GeHoLi

Geloof, Hoop en Liefde

Maand: april 2020

Rutger Bregman, De meeste mensen deugen.

Rutger Bregman (1988) is historicus maar in dit boek doet hij meer dan een stukje geschiedenis opdiepen al gebeurt dat ook. Hij beweegt zich ook op het terrein van psychologie, economie, evolutie, archeologie, rechtspraak en nog veel meer. Dat alleen al is een prestatie van formaat en als je dat bevattelijk weet te verwoorden in een boek van 500 bladzijden zonder moeilijke woorden en dat leest als een trein, dan verklaart dat wel waarom nu al de zesde druk in de winkel ligt.

Toch zou het niet zo populair zijn geworden als het niet vooral aan de inhoud ligt. In een tijd van nep-nieuws, populisme en negatieve vooroordelen doet Bregman zijn best om aan te tonen dat de meeste mensen wel deugen. Die positieve indruk krijgen we niet als we denken aan de jaarwisseling met zijn vernielingen en het bedreigen van hulpverleners. En als je verder terug denkt, aan de tweede wereldoorlog, dan weet je ook van het tegendeel: mensen vallen soms vreselijk tegen. Vooral als ze misleid worden door propaganda en valse beloften. Vanuit die verschrikkelijke ervaringen zijn er nogal wat schrijvers en filmmakers geweest die het erop hielden dat beschaving maar een dun laagje vernis is. Een laagje dat er makkelijk afgaat en dan komt de mens in zijn zgn. ware aard naar voren: een monster. Een negatief mensbeeld dat bevestigd zou zijn in allerlei sociaal-psychologisch onderzoek.

Bregman toont aan dat er op zulk onderzoek heel wat valt af te dingen. In veel gevallen stond de uitkomst bij voorbaat vast: de mens is een monster. Zo kwam dat bijv. naar voren in het beroemde experiment van de psycholoog Stanley Milgram. Daarbij geven vrijwilligers in de rol van leraar andere vrijwilligers in de rol van leerling stroomstootjes bij een fout antwoord. Alleen wisten de leraren niet dat de stroomstootjes nep waren en dat de leerlingen medewerkers waren van Milgram. Hoe ver zouden de vrijwilligers/leraren gaan? De stroomstootjes liepen op in stapjes van 15 Volt tot 450 Volt. Bij 315 Volt bonkte de leerling nog op de muur. Daarna werd het stil. Resultaat van de test: 65% van de vrijwilligers/leraren gingen door tot die dodelijke 450 Volt. Conclusie: de mens is een wezen dat klakkeloos bevelen opvolgt en tot de gruwelijkste dingen in staat is.

Bregman duikt echter in de archieven, beluistert de bandopnames en laat vervolgens van dit experment weinig heel: de vrijwilligers/leraren werden zwaar onder druk gezet, verleidt en gemanipuleerd om tot 450 V te gaan. Zijn conclusie: “…dan zijn velen van ons tot het kwaad in staat….Maar het kwaad ligt niet aan de oppervlakte; het moet met veel moeite omhoog worden gepompt. En belangrijker nog: het moet zich steevast vermommen als het goede.” (213)
Zo ontkracht hij meer bewijs voor de stelling dat beschaving maar een laagje vernis is en dat de mens niet deugt. Daartegenover brengt hij de positieve verhalen van mensen die elkaar helpen (6 jongens aangespoeld op een onbewoond eiland) en redden (De Deense bevolking voorkomt dat de Joden in de oorlog worden afgevoerd) en van vijandelijke soldaten die (1914) in de loopgraven gezamenlijk Kerstfeest vieren. Enz.

Ik was bang dat Bregman op kerk en geloof zou afgeven omdat in de christelijke traditie wordt geleerd dat de mens geneigd is tot alle kwaad en niet geschikt is tot enig goed. Het leerstuk komt in zijn boek niet voor. Daar had hij wat mij betreft best een hoofdstukje aan mogen wagen. Want er bestaan veel misverstanden over.
Op één plek vind ik dat schrijver wel de plank mis slaat. Hij geeft nl een heel merkwaardige uitleg van Mat 10:30. Daar zegt Jezus “zelfs alle haren op je hoofd zijn geteld” en bedoelt daarmee dat we God volledig kunnen vertrouwen. Bregman vat dat echter op als zou daar bedoeld zijn dat God iedereen dag in dag uit bespionneert! (blz 286)

Afgezien van die ene misser is het vooral een positief boek met veel verrassende verhalen over mensen die deugen. En met een stevige aanbeveling om dat als uitgangspunt te nemen als werkgever of als overheid en in je persoonlijke leven in de omgang met andere mensen. Een aanrader.


(Kerkklank feb 2020)

Een wondermiddel

Ik ben nu ruim een week vrij van de jeuk die me ’s nachts uit de slaap hield. Wat een genot om weer een goede nacht te hebben. ‘Hij geeft het zijn beminden in de slaap’ zegt koning en dichter Salomo (Psalm 127). Ik ben er meer dan blij mee, ik voel me er dankbaar voor.
De laatste dagen voel ik me zelfs beter dan ik me in jaren gevoeld heb. Het valt Noortje en de kinderen ook op. Zat deze kwaal me dan al veel langer dwars? De specialist denkt daar anders over en houdt het op de werking van de prednisolon. Jammer, want dat wondermiddel moet ik over een tijdje laten staan.
Maar hoe dan ook, het goede nieuws is dat het nu toch wel zo goed als zeker is, dat het niet om kanker gaat, maar om die zeldzame auto-immuun ziekte van de alvleesklier.

Een dokter beklaagde zich eens. “Als mensen beter worden danken ze God. Als ze niet herstellen, dan zeggen ze dat ik hen niet helpen kon”. Daar heeft hij wat mij betreft wel een punt. Persoonlijk zie ik het dus een beetje anders. Zonder laboratorium, ziekenhuis, apotheek was ik niet opgeknapt. Dus alle waardering voor laboranten, artsen, apothekers. Maar ik voel me ook buitengewoon bevoorrecht. Eerst leek het ‘einde oefening’, nu staat de deur naar het leven weer helemaal open. Ik kan niet anders dan even ‘tegen de pet tikken’ en ‘dank U wel’ zeggen. 

Voor mij is het dus allebei: én de dokter én God moet ik bedanken. Dat concurreert niet met elkaar: een arts maakt gebruik van de mogelijkheden die er in de schepping liggen voorzover bekend. Er zijn er nog vele meer. God kent ze allemaal. Hij kan alles wat kan. De in onze ogen gewone dingen, en dingen die wij buitengewoon vinden en voor een wonder houden. Voor God is het allemaal even eenvoudig. Hoe God zijn werk doet, daar komen we als mensen nooit achter. (Prediker 5:1) Dat is een kwestie van vertrouwen.

En eerlijk is eerlijk: dan moet ik ook als ik niet meer beter word, bij allebei zijn. Dus het niet enkel de dokter verwijten als hij me niet helpen kan op de manier die ik mij wens. Er gebeurt in deze wereld helaas niet alleen wat onze hemele Vader wil. Daarom bidden we toch ‘uw wil geschiede’ en ‘uw koninkrijk kome’? En daarom is er soms een kruis te dragen. En in dat geval zal ik proberen met de hulp van beide, God en dokter (en anderen), de weg te gaan die dan voor mij ligt.

Drie keer een stille week

Steeds meer begin ik te geloven dat ik een ‘gewone’ ziekte heb waarvan ik weer kan genezen. Ik kijk met nieuwe ogen naar de wereld om mij heen. De blauwe lucht, het frisse groen aan bomen en struiken, de eerste voorjaarsbloemen. Wat is het allemaal mooi! Dat was het vroeger natuurlijk ook, maar toen moest ik me zelf er toe dwingen om er bij stil te staan om het te zien. Nu gaat het vanzelf. Het dringt zich aan mij op. Datzelfde overkomt me als ik de brievenbus leeg haal en elke keer weer kaarten aantref afkomstig vooral van gemeenteleden die me sterkte toewensen en schrijven dat ze aan me denken of voor ons bidden. Anderen bellen me met dezelfde goede woorden. Of bezorgen opeens een prachtige bos bloemen. Het ontroert me keer op keer. Ik word er stil van. Ik merk dat het me heel goed doet en bemoedigt om er weer boven op te komen. Wat houd ik van de mensen, de natuur, van het leven. Ik hoop dat ik die ontvankelijkheid en dat blijde, dankbare gevoel kan vasthouden als ik beter ben en het werk weer oppak.

Door de Corona-crisis is het ook al zo stil en rustig in ons land: weinig verkeer, de straten bijna leeg, scholen gesloten, kantoren dicht, evenementen afgelast. Alleen in de ziekenhuizen en de zorg is het druk. Een stilte die lang duurt en voor kwetsbare mensen thuis en in zorginstellingen erg naar is. Dagen en weken dat er geen bezoek komt in een moeilijke periode van je leven. Anderen ervaren deze tijd van gedwongen rust als een weldaad, meer nog dan een vakantie. Want nu is er geen verre reis te maken, geen attracties te bezoeken. Nu kun je echt op adem komen. Ik denk wel eens: dat is de rust waar de zondag voor bedoeld was.

En dan is het ook nog de stille week in de kerk. Op witte donderdag, goede vrijdag en stille zaterdag gedenken we het lijden en sterven van Jezus, en zijn opstanding op de zondag van Pasen. Anders dan anders kunnen we als gemeente nu niet samen komen om van Jezus onder de indruk te raken. Maar ook als we thuis de lijdensgeschiedenis lezen en de diensten volgen kunnen we er stil van worden: wat een toewijding aan God, wat een liefde voor mensen!

Drie keer stilte. Drie keer krijgen we een vermoeden van nog heel andere dingen dan wanneer we opgaan in het ‘gewone’ leven. Drie keer voelen we iets van het geheim van de werkelijkheid: dat er in het verborgene een hart voor ons klopt. Een liefde die naar ons uitgaat, verwarmt en opent voor God en voor elkaar.

Een week van wachten

Na het hoopgevende telefoontje vorige week maandag ben ik met de prednisolon begonnen. Elke dag een pilletje, dan zou ik met een kleine week wel iets van verbetering moeten kunnen merken. Soms dacht ik inderdaad dat m’n oogwit en huid wat minder geel waren. Maar de wens bleek de vader van de gedachte: het geel bleef en de jeuk ook. Doen de medicijnen wel hun werk? Moet ik misschien een zwaardere dosis hebben?
Ik bel met het ziekenhuis en de specialist legt uit dat bij het begin van de kuur de waarden van de geel-makende stof (bilirubine) wel heel hoog waren. Die kunnen best gedaald zijn zonder dat je er direct minder geel van wordt. Maar om dat met zekerheid te kunnen stellen, is het nodig dat ik weer bloed laat prikken.
De volgende dag krijg ik de uitslag. Gelukkig blijkt de concentratie bilirubine flink gezakt te zijn, al is het nog steeds 9x te veel. De specialist verwacht dat dat de komende weken wel verder zal dalen. In elk geval blijkt de prednisolon te werken en dat is op dit moment een heel bemoedigend bericht. Ik laat me niet meer verontrusten door de gele kleur en probeer het ongemak van de jeuk maar voor lief te nemen.