in een lange rij van toenemend verzet tegen Jezus.

In 22: 15 willen de Farizeeën hem met een strikvraag vangen. Ze sturen een paar van hun leerlingen met de zgn Herodianen. Daarmee kunnen nakomelingen zijn bedoeld van koning Herodes de Grote zoals bv Herodes Antipas (4vC – 39nC ), die in feite vazalvorsten waren van de keizer in Rome. Maar meer voor de hand ligt dat het om hun aanhangers gaat: een politieke stroming die belang had bij het pro-Romeinse bestuur in Israël. Dat de Farizeeën met de Herodianen samenwerken wekt verbazing: de Farizeeën waren juist afkerig van de Romeinse bezetter en hun invloed op samenleving en cultuur. Maar zo’n monsterverbond komt vaker voor: in hun afkeer van Jezus worden gezworen vijanden soms vrienden (vgl Luc 23: 12).

22: 16 Ze beginnen met Jezus te prijzen: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen.
Het woord dat Mattheüs voor oprecht en oprechtheid gebruikt is het gangbare woord voor waarheid en betekent oorspronkelijk ‘onverhuld’, ‘onverborgen’. Jezus openbaart de waarheid over de weg van God, dwz wat God van mensen verwacht. Hij brengt die frank en vrij aan het licht. Hij trekt zich niets aan van wat de mensen hoog of laag, machtig of niet ervan vinden. Dat is een groot compliment. De vragenstellers spreken onbedoeld zelfs de waarheid over Jezus, alleen zij menen er niets van. Ze geloven niet dat hij ‘waarheid’ is die niets verhult. Daar zullen ze straks nog achter komen wanneer ze zelf als hypocrieten ontmaskerd worden.

22: 17 De tegenstanders hebben een strikvraag in gedachten en door Jezus eerst zo te prijzen, moet hij straks wel antwoord geven. ‘Zeg ons daarom wat u vindtis het toegestaan de keizer belasting (census, ons woord accijns is daarvan afgeleid) te betalen of niet?’
Toegestaan staat in verband met de Joodse wet: mag je van God belasting betalen aan de keizer in Rome die er zijn soldaten mee betaalt? Die door de belasting het volk uitmergelt en verarmt? Bovendien stond op de belastingmunt de beeltenis van de keizer, en het tweede van de tien geboden verbiedt gesneden beelden. En alsof het nog niet erg genoeg was staat er een tekst op die de keizer goddelijk verklaart. In de tempel gebruikten Joden muntjes zonder afbeeldingen.

Is het toegestaan? De Herodianen zullen die vraag wel met ja beantwoorden, de Farizeeën liever met nee. Maar wat zal Jezus zeggen? Zegt hij ja, dan verliest hij direct een flink deel van zijn aanhang onder de bevolking die zwaar leed onder de belastingen die de Romeinse bezetter oplegde. Zegt hij nee, dan staat hij op hetzelfde moment als staatsgevaarlijk bekend en moet hij vrezen voor zijn leven.*

Jezus neemt echter geen genoegen met de twee opties die ze hem voor houden. Hij laat zich niet in het ene of andere kamp duwen.

22: 18-19 Hij doorziet hun slechte bedoelingen en noemt zijn tegenstanders ronduit ‘huichelaars‘. Een scherp contrast met het compliment dat zij Jezus eerder maakten. Maar het is de waarheid: het zijn hypocrieten die met hun zgn gewetensvraag enkel op de val van Jezus uit zijn. Dat Jezus hun ‘huichelaars’ noemt, hadden ze kunnen verwachten van hem die zij eerder een man van waarheid noemden, een die niemand naar de ogen kijkt.

‘Waarom stellen jullie me op de proef?’ (zoals de duivel eerder, Mat 4: 1vv) En zonder een antwoord af te wachten, beveelt Jezus (20: 19) ‘Laat me de belastingmunt zien!’ Prompt geven ze die: een denarius, dat is een zilverstuk ter waarde van een dagloon. Dat ze er een bij zich hebben, geeft al te denken: voor de vragenstellers is de munt blijkbaar een geaccepteerd betaalmiddel. Opnieuw blijkt hun hypocrisie.

20:21a Dan stelt Jezus hun deze vraag (20: 20) ‘van wie is dit een afbeelding (ikoon) en van wie is het opschrift? Van de keizer‘ is het antwoord.

Wat het opschrift betreft: op de kopkant staat te lezen TI CAESAR DIVI AVG F AVGVSTVS (Tiberius Caesar goddelijke en verheven, zoon van Augustus) en op de andere kant PONTIF MAXIM (hogepriester). Tiberius Julius was de tweede keizer van Rome van 14-37 nC.

Beeld en opschrift maken de denarius voor vrome Joden nog bezwaarlijker dan die als belastingmunt al is. 

20:21b Dan volgt het antwoord van Jezus: geeft dan aan de keizer wat van de keizer is, en wat van God is aan God. Dat is niet alleen antwoord op de vraag over de keizerlijke belasting. Maar ook een opmerking over wat mensen aan God moeten geven.

Wat is van de keizer? Dat is waar zijn naam en beeltenis op staat: de munten

Wat is van God? Wat draag zijn beeld? Dat zijn wij, de mensen, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis (Gen 1:27). Onze roeping, onze bestemming is het om God zichtbaar te maken door zijn wil te doen en naar elkaar om te zien.*

Met de eerste helft van dit antwoord geeft Jezus aan dat als de keizer belastingen oplegt, die zonder gewetensnood betaald kunnen worden. Weigeren heeft trouwens toch geen zin: de legers dwingen het gewoon af. Nog niet zo lang daarvoor (6nC) was Judas de Galileeër met zijn troepen in opstand gekomen tegen de census, en bloedig verslagen.
Veel zwaarder weegt de tweede helft: dat we God geven wat hem toekomt: geen geld of wat anders, maar onszelf aan hem toewijden. Met hart en ziel, met al ons verstand en met alle kracht zullen we hem liefhebben en onze naaste als onszelf. Zo weerspiegelen we de liefde en trouw van God, zijn we ikonen: beelddragers van God.

20:22 Nu weten de tegenstanders niets meer te zeggen en druipen af.

Tweerijkenleer?
Dit antwoord is wel eens uitgelegd in het kader van de zgn twee-rijken leer, waarbij de keizer / de overheid voor het wereldlijk bestuur zorgt en de paus / de synode voor het rijk van Christus. Alsof kerk en staat (geloof en politiek, zondag en maandag) twee gescheiden werelden zijn, elk met eigen wetten. Er is een andere verhouding tussen die twee. Als beelddragers van God zijn we geroepen om ook in de politiek, in zaken, op maandag uit te beelden wie God is. ‘We moeten God meer gehoorzamen dan mensen’, zegt Petrus (Hnd 5: 29). ‘We hebben ons burgerrecht in de hemel’ zou Paulus later schrijven (Filp 3:20)

Jezus zelf is bij uitstek beelddrager van God geweest. Oprecht en in waarheid, zonder iemand naar de ogen te zien. De uiterste consequentie is hij niet uit de weg gegaan.

* Later zou Jezus ervan beschuldigd worden dat hij het volk verbood de keizer belasting te betalen, maar Pilatus vindt de beschuldiging ongegrond; Luc 23: 1-4)

** De Rabbijnse traditie heeft overigens een vergelijkbaar antwoord (Hillel, Lev. Rabba 24.4). Hebben ze dit van Jezus? Of is het andersom? Of putten ze beide uit een gezamenlijke bron? Of hebben ze onafhankelijk van elkaar dit bedacht?

Trees van Montfoort, Groene Theologie

Trees van Montfoort, Groene Theologie
Middelburg, 2020 (tweede druk)

Vorig jaar verscheen ‘Groene Theologie’ van Trees van Montfoort. Het boek kreeg goede kritieken en een jury riep het uit tot ‘het beste theologische boek van 2019’.
Zoals de titel al aangeeft, gaat de auteur in op natuur, milieu, planten en dieren en de zorgen die we daar over hebben. Om maar wat te noemen: de vervuiling van water, lucht en bodem, de verwoesting van het regenwoud, de stijgende zeespiegel, het uitsterven van planten- en dierensoorten enz. Natuurlijk zijn deze dingen van alle tijden, maar de omvang en de snelheid waarmee we het de laatste decennia zien gebeuren, maakt dat het anders is. Dit behoort niet meer tot de normale variaties in de natuur; dit is iets wat we als mensheid veroorzaken. Als we zo doorgaan roepen we een catastrofe over ons af.

Van Montfoort maakt duidelijk dat we als moderne mensen heel anders met de natuur omgaan dan de mensen in bijbelse tijden. De natuur vervult ons niet meer met ontzag. We zien er niet meer Gods heerlijkheid in. Dat God behalve mensen ook de sterren aan de hemel en vogels in de lucht en de vissen in het water de moeite waard vindt zijn we vergeten. We doen met de natuur wat we willen. Grote bedrijven en machtige regeringen exploiteren die waarbij ze zich laten leiden door winst op korte termijn.

Daar houdt van Montfoort ook geloof en theologie voor verantwoordelijk.
De westerse protestantse theologie (p. 147-153) beperkt immers het geloof steeds meer tot iets tussen God en individu (bv zonde/vergeving of zingeving/inspiratie) of tot iets wat tussen mensen ‘gebeurt’. Alsof het God om de mens gaat en niet om heel zijn schepping! Het besef dat we als mensen bij de natuur horen, dus daar niet boven staan, maar er deel van uit maken is verloren gegaan. Hoe anders is dat in de bijbel. Gen 1 vertelt hoe God alles maakte (en de mens haast terloops) en zag dat het goed was. Ps 104 bezingt hoe mooi en knap in de natuur alles bij elkaar hoort en de mens in dat zinvolle verband is opgenomen. God is dan niet zo zeer de Schepper die ooit alles gemaakt heeft en heeft gegeven aan de mensen om ermee te doen wat ze willen. Hij is veel meer de Schepper die voortdurend al wat is in vrijheid laat bestaan en stuurt (lokt en verleidt) naar zijn toekomst zoals de zgn. procestheologie dat leert.

Wat dit boek bijzonder maakt is de koppeling die van Montfoort aanbrengt tussen het lijden van de natuur en het lijden van arme mensen, vrouwen en LHBT-ers. Ze ziet daar dezelfde oorzaak: de mannelijke, westerse dominante blik op de werkelijkheid waarin zich het geloof aan God, de Vader, de Almachtige weerspiegelt. Met name het vierde hoofdstuk komt dit naar voren als ze enkele eco-feministische theologen bespreekt. Dat levert weliswaar een interessante (en moeilijk te volgen) kennismaking op, maar resulteert helaas niet in een gezamenlijke visie op God, natuur, armoede en gender. De oogst valt na 250 pagina’s tegen: slechts tien bladzijden waarvan de helft gewijd aan een voorbeeld: een dankdienst voor het gewas.

Dat neemt niet weg dat van Montfoort een belangrijk overzichtsboek geschreven heeft. Wie het doorneemt is weer helemaal bij op het gebied van geloof, natuur en duurzaamheid. Het boek maakt vooral duidelijk dat leer en prediking van de kerk bepaald niet helpend zijn bij het nemen van verantwoordelijkheid voor de schepping. Er is dringend behoeft aan een nieuwe visie op natuur, God en mens. Een bescheiden (vijf keer ‘mij lijkt’) voorzet geeft van Montfoort zelf op p. 176-181.


(Kerkbode nov 2020)