GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Maand: augustus 2020

Geloof, Hoop en Liefde (1 Kor 13)

Intro
In de jonge kerk te Korinthe zijn gelovigen die zichzelf heel wat vinden omdat ze veel van de bijbel weten, of omdat ze ‘in tongen’ kunnen spreken, of omdat ze heel veel over hebben voor een ander. Op zich is bijbelkennis enz mooi, maar als het met opschepperij gepaard gaat en met neerkijken op anderen, dan niet. Dan is dat zelfs waardeloos. Waarom? Vanwege de mentaliteit die daar uit spreekt. Het getuigt van geldingsdrang, heerszucht, gelijkhebberij.  Daar is de wereld al veel te vol van. Gods Geest is er op uit in mensen iets nieuws op gang te brengen: geloof, hoop en liefde. Geloof ( vertrouwen) in plaats van angst en zorgen, hoop in plaats van wanhoop en pessimisme, liefde in plaats van ik-zucht en haat.

Er is een interessante verhouding tussen geloof, hoop en liefde. Geloof ziet terug op Jezus: zijn lijden en sterven en opstanding op de morgen van Pasen gelden als de beslissende gebeurtenis in de geschiedenis. Het is als de D-Day in de oorlog: de vijand werd een beslissende klap toegebracht. Nu staat de overwinning (V-Day) vast, al zal het nog heel wat strijd en moeite kosten. Zo ziet de hoop dus vooruit. Door het geloof aan D-Day en de hoop op V-Day kunnen we in het heden leven vanuit de liefde.

Van die drie is de liefde het belangrijkste. Die blijft. Geloof gaat voorbij. Want er komt een dag dat we zien zullen dat het allemaal waar is wat we nu nog geloven: dat Jezus leeft en God ons allemaal een nieuw bestaan geeft op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dan is geloof niet meer nodig. En ook de hoop niet meer: die is dan in vervulling gegaan. Maar waar het allemaal om te doen was, de liefde, die blijft. Op het eind van alles zal de oorlog niet meer geleerd worden (Jes 2:4) en de dood niet meer zijn (Opb 21: 4). Alles en iedereen zal leven in het licht van God en zijn liefde weerspiegelen in zorg en aandacht voor elkaar.

Geloof
Symbool van het christelijk geloof is het kruis. Dat is eigenlijk heel vreemd want het kruis is een vreselijk martelwerktuig. Vooral de Romeinen gebruikten het om opstandelingen aan op te hangen net zo lang tot die van pijn, uitputting en benauwdheid stierven. Op die manier was ook Jezus gestorven. Maar hij was helemaal geen verzetsstrijder. Hij had deze straf op geen enkele manier verdiend. Hoe dat zo gelopen is, vind je bij Sleutelverhaal.
Christenen geloven dat in het sterven van Jezus iets heel wezenlijks van God naar voren kwam, nl zijn liefde en trouw aan mensen. En ook zijn macht en overwinning op dood en graf, want op de derde dag werd Jezus opgewekt en verscheen hij als de Levende aan zijn volgelingen. Kruis en opstanding vormen samen de blijde boodschap, het evangelie, waar christenen geloof aan hechten.
Christelijk geloof is dus wat anders dan ‘geloven dat er iets is’ of ‘geloven in God’. Niet dat dat verkeerd is, maar geloven op z’n christelijk heeft met de God van Jezus, met kruis en opstanding te maken. Op die God vertrouwen christenen. Ze willen niet luisteren naar de stem van angst en onzekerheid en zich geen overbodige zorgen maken. Ze willen bij de dag leven in het vertrouwen dat de God van Jezus in voor- en tegenspoed, in leven en in sterven nabij is en voor hen zorgt.

Hoop
Als je verwacht dat de toekomst iets moois zal brengen, bv genezing, dan leef je daar naar toe. En de tijd dat je in het ziekenhuis bent voor een operatie neem je voor lief. De hoop op gezondheid stemt je optimistisch en helpt je door de moeilijke tijd heen. Daarom is een anker zo’n mooi beeld voor hoop. Een schip met het anker uit, drijft niet weg in de storm. Zo geeft iemand met hoop niet op maar zet door, ook al duurt het lang en valt het zwaar.
Er hoort nog iets bij: een anker werkt alleen als het op de zeebodem achter een rotsblok blijft haken. Als dat er niet is en de storm steekt op, dan drijft het schip toch weg met het anker achter zich aan: dat woelt alleen maar zand los. Christelijke hoop zit vast op het evangelie van kruis en opstanding. Rotsvast. Het weet van God die het nooit voor gezien houdt. Zijn plan om mens en wereld terecht te brengen zal er van komen: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Er is vaak reden genoeg om heel bezorgd zijn om wat je overkomt, of om wat er gebeurt in de wereld. Maar compleet pessimistisch en wanhopig? Dat niet. Mischien neemt je leven een onverwachte wending. En zeker komt op het eind van alles de vervulling van wat wij hopen: Gods nieuwe wereld. Voorgoed.

Liefde
De christelijke liefde is je niet van nature eigen als een aangeboren eigenschap. Die moet gewekt worden. Dat gebeurt als je ziet hoeveel God van je houdt en verdraagt en vergeeft. Dat vertelt het evangelie je in de geschiedenis van Jezus.
Op hetzelfde moment ontdek je hoe er in je hart nog heel andere drijfveren zijn: begeerte, eigenbelang, heerszucht, onverschilligheid en nog veel meer. Daarin zit een gemeenschappelijke kern: het draait altijd om ik, mij en mezelf. Het zijn vormen van zelfzucht. Zelfzucht kan zelfs je inzet voor God bederven. Paulus kan daarover meepraten. Hij vervolgde ooit de christenen omdat hij geloofde dat hij daarmee God diende.
Dat verandert bij hem en bij ons als de liefde van God in je leven komt. Dan wil je niet anders dan op jouw beurt God liefhebben en zijn liefde net zo royaal delen met de mensen om je heen. God liefhebben houdt in dat je je hart elke dag weer laat volstromen met zijn liefde door te bidden, te zingen, door het lezen en overdenken van de bijbel, het vieren van het avondmaal enz. Je naaste liefhebben heeft met dienen en delen, met vergeven, met medeleven te maken.
Deze typisch christelijke vorm van liefde is duidelijk anders dan liefde in de vorm van genegenheid, vriendschap en eros. Zozeer anders dat het Nieuwe Testament er het ongebruikelijke woord agapè voor gebruikt. Daarmee is niet gezegd dat genegenheid, vriendschap en eros niet deugen. Integendeel: Die vormen van liefde horen bij de goede schepping.

Nieuwste inhoud op de website

Geregeld voeg ik nieuwe inhoud aan de website toe:

12 okt: bijbelstudie over keizerlijke belasting (Mat 22: 15-22)
10 okt: boekbespreking Trees van Montfoort, Groene Theologie.
15 sept: drie soorten relaties  die je terug kunt vinden in bijbel verhalen en in je eigen geloof.
11 sept: een inzicht uit de filosofie: opheffen
19 aug: de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal (Mat 22: 1-14)
16 aug: over de gelijkenissen van Jezus.
11 aug: de gelijkenis van de werkers in de wijngaard.
5 aug: Elkaar vergeven: Mat 18: 21-35
30 juli: Het grote thema van Jezus: het Koninkrijk van God.
27 juli: Hoe zag Jezus’ zichzelf? klik hier.
16 juli: levensloop van Jezus: klik op biografie
15 juli: meditatie Ps 84: 2-3 toegevoegd.
13 juli: Blog verhaal van ongeboren tweeling over het leven na de geboorte
10 juli: over geloven
17 juni: over Kruisgeloof.
16 juni: over Comfortgeloof.
15 juni: over Ongeloof.
9 juni: uitleg van het onze Vader
5 juni: over verzoening, klik hier.
2 juni: bijbelstudie over Mat 12: 31-32 (zonde tegen de heilige Geest)
1 juni: over vergeven, klik hier.
29 mei: over zonde en waarom dat zo erg is, klik hier.
27 mei: op de blogpagina een bericht ‘weer aan het werk’, een paar boekbesprekingen en een paar meditaties.
25 mei: ipv offer spreekt Jezus zelf van losprijs, klik hier.
22 mei: bijbeluitleg van Gal 5: 13-26, klik hier.
20 mei: over de verhouding God en wereld, klik hier.
18 mei: over het Nieuwe Testament (klik hier) en ‘na het Nieuwe Testament’, klik hier.
15 mei :  over de Bijbel (klik  hier) en over het Oude Testament, klik  hier.
8 mei: Vader, Zoon en heilige Geest, de drie namen die we als christenen voor God gebruiken, klik hier.

De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal (Mat 22: 1-14)

Inleiding
Het gegeven van een maaltijd en genodigden die niet komen vinden we op heel verschillende wijze uitgewerkt bij Mattheüs en Lucas. Marcus heeft deze gelijkenis niet.

Bij Lucas (14: 15-24) ligt de nadruk op de verontschuldigingen. De genodigden zijn niet meer welkom; anderen worden in hun plaats gevraagd en zelfs gedwongen om aan de maaltijd deel te nemen.

Bij Mattheüs gaat het om een bruiloftsmaaltijd die een koning voor zijn zoon organiseert. De tegenzin van de genodigden gaat zo ver dat ze de dienaren van de koning mishandelen en doden. Daarop laat de koning de moordenaars ombrengen en de stad verbranden (7). De maaltijd gaat vervolgens door met andere gasten. Mattheüs breidt de gelijkenis uit met de episode van de koning die de feestzaal bezoekt. Daar ziet hij iemand die zich niet speciaal heeft gekleed voor deze gelegenheid. Deze wordt eruit gegooid.

Eenheid?
Het is waarschijnlijk dat vers 7 oorspronkelijk niet tot de gelijkenis behoorde. Mét vers 7 moeten we nl aannemen dat het tweede deel van de gelijkenis zich in een andere stad afspeelt, omdat de eerste verwoest is. Maar uit niets valt op te maken dat we na vers 7 met een andere stad hebben te maken. Daarom is het waarschijnlijk dat dit vers door Mattheüs aan de gelijkenis is toegevoegd. We zullen straks zien waarom.
De verzen 11-13 zijn wel als een tweede gelijkenis opgevat die dan door Mattheüs verbonden zou zijn met de eerste gelijkenis in 1-10. Daarvoor spreekt het gebruik van een ander woord voor dienaren in vers 13 (diakonoi ipv douloi) en dat deze episode ontbreekt bij Lucas. Daar staat tegenover dat de verzen 1-14 (afgezien van 7) een logisch samenhangende vertelling vormen.

Context
Deze gelijkenis staat in het derde deel van Jezus’ optreden: de week voorafgaand aan zijn lijden en sterven in Jeruzalem. De vijandschap tegen hem neemt toe en dat is te merken aan deze en andere gelijkenissen die Mattheüs vertelt. In de gelijkenis van de twee zonen (21:28-32), van de onrechtvaardige pachters (21: 33-46) en van het koninklijke bruiloftsmaal is sprake van conflicten, van een breuk, van nieuwe mensen die in de plaats van de eersten komen.
Daarin spiegelt zich een stukje geschiedenis. De kerk is steeds meer samengesteld uit gelovigen van heidense komaf; betrekkelijk weinig Joden nemen het evangelie aan. Daardoor zijn synagoge en kerk uit elkaar gegroeid. Er is ook een verwijzing naar de nationale geschiedenis: de verbranding van de stad (vers 7) doet denken aan de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70.
Deze historische verwijzingen en de gebruikte metaforen maken dat deze parabel meer een symbolisch verhaal is dan een gelijkenis die normaliter een geschiedenis vertelt en een duidelijk punt van overeenkomst heeft tussen beeld-en zaakkant. Het is echter geen allegorie waarmee je alle kanten op kunt.
De gelijkenis is gesproken tot de overpriesters en Farizeeën vermeld in Mat 21: 45.

1-2: het gegeven
De gelijkenis begint met de standaardformule ‘het is met het koninkrijk van de hemel als met…’ Dat betekent: zo gaat het toe in het koninkrijk van God, deze dingen gebeuren als God koning is.
Dan volgt het gegeven van de gelijkenis: een koning die een bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon. Normaal gesproken een feestelijke gebeurtenis waarbij het hele land en volk betrokken zijn.
Opvallend is dat er in het Grieks sprake is van ‘een menselijke koning’. Dat betekent niet dat het om een goede, humane koning gaat; maar om een aardse koning itt de hemelse koning. Meestal is ‘een/de koning’ een metafoor of beeldspraak voor God, maar de opvallende toevoeging ‘menselijk’ maakt dat wij deze koning niet zomaar als beeldspraak voor God kunnen opvatten. Vanwege vers 7 zeggen we ‘gelukkig maar’! Daarentegen zijn ‘zoon’ en ‘bruiloftsfeest’ wel gebruikelijke metaforen voor resp ‘messias’ en ‘messiaanse tijd’.

3: de eerste uitnodiging
De beeldkant van de gelijkenis is duidelijk. De koning stuurt zijn slaven erop uit om (letterlijk:) ‘te roepen degenen die genodigd waren’. Dus: niet iedereen is welkom, de bruiloft is voor een selecte groep gasten, die al eerder een kennisgeving van het komende bruiloftsfeest hadden ontvangen. Geen van allen willen ze komen. Ze geven geen reden op. De weigering is een klap in het gezicht van de koning.

De zaakkant duidt op God, de koning van de wereld, die met het volk Israel sinds Abraham een speciale band heeft. Dat zijn de genodigden die nu uitgenodigd worden voor de bruiloft. De slaven die de uitnodiging overbrengen zijn niet de profeten van vroeger (zoals in de vorige gelijkenis van de onrechtvaardige pachters), maar de discipelen die door Jezus (Mat 10) er op uit werden gezonden om Israel tot het geloof aan Jezus te bewegen.

4-7: de tweede uitnoding
De beeldkant: Na de weigering volgt een tweede uitnodiging door andere slaven. Nu geeft de koning hun expliciet de boodschap mee. Ze moeten zeggen dat de maaltijd klaar staat (perfektum), stieren en mestvee zijn geslacht (opnieuw voltooide tijd), alles is klaar, komt (gebiedende wijs) naar de bruiloft.
Maar ondanks alle klem en nadruk komen de genodigden
niet. Ze verwierpen of negeerden de slaven en gingen weg. Een reden geven zij niet op, maar valt wel af te leiden uit wat de genodigden gaan doen: de één gaat naar zijn akker, de ander naar zijn handel. Blijkbaar vinden ze hun dagelijkse werkzaamheden belangrijker en willen ze geen tijd vrij maken om met de koning blij te zijn op de bruiloft van zijn zoon. Andere weigeraars gaan zo ver dat ze de slaven arresteren, mishandelen en zelfs doden. Dat getuigt van nog wat anders dan onverschilligheid: ze hebben een hekel aan de koning.
Het geduld van de koning is nu op. Hij reageert woedend en stuurt zijn soldaten, laat de moordenaars oppakken en hun stad in de as leggen.

De zaakkant wijst op het lot dat de missionarissen van de vroege kerk treft als ze in Israel het evangelie van Jezus brengen: van schouderophalen tot irritatie en geweld.

In het jaar 70 gebeurde wat niemand voor mogelijk hield: de heilige stad Jeruzalem werd door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. Ruim een miljoen bewoners en bezoekers van Jeruzalem kwamen daarbij om. De tempelschatten werden geroofd en naar Rome afgevoerd. De verwoesting van Jeruzalem geeft deze gelijkenis een bijzondere klem. Door nu vers 7 in te voegen duidt Mattheüs deze verschirkkelijke gebeurtenissen als het gevolg van het afwijzen van het evangelie. Daarmee lijkt hij te zeggen dat God achter deze verwoesting staat, zoals in het verleden profeten als Jesaja en Jeremia in hun dagen het onheil over Israel duidden. Maar Mattheus heeft vers 1 ook gezegd dat de koning in deze gelijkenis een menselijke koning is en niet de hemelse Koning. Daarmee zwakt hij zijn profetische duiding af. We moeten dus voorzichtig zijn met het aanwijzen van Gods hand in allerlei historische gebeurtenissen. Laten we uit dit vers maar niet meer meenemen dan dat het afwijzen van het evangelie grote gevolgen heeft. (zie ook 11-13).

8- 10: de derde uitnodiging
Beeldkant: Weer spreekt de koning tot zijn knechten. Alles is klaar voor het bruiloftsfeest, maar het was aan de genodigden niet besteed. Ze wisten het feest niet op waarde te schatten. Nu moeten de slaven erop uit om andere mensen te vragen. Het maakt niet uit wie dat zijn: zoveel als ze er maar vinden op de toegangswegen van de stad (blijkbaar toch niet verwoest ondanks vers 7). Iedereen is welkom. Het feest moet en zal doorgaan.
De slaven doen wat hun gezegd is. Ze vragen iedereen zonder aanzien des persoons: slechte en goede mensen. En de bruiloftszaal werd vol van ‘aanliggenden’, dwz gasten die aan tafel gingen aanliggen (vroeger zat men niet aan tafel zoals nu). Uit 11 valt op te maken dat de gasten allemaal een feestkleed (geen ‘zondagse kleren’, maar een schoon, fris overkleed) meenamen. Dat zo’n kleed werd uitgereikt bij de ingang van de feestzaal staat er niet. Er zijn ook geen bronnen waaruit valt op te maken dat dat in die tijd de gewoonte was.

Zaakkant: Voor Jezus en de eerste christelijke gemeente moet het een raadsel en een grote teleurstelling zijn geweest dat het evangelie zo weinig gehoor vond in Israel.
Daarentegen vonden mensen uit andere volken het wel aantrekkelijk. Dat brengt Paulus ertoe te zeggen dat de afwijzing door Israel er toe leidde dat het evangelie de heidenvolken werd aangeboden en bij hen gehoor vond (Rom 9-11). Dat nu brengt Matheüs onder woorden met deze gelijkenis van Jezus. Nadat de aanvankelijke genodigden twee keer weigerden om te komen, gaat de uitnodiging tenslotte naar mensen voor wie het bruilofstmaal in eerste instantie niet bedoeld was: de heidenvolken. Iedereen is er welkom. Het evangelie is universeel. Dat Israël op een dag van zijn dwaling terug zal komen – zoals Paulus gelooft – zegt
Mattheüs niet, maar hij bestrijdt het evenmin.

11-13: het bezoek van de koning
Beeldkant
: Het feest is in volle gang als de koning de feestzaal binnenkomt om ‘de aanliggenden’ (zijn gasten) te zien. Hij ziet daar een man die niet passend gekleed is. De koning spreekt hem nog met ‘vriend’ aan, maar zijn vraag is kritisch: ‘hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?’ De man is met stomheid geslagen, een excuus of antwoord blijft uit. Voor de koning is het duidelijk: deze man hoort hier niet, hij is het feest even onwaardig als de genodigden van het eerste uur. Hij geeft zijn dienaren bevel om diens handen en voeten te binden. Gebonden moeten ze hem uit de feestzaal verwijderen zodat hij niet meer terug kan komen. Zo verdwijnt hij voorgoed uit het zicht van de koning in de uiterste duisternis die een plek is van gejammer en tandengeknars. Dwz hij zal met spijt en wroeging terugdenken aan zijn ongepaste gedrag waarmee hij zichzelf onmogelijk maakte op het bruiloftsmaal.

Zaakkant: Het evangelie kan dan wel universeel zijn, dat betekent nog niet dat iedereen zo maar de op de bruiloft welkom is. Men moet er op gekleed zijn., een bruikloftskleed hebben. Het bruiloftskleed is de mantel der gerechtigheid waar Jesaja (61: 10) van spreekt: ‘Ik vind grote vreugde in de HEER, mijn hele wezen jubelt om mijn God. Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan, hulde mij in de mantel van de gerechtigheid, zoals een bruidegom een kroon opzet, zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.’ Deze mantel van gerechtigheid is het geschenk van genade en vergeving dat God in Jezus aanbiedt aan ieder mens. (vgl Luc 15: 32)

De mantel aannemen en aantrekken betekent het evangelie geloven én daarnaar proberen te leven. Gelovigen kunnen hun uitnodiging voor de bruiloft verspelen wanneer ze dat laatste niet doen en geen werk maken van de gerechtigheid die bij het geloof hoort. Het behoren bij de kerk betekent niet dat men zich kan rijk rekenen alsof men dan gegarandeerd wel goed zit. Dat is wat de profeten en Jezus Israel kwalijk namen. En deze kritiek houdt Mattheüs de jonge, opkomende kerk voor. Paulus doet dat ook (Rom 6: 1 en 6: 15) evenals Judas (1: 4) en het laatste bijbelboek (Opb 3: 4 – 5; 3: 18; 19: 8) . Geloof is geen heilsbezit, maar een houding van vertrouwen die naar gerechtigheid doet verlangen en daartoe aanzet.
Deze waarschuwing komt in vers 14 kort en bondig naar voren.

14: waarschuwing
Een spreuk als conclusie van de gelijkenis. ‘Velen’ is een hebraïsme, een Joodse manier van zeggen, en betekent ‘allen’. Allen zijn geroepen, dwz God biedt het evangelie aan alle mensen uit Israel en de heidenvolken, zonder aanzien des persoons.
Maar weinigen zijn uitverkoren, dus velen horen er bij nader inzien niet bij. Dat duidt hier niet op de leer dat God geheel willekeurig sommigen verkiest, anderen verwerpt (predestinatie). De afgewezenen zijn bij Matheüs mensen die zelf hun afwijzing veroorzaken, door nl geen bruiloftskleed te dragen, dwz zij maken geen werk van de gerechtigheid die bij het geloof hoort.

De gelijkenis van de werkers in de wijngaard (Mat 20: 1-16)

Context
Dit gedeelte sluit aan op Mat 19: 30 “Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.”
Deze uitspraak staat ook in Mc 10: 31 en Luc 13:30.

Oorspronkelijk zal deze uitspraak en de daarop volgende gelijkenis (die we alleen bij Mattheüs vinden) gesproken zijn tot de Farizeeën die bezwaar maken tegen Jezus’ tafelgemeenschap met hoeren en tollenaren. Maar Matheüs past deze gelijkenis zelfkritisch toe op de christelijke gemeente die gemakkelijk het evangelie vergeet en weer wettisch (voor wat hoort – hoort wat, naar evenredigheid, kwantitatief ipv kwalitatief) gaat denken. Dat blijkt uit de vraag van Petrus ‘Wat zal onze beloning zijn, wij die alles opgegeven hebben om u te volgen?’ (Mat 19: 27).

De gelijkenis
Een gelijkenis is geen allegorie die in allerlei details diepere geloofsinzichten bevat. Zo is deze gelijkenis wel eens uitgelegd. Bv Origenes, die aannam dat het eerste, derde, zesde uur enz. betrekkking had op de verschillende leeftijden waarop mensen christen worden. De gelijkenis is echter een samenhangend verhaal dat in zijn geheel verstaan moet worden.
De opbouw is eenvoudig. Het eerste deel (1-7) vertelt van een landheer die dagloners zoekt voor het werk op zijn wijngaard. Meermalen gaat hij erop uit. Met als gevolg dat sommige dagloners de hele dag werken, andere niet zo lang of zelfs maar één uurtje.
In het tweede deel (8-15) ontvangen de werkers hun loon. Ze krijgen allemaal evenveel, nl de ene denarius die de landheer met de werkers van het eerste uur had afgesproken. Dat ontlokt bij hen een hevig protest. De landheer legt vervolgens zijn gedrag uit en vraagt aan de protesterende arbeiders zet het kwaad bloed dat ik goed ben”? “

1a
De gelijkenis wordt ingeluid met een standaardformule “Want het is met het koninkrijk der hemelen als met…’ Dat betekent ‘Zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen’ of ‘deze dingen gebeuren waar God koning is’

1b-7
Een landheer met een wijngaard heeft arbeiders nodig voor de druivenoogst. Bij het ochtendgloren gaat hij er op uit en later die dag nog een paar keer. De dag – de tijd dat het licht is – is ingedeeld in 12 uren, evenals de nacht. (In de zomer als het lang licht is, en de nachten kort duren de uren overdag dus langer dan in nacht. En de uren overdag duren in de zomer ook langer dan in de winter).

Het ochtendgloren is het zesde uur. Drie uur later (vs 3) is het negen uur. Weer drie uur later is het middag uur (12 uur). Nog drie uur later is het halverwege de middag (vs 5). Het elfde uur van de dag is dus één uur voordat het donker wordt (6).

Met de eersten spreekt de landheer een loon af van één denarius, het gebruikelijke dagloon. Wat hij met de werkers afspreekt die later beginnen blijft onduidelijk. De groep die rond het negende uur begint krijgt te horen dat  ‘de betaling rechtvaardig zal zijn’ (vs 4). De andere groepen horen hier helemaal niets over. De hoorders van de gelijkenis zullen (net als wij waarschijnlijk) denken dat de latere groepen naar evenredigheid minder zullen krijgen dan de ene denarius die met de eerste groep was afgesproken. Zo is ons gevoel van rechtvaardigheid nu eenmaal.

Waarom ging de landheer meermalen erop uit om arbeiders te zoeken? Was de oogst bijzonder groot? Werkten zijn knechten niet hard genoeg? Of wilde hij dat er geen landarbeiders zonder werk en dus ook zonder loon zouden achterblijven, met alle nare gevolgen voor hun gezinnen? Dat is allemaal speculatie. We lezen er niets over. De gelijkenis is zonder antwoorden op deze vragen prima te verstaan. Met giswerk op vragen die er niet toe doen raken we gemakkelijk de strekking van de gelijkenis uit het oog.

Daarom moeten we ook niet speculeren over de reden waarom niemand de laatste groep landarbeiders in dienst wilde nemen. Er wordt niets gezegd over hoge leeftijden, handicaps, luiheid enz. De vraag van de landheer hoeft trouwens niet verwijtend opgevat te worden. Hij kan het ook verwonderd – bij het zien van potige landarbeiders en dat midden in het oogstseizoen – gevraagd hebben. Blijkbaar waren vraag en aanbod van werknemers niet in evenwicht.

8-15
De rentmeester krijgt opdracht de lonen uit te betalen. De landheer heeft hem natuurlijk gezegd dat dat loon één denarius moest zijn. Maar dat vertelt Jezus hier niet. Zo blijft de spanning nog even gehandhaafd.
Bijzonder is de instructie om te beginnen met degenen die het kortst gewerkt hebben. Daardoor kan het niet anders of de andere landarbeiders horen en zien wat die verdiend hebben. De landheer wil hun een reactie ontlokken.

Zijn opzet slaagt. Als de knechten van het eerste uur zien wat de werkers van het laatste uur krijgen, nemen zij aan dat zij meer zullen krijgen. Zij hebben twaalf keer zo lang gewerkt waaronder vele uren dat de zon hoog aan de hemel staat. Maar ook zij krijgen één denarius. Daar zijn ze niet tevreden mee. Ze gaan hun beklag doen bij de landheer. Zonder hem aan te spreken en op hun relatie met de landheer te wijzen leggen ze hem hun klacht voor. Dat is erg onbeleefd.

Het antwoord van de landheer aan één van hen (de grootste schreeuwer?) is beleefd en vriendelijk: ‘beste man’… Daarmee geeft de landheer aan dat hij de verbinding zoekt en wel een relatie wil.
Zijn antwoord is ook heel beslist: “Ik behandel je toch niet onrechtvaardig?” Een rhetorische vraag: het antwoord is duidelijk (inderdaad, niet onrechtvaardig) voor de landarbeiders, de hoorders van Jezus en de lezers van Mattheüs en ons vandaag. Bij wijze van verduidelijking volgt dan de verklaring waarom degenen die korter werkten toch één denarius kregen. Dat is puur omdat de landheer dat nu eenmaal wil. En hij mag toch doen met zijn geld (ook mogelijk: ‘op mijn erf’) wat hij wil? Rechtvaardig is de landheer omdat hij het recht heeft zo te doen en geen enkele afspraak breekt of regel overtreedt.

Daarmee haakt de landheer aan bij het eerdere (vs 4)  ‘de betaling zal rechtvaardig zijn’. Inderdaad is het handelen van de landheer niet onrechtvaardig. Maar het is ook niet rechtvaardig in de gewone zin van het woord (beloning naar evenredigheid). Wat is zijn handelen dan wel? Het woordje goed valt in vs 15. Daarmee komen we in een andere categorie. Het zakelijke en kwantitatieve van (on)rechtvaardig maakt plaats voor ‘het goede’. De landheer wil de laatsten hetzelfde geven als de eersten. Dat komt uit zijn goedheid voort: de laatsten hebben net zo goed een denarius, een dagloon nodig als de eersten om hun gezin te kunnen onderhouden. Met minder kunnen ze niet toe. Hij gunt hun dat.

Dat loopt uit op de vraag ‘zet het kwaad bloed (letterlijk ‘is uw oog boos’) dat ik goed ben?’  De reactie van de klagende werkers wordt niet meer verteld. Bleven ze boos, of kwamen ze bij nader inzien tot inkeer? De gelijkenis heeft een open einde. Zo wordt de hoorder / lezer van de gelijkenis bij zichzelf na te gaan hoe hij/zij zou reageren.

16
Dan volgt opnieuw de uitpraak waar deze gelijkenis een illustratie bij is: Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten. Nu in omgekeerde volgorde vergeleken met Mat 19: 27. De uitspraak was oorspronkelijk mogelijk een gezegde of een volkswijsheid met als betekenis ‘wat kunnen de dingen in je leven soms veranderen’. Maar de spreuk krijgt door de gelijkenis een nieuwe betekenis: zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen: de zondaar van het laatste moment krijgt hetzelfde loon als de gelovige van het eerste uur. En de gelovige van het eerste uur moet niet menen dat dat oneerlijk is. Want in het koninkrijk der hemelen gaat het niet puur zakelijk toe. Er is liefde in het spel. De wil van God de Vader om mensen terecht te brengen en aan zich te binden. Die hernieuwde relatie met God is het loon dat bij het geloof hoort. Dat ene loon is voor iedereen die gaat geloven hetzelfde. Of je dat nu lang of kort doet.

Als je langer gelooft en dit oneerlijk vindt, dan zit je niet meer met God op dezelfde lijn van liefde en hartelijkheid. Dan ben je weer terup op het voor-gelovige niveau van zakelijke relaties waar het gaat om de beloning en niet meer om de vreugde van een goede verhouding met God. In de gelijkenis zijn het de werkers van het eerste uur die op deze lijn zitten. In de wereld van Jezus de Farizeeën. Als Mattheüs zijn evangelie schrijft zijn het christenen die dit verdienste denken (loon naar prestatie) in de kerk brengen.
Elke keer als deze gelijkenis uitgelegd wordt in de prediking probeert de prediker zijn hoorders uit het (rechtvaardige) ‘voor wat – hoort wat’ weg te krijgen en terug te brengen naar het niveau van het goede, waarin ze enkel God liefhebben en dienen om niet. Dankbaar en blij om alles wat hij hun en anderen geeft en wilde vergeven.

16b
Na deze woorden hebben veel (de zgn Textus Receptus) oude Griekse handschriften nog “want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”. Maar belangrijkere en oudere hebben dit niet. Als deze woorden oorspronkelijk er wel bij hoorden is  niet te verklaren waarom ze in sommige handschrijften ontbreken. Het gaat waarschijnlijk om een latere aanvulling waarmee de overschrijvers weer een heel ander thema introduceren: dat van de verkiezing/verwerping. De zgn Statenvertaling, gebaseerd op de Textus Receptus, heeft dus ook deze aanvulling, de latere vertalingen van het NBG laten dit stukje terecht weg.

Vergelijkbare verhalen
In de latere rabbijnse literatuur is een interessante parallel met deze gelijkenis. Daar krijgen de laatsten ook hetzelfde als de eersten. Maar de verklaring is een heel andere: de laatsten hebben zoveel harder en beter gewerkt dat ze minstens zoveel hebben gepresteerd als degenen die al eerder waren begonnen. Daarom verdienen ze hetzelfde loon. Hier blijft het verdienste-schema in tact; er is geen beloning die verrassend het ‘loon naar werken’ doorbreekt.

Dezelfde zaak komt in een ander beeldverhaal ook naar voren: de gelijkenis van de vader met de twee zonen (Luc 15: 11-32). De oudste reageert verontwaardigd als zijn vader zijn jongere broer allerhartelijkst ontvangt. Daarmee laat de oudste zien dat hij op de lijn van de gewone rechtvaardigheid zit en de regel van loon naar werken voor zichzelf en voor zijn jongere broer wil toegepast zien. Dat hij, de oudste,  ondertussen al die tijd bij zijn vader was en alles het zijne mag noemen (vs 31), zegt hem blijkbaar niets.

Conclusie
In het Koninkrijk der hemelen gaat het anders toe dan wij verwachten: God doet wat hij wil. Hij gaat zijn eigen gang. Hij wil goed zijn en de redenen daarvoor ontleent hij aan zichzelf; niet aan ons goede en ijverige gedrag. Hij is rechtvaardig op een manier die ons idee van rechtvaardigheid te boven gaat. Hij breekt die niet maar overtreft die door zijn liefde te laten spreken. Omgekeerd: zijn liefde spoort ons aan om goed en ijverig in de wijngaard aan het werk te gaan. En blij te zijn met ieder die zich vroeg of laat (de moordenaar aan het kruis, Luc 23: 43) door deze God laat winnen.

De gelijkenis van de onbarmhartige knecht (Mat 18: 21-35)

Context
In de zgn ‘gemeenterede’ (Mat 18: 1-35) is o.a. sprake van een gemeentelid dat tegen je zondigt (15). Jezus zegt dat je dan vergeven moet. Vervolgens vraagt Petrus hoe vaak hij vergeven moet (21). Daarop geeft Jezus een kort antwoord (22) gevolgd door een gelijkenis. Het geheel loopt uit op een conclusie (35). Het antwoord van Jezus vinden we ook in Luc (17: 3b-4), zij het dat Jezus daar opdraagt 7x te vergeven. Gelijkenis en conclusie heeft alleen Mattheüs.

21-22 en 35
De vraag van Petrus betreft het vergeven van broeders of zusters, dus van mede-christenen. Het gaat niet over het vergeven van zomaar iedereen, maar dat we in de kerk elkaar vergeven. Dat blijkt ook uit het vervolg: omdat je zoveel vergeven is, hoor je ook elkaar te vergeven. Met deze motivatie kun je alleen bij christenen aankomen. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat christenen aan niet christenen niet hoeven te vergeven.  Evenmin dat niet-christenen elkaar niet zouden kunnen of moeten vergeven. Alleen dat het in de gelijkenis daar niet over gaat.

Het gaat om een ‘zonde tegen mij’, bv belediging, roddel, leugen, afzetterij. Dit wordt niet zomaar een slechte daad genoemd, maar zonde. Daarmee wordt het menselijk gedrag in religieuze termen benoemd: een slechte daad raakt niet alleen de ander, maar ook de Ander.

Petrus wil weten hoe vaak hij een gemeentelid moet vergeven. Wanneer is de maat vol? Is zevenmaal vergeving schenken voldoende? Petrus wil best ver gaan. Hij zit vol goede bedoelingen.

Er staat hier overigens niet met zoveel woorden bij dat degene die ‘verkeerd’ heeft gedaan om vergeving moet vragen. Maar in de gelijkenis die dan volgt is dat wel het geval. Vergeving schenk je niet ongevraagd. Daar hoort de schuldenaar om te vragen. Er hoort ook oprecht berouw bij: dwz spijt om wat er is voorgevallen en verdriet om de relatie met je broeder of zuster die nu bedorven is. En uiteraard de intentie om niet nog een keer je broeder of zuster te benadelen maar om de herstelde relatie te koesteren.

Het antwoord van Jezus doorbreekt het denken in maat en getal. Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zeven keer zul je vergeven. Dat herinnert aan Lamech (Gen 4: 24 ) die pralt dat hij 77-voudig wraak neemt. Tegenover Lamechs vergelden stelt Jezus dat zijn leerlingen 70 maal 7 keer zullen vergeven. Daarmee bedoelt hij niet 490 keer, maar zo vaak dat je de tel kwijt raakt, zo vaak als nodig is. Dat sluit aan bij de conclusie in vs 35, waar we lezen over elkaar ‘van harte’ vergeven.  Dwz vergeven moet echt zijn, gemeend en van binnenuit komen; niet iets van woorden alleen (lipppendienst Jes 29:13 en Mat 15: 8). Het ‘van harte’ laat ook zien dat de christelijke gemeenschap niet op zakelijke relaties is gebaseerd, maar op liefdevolle betrekkingen (broeders en zusters). Daarom krijgt Petrus’ vraag naar ‘hoe vaak’ een symbolisch getal als antwoord. Daarmee tilt Jezus de kwestie naar een hoger niveau: op de zakelijke vraag volgt een antwoord dat hoort bij liefdevolle relaties.

23
De gelijkenis wordt ingeluid met een standaardformule “Daarom is het met het koninkrijk der hemelen als met…’ Dat betekent ‘Zo gaat het toe in het koninkrijk der hemelen’ of ‘deze dingen gebeuren waar God koning is’

Een gelijkenis is geen allegorie, waar je uit allerlei details geloofswaarheden kunt opdiepen. Natuurlijk kun je bij de koning (23) aan God denken, bij rekenschap (23) aan het laatste oordeel en bij de gerechtsbeulen (34) aan hel en verdoemenis. Maar in een gelijkenis gaat het niet om meerdere van zulke punten van overeenkomst tussen gelijkenis en geloofswaarheid.  Het gaat om de gelijkenis als geheel. Dat is een verhaal (beeld) dat naar een geloofswaarheid verwijst (referent).

De beeldkant van de gelijkenis is eenvoudig: er is een koning die dienaren heeft: onderkoningen die reusachtige sommen geld van de koning te leen (27) kregen. En nu vraagt de koning om rekenschap: het geld moet terug betaald worden.

24-27
Er is een dienaar (A) die de koning 10.000 talenten schuldig is. Een talent (ongeveer 34 kg zilver of goud) geldt als de grootste ‘munt’ of geldeenheid. En tienduizend is het grootste getal in de toenmalige wereld. Kortom: het gaat om een onvoorstelbaar groot bedrag. De dienaar kon niets terugbetalen. Zijn heer, de koning, beveelt dat de dienaar met vrouw en kinderen en wat hij maar bezit verkocht moest worden zodat de schuld kon worden ingelost. Met zo’n grote schuld is dat natuurlijk onmogelijk. Dit  betekent het bankroet, het einde van de dienaar.

Dan doet de dienaar een beroep op zijn heer: heb geduld met mij, alles zal ik u terug betalen. Een volstrekt onredelijke belofte ingegeven door angst en wanhoop. Het zal hem nooit lukken die enorme schuld af te lossen.

Maar zijn heer is gevoelig voor de nood van dienaar: hij krijgt medelijden. En tot grote verrassing van zijn dienaar laat hij hem vrij en scheldt hem de geleende som geld kwijt. Dit is een wel zeer ongewone wending in het verhaal. Welke koning zal in het echt zo doen? Geen enkele. Want daarmee zou hij een precedent scheppen waar vervolgens andere dienaren misbruik van maken.

28-30
Dan komt dienaar (A) een collega tegen: dienaar (B), die hem 100 denariï schuldig is. Vergeleken met de enorme schuld die (A) zojuist was kwijt gescholden is dit een klein bedragje: een honderdste talent. Dat scheelt een factor 1 miljoen. Anders dan de koning die rekenschap vraagt, neemt (A) dienaar (B) in een wurggreep en bijt hem toe: betaal me alles wat je me schuldig bent.

In bijna dezelfde woorden vraagt (B) wat (A) eerder voor zichzelf aan de koning vroeg. In dit geval is het een heel redelijk verzoek: 100 denarii is niet veel, het zal (B) vast wel lukken dat terug te betalen. Maar dezelfde woorden doen (A) niet terugdenken aan zijn benarde positie even te voren en het geluk dat hij heeft gehad. Hoe kan het, dat hij dat nu vergeten is. Is dat typerend voor hoe mensen in elkaar zitten? Hoe dan ook, de vraag van (B) ontlokt bij (A) de omgekeerde reactie. Anders dan de koning wil hij niet van uitstel weten en laat (B) gevangen zetten. Dat houdt in dat hij moet werken tot hij de 100 denarii bij elkaar verdiend heeft, of tot zijn familie en vrienden dit bedrag opbrengen om hem vrij te kopen.

31-34
Andere dienaren horen ervan en zijn zeer geschokt. Ze zullen gedacht hebben wat de heer in 32-33 met zoveel woorden uitspreekt: dat (A) buitengewoon onredelijk is en dat hij na de kwijtschelding van zijn grote schuld ook wel een beetje royaler had kunnen reageren op de vraag van (B).
Om die reden vindt de heer dienaar (A) een slechte dienaar. Dat slechte betreft diens gebrek aan medelijden voor (B).
Het gevolg is dat de heer op zijn woord terug komt. Hij trekt zijn aanvankelijke vergeving in. Dienaar (A) is nu echt verloren, want hij moet alsnog de hele schuld terug betalen.

35
Waar verwijst dit beeldverhaal naar? Wat is de zaakkant? Jezus trekt de volgende conclusie: zo zal mijn hemelse Vader (God) ook doen. Dus: wie zijn broeder (NBV heeft broeder en zuster) niet van harte vergeeft, verspeelt zijn vergeving. Daarbij is het enorme verschil te bedenken tussen de enorme schuld die God ons niet in rekening brengt (voor alles wat hij ons geeft en vergeeft) en de kleine schuld die we elkaar moeten vergeven. Hoe bestaat het, dat gelovigen dat vergeten zijn als het erop aankomt elkaar te vergeven?
Het verband tussen Gods vergeving en vergeving onderling leert Jezus ook in het onze Vader: “Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven (hebben) onze schuldenaren” uit het onze Vader.
In zijn commentaar schrijft Nielsen: ”Broederlijke liefde is niet de voorwaarde om Gods heil te ontvangen, maar waar Gods heil ontvangen is, daar is broederlijke liefde wel de vereiste consequentie”. (PNT Mat II, 134)

Opmerkingen:
Soms wordt opgemerkt dat de heer / koning van de gelijkenis maar één keer vergeeft en wat dat betreft niet een goed voorbeeld is van iemand die 70 maal 7 keer vergeeft. Maar dat snijdt geen hout: dienaar (A) vraagt geen tweede keer om vergeving.

Is vergeven moeilijk omdat we niet goed beseffen hoezeer we zelf op kosten van God leven? Hij geeft ons alles wat we hebben en neemt in Jezus onze schuld voor eigen rekening.

Soms is onderling vergeven moeilijk en teveel gevraagd omdat het zo erg is wat er gebeurde (bv incest) of omdat het berouw ongeloofwaardig/leugenachtig is (bij verslaving aan drank of drugs). Zou het een oplossing zijn om dan te zeggen ‘misschien dat God je vergeven wil’ en proberen bij jezelf gevoelens wraak en vergelding te beteugelen? (de oud-testamentische manier). Misschien kom je later in je leven wel toe aan vergeven en herstel van de relatie.

Wie zou oorlogsmisdadigers moeten vergeven als ze daarom vragen? Dat kunnen alleen hun slachtoffers zijn, maar die zijn er niet meer. Hun vergeving toezeggen heeft iets van verraad van de slachtoffers.

Vergeven kost moeite. Je moet heel wat bij jezelf overwinnen. Maar niet-vergeven doet je ook geen goed…

Vergeven betekent het doorbreken van de ketting van het verleden en vrij maken voor een nieuwe toekomst. Een zondaar wordt niet langer op zijn zonden aangesproken, maar op zijn mogelijkheden.