GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Maand: mei 2020

Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat

Nadat prinses Maxima ons volk schokte met ‘de Nederlander bestaat niet’ volgt nu de shockerende stelling ‘God bestaat niet’, van een dominee nog wel: Klaas Hendrikse, predikant in onze eigen PKN. ‘God bestaat niet’ schrijft Hendrikse en daarmee bedoelt hij dat God niet bestaat op de manier waarop een appeltaart bestaat (32) want het bestaan van een appeltaart heeft o.a. de volgende kenmerken: hij weegt bijv. 750 gram, ligt in de vitrine bij de bakker, heeft een geur, een kleur, een smaak, een vorm, is gemaakt, is op een dag opgegeten enz. Bij alle dingen die bestaan horen dit soort eigenschappen. Iets bestaat als het eigenschappen heeft. Maar omdat je van God niet kunt zeggen dat Hij een gewicht, een vorm, een geur heeft of een tijdje een bepaalde plaats inneemt enz., past het woord bestaan niet op God. Dus stelt Hendrikse: God bestaat niet.

Nu, dat vinden wij afgezien van de provocerende en oneerbiedige stijl nog niet erg schokkend. De kerk heeft niet anders gedaan dan leren dat God niet bestaat als de dingen om ons heen. Hij bestaat op zijn eigen manier. Zo is dat ook in de beleving van de meeste gelovigen. Wij denken bij God niet aan een mannetje met een lange baard op een wolk in de hemel. Het schokkende is dat Hendrikse ook van ‘bestaan op zijn eigen manier’ niets wil weten (33). Er is niet op een of andere wijze een God. En consequent trekt Hendrikse de lijn door: God spreekt niet en heeft niet gesproken (159), God aanspreken in gebed is onzin (164), er is niet een God die het kwaad kan verhinderen (66) of je na dit leven een nieuw leven geeft (171).

Wat gelooft Hendrikse dan wel? Hij gelooft in een God die gebeurt. God ontbrandt als het ware aan het verkeer tussen mensen (130). Waar eenzaamheid opgeheven wordt en verdriet gedeeld (132), daar gebeurt God. God bestaat niet, hij kan ontstaan tussen mensen (126). Het diepmenselijke is het goddelijke (131). Hierin is Hendrikse niet origineel: dit leert de kerk al sinds jaar en dag. Wij mogen Gods handen en voeten zijn. Maar dat God daarin opgaat (als het vonkt tussen mensen) en verdwijnt (als het niet gebeurt), is te klein over God gedacht. Dat maakt God tot iets van mensen. In de bijbel is het omgekeerd: God neemt het initiatief, roept Abraham weg, stuurt Mozes erop uit, stuurt zijn profeten, komt zelf in Jezus en zijn Geest vernieuwt ons leven.

Hendrikse weet natuurlijk ook wel dat dit zo in de bijbel staat. Maar hij stelt dat we dat anders moeten lezen. Volgens Hendrikse is de oorspronkelijke ervaring van Israel dat God niet bestaat, maar gebeurt. Mozes en Israel ontdekken dat als ze voor de bevrijding gaan, ze zich af en toe geleid voelden door een kracht (53). Jahweh noemden ze die: ‘ga maar, ik ga met jullie mee’ vertaalt Hendrikse. Die kracht zijn ze later ‘God’ gaan noemen, naar het voorbeeld van de goden uit de omringende volken. Zo werd die kracht, die af en toe oplichtte tussen de mensen, tot een God-die-bestaat, tot de Schepper van hemel en aarde, tot het Almachtig Opperwezen (Ned. Geloofsbelijdenis).

Hendrikse geeft hier een interpretatie van de geloofsgeschiedenis van Israel die aan wel heel veel bijbelse gegevens voorbij gaat. Voor Israel was Jahweh veel meer dan ‘iets dat gebeurt tussen mensen’. Waarom zou Israel anders een tabernakel, een tempel gehad hebben, waarom zouden er offers gebracht, oogstfeesten gevierd en psalmen gezongen zijn, hoe haalden profeten het in hun hoofd om te zeggen: ‘zo spreekt de Here’… als het niet was voor hun God? Hendrikse’s interpretatie is erg geforceerd. Ik ken geen oudtestamentici die hem hierin volgen. Zelfs Kuitert, die erg positief is over dit boek, schrijft in het voorwoord: ‘Ik geloof er niets vandat het zo gelopen is als de auteur aangeeft …’ (7). Waar het Hendrikse eigenlijk om te doen is, lijkt mij, dat hij niets kan met een God die als een almachtig Opperwezen bestaat. Dat zadelt gelovigen met het grote vraagstuk op: waarom grijpt Hij niet in? (66). Mensen knappen er op af. En minstens zo erg: zo’n geloof verschaft ook wel eens een excuus, een uitvlucht om er niet helemaal voor de ander te zijn. Denk maar aan de vrienden die Job komen troosten: met al hun gepraat over God laten ze Job in de steek.

In die zorg is Hendrikse te waarderen. Hij schrijft behartenswaardige dingen over volwassen afhankelijkheid (100) en over geloven dat een werkwoord is (106). De oplossing die hij voorstelt helpt ons echter van de regen in de drup. Jammer dat Hendrikse niets weet te melden over moderne ontwikkelingen in de theologie over het bestaan van God, zoals in de procestheologie (bijv. Dingemans, Polkinghorne, Peacocke). Deze en andere auteurs maken duidelijk dat God bestaat in een hogere dimensie, die onze tijd en ruimte omvat.

Er zal wel een stevig gesprek komen tussen de kerkelijke leiding en Hendrikse. Maar dat is te weinig en te gemakkelijk. Het is hoog tijd dat de kerk in nieuwe woorden probeert te zeggen, dat God bestaat op zijn eigen manier. Want zoals het staat in de oude geloofsbelijdenissen kan het echt niet meer. Zolang daar niets aan verandert zullen er mensen als Hendrikse blijven opstaan, provocerend en fel.

Kerkbode feb 2008
In de Waagschaal 37 (2008) 3 p. 6v

Handelingen 9: 17

Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’ 18 Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, 19 en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten. (Hand 9: 17.)

Het kan verkeren: zo ben je een vervolger van de christenen en van de een op de andere dag ben je de zendeling van de jonge kerk. Als je het in de bijbel naleest, lijkt het of het Saulus allemaal overkomt, alsof hij er zelf door werd verrast. Maar als zijn bekering volkomen onverwacht is, als een donderslag bij heldere hemel, dan is dat voor ons wel een heel vreemde geschiedenis, die wij niet mee kunnen maken. Zou een bekering echt zo zonder voorbereiding gebeuren? Bij nader inzien is dat ook bij Saulus niet het geval. In de eerste plaats wist hij alles af van het evangelie.

Hij had zich er grondig in verdiept. En als knappe rabbijn ging hij de discussie met de jonge kerk niet uit de weg. Onderweg naar Damascus om de christenen daar te bestrijden is hij met deze dingen bezig. Het broeit in hem. En dan opeens breekt het licht door (oogverblindend) en ontdekt hij wat christenen toch in het evangelie zien. Het tweede is het verrassende optreden van Ananias. Hij gaat naar het huis waar de gevreesde Saulus verblijft en hij begroet zijn vijand met ‘broeder’. Dan gaan Saulus de ogen open. Het kwartje is gevallen.

De kerk in ons land heeft de wind tegen. De belangstelling neemt af. Bekeringen zijn zeldzaam. Er zijn vele oorzaken geopperd. Eén die ik niet zo vaak hoor is deze: zou het er mee te maken, dat wij als kerk zo onopvallend, zo weinig irritant zijn? Waarom zou iemand die niet gelooft zich druk maken om het evangelie of om de kerk? Waarom zou hij of zij er tegen in gaan als ooit Saulus? Als wij ‘buitenstaanders’ niet prikkelen, gaat het ook niet broeien en dan komt het niet verder.

Waar blijven gedurfde uitspraken van de kerk over geloof, over waarden en normen? Waar de verrassende daden? Hebben we niets te zeggen over de tijdgeest, over vereenzaming, over hebzucht, over drankmisbruik, over oppervlakkigheid, over islam en andere geloven, over het behoud van de schepping? Ik hoop dat we het nieuwe seizoen bij mensen aan de rand, en bij buitenstaanders onrust zullen veroorzaken en uitdagend zijn door van het verkeerde duidelijk afstand te nemen en voor het goede te gaan.

Dat is de ene helft. Daar kan het niet bij blijven. Een uitdagende opstelling in woord en daad is niet genoeg om anderen over de streep te trekken. Dan zijn er mensen nodig. U en ik die laten merken dat we om de ander geven. De kerk is er niet om alleen maar op te vallen en de ander te irriteren, laat staan een slecht gevoel te bezorgen. Tenslotte is het Ananias die Saulus over de streep trekt. Als hij hem opzoekt en met vrede begroet, weet Saulus dat het echt is. Zo zijn wij geroepen het evangelie voor te leven en te delen met anderen.

 

(kerkbode okt 2007)

Collins, De Taal van God

Van politiefilms en detectives weten we ondertussen allemaal wel ongeveer wat DNA is: lange strengen erfelijk materiaal waarop een heel aantal menselijke eigenschappen staan beschreven. Van persoon tot persoon iets verschillend: even individueel als een vingerafdruk. Vandaar hun bruikbaarheid voor de recherche. Enige tijd geleden is het een aantal geleerden gelukt de code van het DNA te ontcijferen en in kaart te brengen. Het blijkt dat de code uit “4 letters” bestaat C, A, T, en G.

En deze 4 letters samen komen zo’n 3,1 miljard keer voor. Daarvoor is een boek nodig van ruim 645.000 bladzijden met elk 60 regels van 80 letters: dat is een stapel van 650 bijbels. Zoveel tekst zit weggestopt in elk celletje van ons lichaam! Het is “de taal van God” geschreven in alle levende wezens.

Collins is een van de geleerden die heeft meegewerkt aan het ontcijferen van deze code en heeft een grote reputatie op dit gebied. Zakelijk en informatief schrijft hij over de ontwikkelingen op dit gebied van de wetenschap. Het bijzondere van zijn boek is o.a. dat hij ook beschrijft wat deze ontdekkingen voor hem zelf betekenen: van atheïsme tot geloof.

Collins vindt het gevaarlijk om het geloof te gebruiken als verklaring voor de gaten in de theorie van de wetenschap, zoals de aanhangers van de Intelligent Design dat doen. Want als de wetenschap vordert, blijft er voor het geloof minder ruimte over.

Collins komt met een ander concept dat hij “theïstische evolutie” noemt. Daarmee honoreert hij volledig de ontdekkingen van de wetenschap over het ontstaan van de aarde en de ontwikkeling van het leven. Hij vraagt speciale aandacht voor de mensen die als enige van alle levende wezens over een spirituele natuur beschikken: wij vragen immers naar goed en kwaad en wij zoeken God. Wereldwijd, de eeuwen door is het dát wat mensen tot mensen maakt.

De eerlijkheid gebied te zeggen dat Collins op deze manier wel geloof en wetenschap combineert, maar het geloof is dan wel heel algemeen. Het is het geloof aan een God als Schepper zoals hindoes, moslims, joden en christenen met elkaar delen. Gelukkig kan er nog heel wat meer van deze God gezegd worden: Kerst, Pasen en Pinksteren om maar wat te noemen. Dat vind je allemaal niet in het boek van Collins. Maar voor alle middelbare scholieren en hun ouders en ieder die op een eerlijke manier geïnformeerd wil worden over de wetenschap is dit een waardevol boek dat laat zien dat je in God kunt geloven en tegelijk een modern en geschoold mens kunt zijn.

Kerkbode mei 2008 (?)

Jeugd en Kerk

Dat wekte toch wel enige opschudding: vier mensen maar dit jaar die belijdenis van hun geloof in het midden van de gemeente aflegden. In voorgaande waren het er veel meer. Wat is er aan de hand? Ligt het aan de geloofsopvoeding van ouders thuis? Geven ze wel het goede voorbeeld? Probeer je kinderen maar eens met mes en vork te leren eten, als je het zelf niet doet. Of ligt het aan de kerk: knappen jongeren op de diensten af, of spreekt de catechisatie niet aan?

Deze en andere redenen spelen vast ook een rol, en een deel van de oplossing van het probleem ligt hier. Maar hier niet alleen. Ik denk dat het echte probleem dieper zit dan dat we het met een combo’tje in de dienst of een cabaretier als voorganger of nóg afwisselender catechese zouden kunnen oplossen.

Ik houd het op het volgende: de religieuze ervaring is voor velen van ons een probleem geworden. We beleven de dingen één dimensionaal. We missen de diepte in het gebeuren. We kunnen het leven maar moeilijk meer als met God verbonden ervaren. Een bloem, is ons geleerd, is een product van chemische reacties, van eiwitten en zonlicht. De wereld: het voorlopige resultaat van een toevallig proces (evolutie). Wie verwondert zich nog over de macht, de wijsheid van de Schepper? De bijbel: mensenwerk; komt het nog met zoveel kracht op ons toe dat we het als Woord van God beleven? En je naaste is gewoon een ander, dat in hem of haar Christus op je afkomt (Mt 25:31vv) is ons vreemd geworden. De loop van je leven: daarin ga je gewoon je eigen gang en wat je overkomt dat is toeval: pech of geluk gehad; dat God het leidt, er de hand in heeft, wie beleeft het nog zo? En bidden: dat is praten in jezelf, dat je zo in verbinding staat met de Eeuwige is voor velen niet meer mee te maken. De regenboog? Die maken we in het klein zo na met een prisma, het is niet meer de boog van het verbond. De lijst is nog veel langer te maken.

Wanneer de diepte-dimensie ontbreekt, wordt geloof tot kerkelijkheid, tot gewoonte en folklore. Best leuk en aardig (of niet) maar in elk geval niet echt en vol waarheid. De grote woorden van het geloof: God, Christus, de Geest, toekomst, vertrouwen, schuld en vergeving, komen dan in de lucht te hangen. Ze appelleren niet aan eigen ervaring. Wie ze in deze situatie probeert over te dragen kan zo veel uitleggen als hij wil, maar degene voor wie ze bedoeld zijn, zal ze als “aangepraat” ervaren.

Ondertussen proberen velen van ons het wel bij elkaar te houden, de oppervlakte en de diepte, maar het is een hele toer. Het is nauwelijks ervaring die ons overkomt of beleving die je geschonken wordt. We beredeneren dat de evolutie toch een Schepper niet uitsluit.bv. Dat is natuurlijk prima, we hebben ook met heel ons verstand te geloven. Ja, maar niet met enkel ons verstand: ook met hart en ziel (die staan zelfs voorop) en onze kracht. Bovendien komen we met een verstandelijk geloof altijd in de discussie terecht, in welles – nietes, en de “slimste”wint. Weinig opbouwend.

Hoe is het zover gekomen? Dat heeft veel te maken met de cultuur waarin wij leven: materialistisch, haastig, prestatie-gericht. Daar is bitter weinig ruimte voor een open, ontvankelijke houding. We worden niet geschoold of gestimuleerd de dingen dieper te zien en te beleven of daar woorden bij te vinden. De antenne daarvoor houden we ingetrokken, net als de voelsprietjes van een slak inkrimpen als je ze aan raakt. Op school leren we hoe alles verklaarbaar is: natuurwetten. Wat buiten meten en weten valt telt niet. Poëzie, kunst, filosofie zijn “softe” vakken. Het verschijnsel godsdienst is ook al wegverklaard: een aangeprate behoefte van mensen, of een reactie op angst enz. En de welvaart geeft ons de illusie dat we zelf de makers van ons leven en geluk zijn: met geld is alles te koop.

Maar een enkele keer vallen we uit onze rol: als een kind geboren wordt zeg je niet zo gauw: “dat hebben we samen mooi gemaakt”, dan voel je je enkel bevoorrecht; “ons kleintje komt uit de hemel, het is een wonder, een geschenk van God, wij zijn gezegend”. Al is zelfs die ervaring aan vervlakking onderhevig en kun je soms een geboorte kaartje krijgen met de maten en gewichten van de pasgeborene.

In die cultuur, die zich sterk aan ons opdringt, 24 uur per dag en 7 dagen per week, en die wij ook over ons afroepen en opzoeken, groeit onze jeugd op. Prof A. van den Beukel, gepensioneerd hoogleraar natuurkunde te Delft schrijft (in: De dingen hebben hun geheim. Met andere ogen, Geen beter leven dan een goed leven) indringend over deze ontwikkeling. Zijn boeken zijn een goed bewijs ervoor dat wetenschap en geleerdheid heel best met geloof kunnen samen gaan. Aanbevolen, evenals van ter Horst, “christelijke geloofsopvoeding”. Hier vind je handvaten om werk te maken thuis (voorop) en in de kerk van het bijbrengen en ontwikkelen van een open, ontvankelijke houding die voorwaarde is voor een geloof dat niet alleen van het verstand leeft, maar ook in het hart geworteld is. Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan.

(kerkbode +/- 2000)

Euthanasie en christelijk geloof

Euthanasie – opgevat als opzettelijk levensbeëindigend handelen, op verzoek van de zieke bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden- is een fenomeen van de moderne tijd. Een ondraaglijk en uitzichtloos lijden duurde vroeger nooit heel lang. Door de medische wetenschap kan het leven echter enorm gerekt worden. De bijbel geschreven vele eeuwen geleden heeft het nergens over euthanasie. En schrijft dus ook niet voor hoe gelovigen over euthanasie moeten denken. Overigens geldt dat van eigenlijk alle ethische kwesties: abortus, homofilie, geweld, genetische manipulatie, economie en milieu enz. We vinden in de bijbel geen kant en klare recepten, geen tijdloze waarheden. Zo komen we er niet. Toch willen ook christenen een mening vormen over euthanasie. En dat doen ze door de bijbel in de geest van het geloof uit te leggen. Het is ooit Pinksteren (Hand 2) geworden. Dwz de Geest is gekomen. De Geest van Jezus. Die Geest zal de gelovigen de eeuwen door heen helpen een weg te vinden (Joh 16:12-15). Ook met het vinden van een houding tov euthanasie.

Christenen heten naar Christus. Zij vinden in Jezus het sleutelverhaal voor hun eigen leven. In het verhaal van Jezus, zijn lijden, sterven en opstaan ontdekken ze twee dingen: aan de ene kant de liefde van God voor mensen in Jezus, aan de andere kant het bederf, het geweld in mensen dat die liefde afslaat. Uitgerekend Jezus, de meest liefdevolle doen wij het kruis aan!

Dat is onthutsend. Christenen zijn voortaan niet meer zo zeker van zichzelf. Ze weten iets van het onredelijke, het beestachtige, het egocentrische en al die andere vormen van angst die in ons schuil gaan. Aan de andere kant hebben ze nu juist oog gekregen voor de vertrouwenwekkende liefde van God die aan kruis en in graf maar niet te doven is (Pasen). Christenen geloven dat die liefde naar hen en naar ieder mens uitgaat. Dat die liefde in ons wil wonen en verlichten en verwarmen en bemoedigen. Voor die liefde stellen christenen zich open. Die liefde willen ze nooit meer kwijt. Zo vernieuwt Christus/de Geest hun leven. Christelijk leven is in de praktijk de worsteling om bij deze liefde te blijven. Er is zoveel dat ons afleidt (werk, hobbies, verplichtingen), zoveel dat ons hindert (aanleg en opvoeding), zoveel dat ons verlamt (zorgen, verdriet). Maar dit is het ene allernodigste zegt Jezus tegen Martha (Luc 10: 38-42). Zonder deze aansluiting op de bron van vertrouwen, hoop en liefde kunnen christenen niets doen (Joh 15: 5). Dan gaan ze niet open naar de ander en het leven. Dan blijven ze in zichzelf gekeerd, bezorgd en angstig.

Christenen die opzien tegen het lijden (m.n. pijn) dat aan het sterven voorafgaat en euthanasie overwegen, zullen zich eerst moeten afvragen of hun zorg niet vooral paniek is, die voortkomt uit angst. Angst is een slechte raadgever, ook in deze zaken. Dan is goede, zakelijke voorlichting van groot belang: de behandelend arts kan informeren over pijn-bestrijding, over het stoppen van een zware behandeling, over sedatie en ook over euthanasie.

Maar belangrijker nog is dat de angst voor het lijden en de dood wordt weggenomen. Voor christenen gebeurt dat in het geloof dat God bij hen is. Dat zijn liefde hen ook in het lijden zal weten te bereiken (Rom 8: 31-39). Christenen verstaan hun lijden niet als een als een vloek of een straf maar als een weg die ze met God mogen gaan. Hij weet wat het is om mens te zijn (Hebr. 4: 15). Met zijn kracht komt hij onze zwakheid tegemoet (2 Kor 12:9).

In dat vertrouwen wordt de vraag naar euthanasie minder urgent. Des te belangrijker wordt de vraag wie of wat de liefde van God reëel en dichtbij kan brengen. Als dat niet gebeurt is het praten over Gods liefde maar een slag in de lucht waar de zieke alleen maar nog zieker en eenzamer van wordt.

Gods liefde wordt geloofwaardig in de deskundigheid van artsen, in de zorg van de verpleging, in het bezoek van familie en vrienden, in de kaartjes van de buurt, in de voorbeden van de gemeente. U bent daarom allemaal heel belangrijk: U kunt de liefde van God zichtbaar maken of verbergen.

Een christen ziet Gods liefde ook in allerlei andere voertuigen van genade: de stilte van de nacht, een droom, een wolkenlucht, een tekst uit de bijbel, een sterk gevoel dat je niet alleen bent, een gebed, muziek en zang. Indrukwekkend vond ik het sterven van een christen die vlak voor zijn einde samen met zijn vrouw en kinderen nog 1 x het avondmaal wilde gebruiken. Net als Jezus ooit op witte donderdag: met de dood voor ogen. Met de hemel/het paradijs/het eeuwige leven als uitzicht.

Een christen ziet Gods liefde ook hierin dat hijzelf als zieke en patiënt nog een taak heeft: hij kan bezoek ontvangen…liefde en waardering geven, troosten, bidden. Niet verbitteren of onverschillig worden. Uiteindelijk afscheid nemen. Dit stukje van de levensweg is niet zomaar waardeloos of zinloos. Hier worden hoge waarden gerealiseerd. Jezus aan het kruis weigert de verdovende wijn om helder van geest te blijven om “…te bidden voor zijn vijanden, om Maria een nieuwe zoon te geven, om de moordenaar niet vergeefs “denk aan mij”te laten roepen…”(Okke Jager)

Veel christenen doen in hun lijden de ervaring op, dat ze meer aan kunnen dan ze van te voren (in hun angst en paniek) dachten. Ze kunnen een stapje terug doen, pijn en moeite verdragen en zelfstandigheid verliezen. Waardoor? Omdat de liefde van God hen omringt en de draagkracht vergroot. Niet constant als was het geloof een bezit. Maar op de manier van “zien, soms even” (Huub Oosterhuis). Van kracht tot kracht gaan zij steeds voort (Ps 84) Daarom: geen zorgen voor de dag van morgen (Mat 6: 34).

Vaak gaat de wens naar euthanasie helemaal voorbij. Bijna altijd blijkt na verloop van tijd de bestrijding van pijn en benauwdheid mbv morfine en zuurstof effectief genoeg te zijn. Mijn collega’s en ik hebben maar een enkele keer met euthanasie te maken gehad. Bijna altijd werd gekozen voor sedatie en/of het stoppen met voeding door een infuus. Het gegeven dat euthanasie in elk geval bespreekbaar was, droeg daar zeker aan bij.

Conclusies:

Voor een christen-patiënt is euthanasie iets wat als laatste mogelijkheid een optie zou kunnen zijn: als terminaal lijden zwaar en pijnlijk is en bestrijding van pijn en benauwdheid niet of nauwelijks helpen. Dan is aan te nemen dat de liefde van God niet meer beleefd kan worden. Eén van Jezus laatste woorden was: “mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?” (Mat 27:46). Daarna geeft hij de geest (Joh 19: 30). Voor een christen hoeft dat allerlaatste niet langer te duren.

Wat betekent dit voor een christelijke arts, christelijke verpleging en christelijke verzorgers? Mag u meewerken aan euthanasie? Volgens de Nederlandse wet mag dat onder strenge voorwaarden. Maar dat wilt u niet weten. U wilt weten: geeft het christelijk geloof mij die ruimte? Ik denk het wel: de patiënt is mondig. Alleen de patiënt kan uitmaken of het leven nog de moeite waard is of dat het lijden ondraaglijk is geworden. Die keus is zijn verantwoordelijkheid. Meewerken aan zo’n verzoek hoef je niet te zien als medeplichtigheid aan (zelf)moord. Het is veeleer te zien als de laatste daad van barmhartigheid aan iemand in een uitzichtloze situatie (Kuitert).

Ik kan me voorstellen dat dit tegen uw heiligste overtuiging in gaat. Dan moet u het niet doen. De overheid verplicht U niet om mee te werken aan euthanasie. Het christelijk geloof verbiedt (Rom 14) U zelfs om dingen te doen die tegen uw geweten ingaan.

Kerkbode +/- 2009